Verzoeker, verdachte in een strafzaak waarbij een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel wordt geadviseerd, diende een wrakingsverzoek in tegen drie rechters van de rechtbank Den Haag. Het verzoek betrof vermeende vooringenomenheid vanwege procedurele beslissingen, waaronder het afwijzen van verzoeken tot het horen van deskundigen en het splitsen van de inhoudelijke behandeling.
De wrakingskamer beoordeelde dat de rechters de verzoeken zorgvuldig en gemotiveerd hadden afgewezen en dat deze beslissingen niet anders kunnen worden uitgelegd dan als blijk van vooringenomenheid. De kamer benadrukte dat wraking alleen kan worden toegewezen bij bijzondere omstandigheden die een objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid opleveren, wat hier niet het geval was.
De procedure kende een pro forma zitting op 30 maart 2026, waarbij het rapport van het Forensisch Centrum (ForCa) en het advies voor een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel werden besproken. Het rapport werd op 16 april 2026 aan partijen verstrekt. Verzoeker en zijn raadsvrouw hadden gelegenheid het rapport te bespreken, maar het verzoek tot het horen van vier deskundigen werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.
De wrakingskamer concludeerde dat de rechters zich voldoende voorgelicht achtten en dat de raadsvrouw voldoende tijd had voor voorbereiding. De wraking werd afgewezen en het proces werd voortgezet in de stand van het wrakingsverzoek. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.