Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16185

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 juni 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
C/09/704109 / KG RK 26-694
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 515 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechters in strafzaak over PIJ-maatregel

Verzoeker, verdachte in een strafzaak waarbij een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel wordt geadviseerd, diende een wrakingsverzoek in tegen drie rechters van de rechtbank Den Haag. Het verzoek betrof vermeende vooringenomenheid vanwege procedurele beslissingen, waaronder het afwijzen van verzoeken tot het horen van deskundigen en het splitsen van de inhoudelijke behandeling.

De wrakingskamer beoordeelde dat de rechters de verzoeken zorgvuldig en gemotiveerd hadden afgewezen en dat deze beslissingen niet anders kunnen worden uitgelegd dan als blijk van vooringenomenheid. De kamer benadrukte dat wraking alleen kan worden toegewezen bij bijzondere omstandigheden die een objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid opleveren, wat hier niet het geval was.

De procedure kende een pro forma zitting op 30 maart 2026, waarbij het rapport van het Forensisch Centrum (ForCa) en het advies voor een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel werden besproken. Het rapport werd op 16 april 2026 aan partijen verstrekt. Verzoeker en zijn raadsvrouw hadden gelegenheid het rapport te bespreken, maar het verzoek tot het horen van vier deskundigen werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.

De wrakingskamer concludeerde dat de rechters zich voldoende voorgelicht achtten en dat de raadsvrouw voldoende tijd had voor voorbereiding. De wraking werd afgewezen en het proces werd voortgezet in de stand van het wrakingsverzoek. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechters wordt afgewezen wegens het ontbreken van gegronde aanwijzingen voor vooringenomenheid.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Wrakingskamer
wrakingnummer: 2026/33
zaak- /rekestnummer: C/09/704109 / KG RK 26-694
Beslissing van 15 juni 2026
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] , thans gedetineerd,
hierna te noemen: verzoeker,
advocaat: mr. W.G. Nieman te Leiden,
strekkende tot de wraking van
mrs. S. van der Harg, A.M.A. Keulen en R.J. Wortelboer,
rechters in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechters.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het proces-verbaal van de zitting van 23 april 2026;
- de schriftelijke toelichting van het wrakingsverzoek van 24 april 2026;
- de schriftelijke reactie van de rechters van 12 mei 2026.
1.2.
Op 1 juni 2026 is het verzoek tot wraking ter zitting behandeld. Hierbij is verschenen de raadsvrouw van verzoeker, mr. W.G. Nieman, advocaat te Leiden.
Als toehoorders zijn ter zitting verschenen de officier van justitie mr. A.F. Baas, [naam 1] van de Raad voor de Kinderbescherming, en [naam 2] van Jeugdbescherming West.
Verzoeker is – hoewel behoorlijk opgeroepen – niet ter zitting van de wrakingskamer verschenen.
De rechters hebben laten weten niet te zullen verschijnen.

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
Het verzoek strekt tot wraking van de rechters in de strafzaak met de parketnummers 09-351678-24, 09-137146-25, 09-144884-25, 09-238970-25 en
09-350865-25 tegen verzoeker als verdachte (hierna: de hoofdzaak).
Het procesverloop in de hoofdzaak
2.2
De hoofdzaak kent, voor zover relevant voor de beoordeling van het wrakingsverzoek, het volgende verloop.
2.3
Op 30 maart 2026 heeft in de hoofdzaak een zogenaamde pro forma zitting bij de meervoudige kamer plaatsgevonden. Tijdens die zitting is meegedeeld dat de inhoudelijke behandeling van de strafzaak tegen verzoeker op 23 april 2026 zal plaatsvinden en dat, hoewel het rapport van het ForCa [1] nog niet gereed is, door de deskundigen een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel [2] wordt geadviseerd. Daarbij is tevens bepaald dat het rapport van het ForCa uiterlijk op 16 april 2026 aan partijen en de rechtbank zal worden verstrekt.
2.4
Op 16 april 2026 is het rapport van het ForCa van 106 pagina’s aan partijen en de rechtbank toegestuurd.
2.5
Bij e-mailbericht van 22 april 2026 te 11:47 uur heeft de raadsvrouw splitsing van de inhoudelijke behandeling op 23 april 2026 verzocht, met dien verstande dat de ten laste gelegde feiten op 23 april 2026 zullen worden behandeld en dat de persoonlijke omstandigheden van verzoeker op een nader te bepalen zitting zullen worden behandeld. Tevens is in het e-mailbericht verzocht om (voor de zitting) vier deskundigen op te roepen voor een deskundigenverhoor, te weten de twee deskundigen die het rapport van het ForCa hebben opgesteld en twee andere behandelaars die een nauwe band met verzoeker hebben.
Ter onderbouwing van haar verzoeken heeft de raadsvrouw aangevoerd dat zij het lijvige rapport van het ForCa pas op een laat moment heeft ontvangen en het rapport niet volledig met verzoeker heeft kunnen bespreken.
2.6
Bij e-mailbericht van 22 april 2026 te 13:42 uur heeft de officier van justitie gereageerd op het verzoek van de raadsvrouw. Hij heeft met spoed de twee deskundigen die het rapport van het ForCa hebben opgesteld, opgeroepen, zodat zij middels een videoverbinding kunnen worden gehoord. Hij heeft daarbij aangegeven nog geen bevestiging te hebben ontvangen dat beide deskundigen ook daadwerkelijk in de gelegenheid zijn om aan de zitting deel te nemen. Hij heeft zich verzet tegen het horen van de twee behandelaars van verzoeker, nu hij het horen van deze twee behandelaars niet noodzakelijk acht.
2.7
Bij e-mailbericht van 22 april 2026 te 14:26 uur heeft een medewerker van de griffie namens de rechters aan de raadsvrouw en de officier van justitie meegedeeld dat het verzoek van de raadsvrouw tot splitsing van de behandeling en het oproepen van een viertal getuigen-deskundigen wordt afgewezen, nu het verzoek onvoldoende is onderbouwd en de rechtbank daarom daartoe de noodzaak niet ziet.
Ten aanzien van de deskundigen van het ForCa hebben de rechters overwogen dat de late ontvangst van het rapport van het ForCa weliswaar vervelend is, maar dit geen grondslag biedt voor het horen van de deskundigen. Daarnaast blijkt uit de rapportage dat verzoeker reeds voor het verschijnen van het rapport de meeste onderzoeksresultaten heeft kunnen lezen en van commentaar heeft kunnen voorzien.
Voor wat betreft de twee behandelaars van verzoeker is overwogen dat zij niet als deskundigen betrokken zijn in deze zaak en om die reden alleen al niet bevraagd kunnen worden over het rapport van het ForCa.
De raadsvrouw zal (uit coulance) wel in de gelegenheid worden gesteld enkele vragen aan de deskundigen te stellen, nu de officier van justitie de deskundigen reeds heeft opgeroepen, mits de deskundigen inderdaad (digitaal) beschikbaar zijn.
2.8
Bij e-mailberichten van 22 april 2026 te 14:33 uur en 14:52 uur heeft de raadsvrouw meegedeeld dat zij haar beide verzoeken handhaaft. Tevens heeft zij een nadere toelichting met betrekking tot haar verzoeken gegeven.
2.9
Bij e-mailbericht van 22 april 2026 te 15:08 uur heeft een medewerker van de griffie namens de rechters aan de raadsvrouw en de officier van justitie meegedeeld dat de rechtbank de verzoeken van de raadsvrouw heeft getoetst aan het noodzaakscriterium en dat de twee aanvullende e-mailberichten van de raadsvrouw de rechtbank niet tot een ander oordeel heeft gebracht.
2.1
Bij e-mailbericht van 22 april 2026 te 16:05 uur heeft de officier van justitie meegedeeld dat de twee deskundigen die het rapport van het ForCa hebben opgesteld, op 23 april 2026 niet in de gelegenheid zijn om deel te nemen aan de zitting, ook niet middels een videoverbinding.
2.11
Bij e-mailbericht van 22 april 2026 te 19:51 uur heeft de raadsvrouw verzocht de inhoudelijke behandeling van de strafzaak van verzoeker in zijn geheel aan te houden met het herhaalde verzoek de vier voornoemde deskundigen te horen.
2.12
Het aanhoudingsverzoek van de raadsvrouw is vervolgens ter zitting van 23 april 2026 behandeld en besproken.
2.13
De raadsvrouw heeft ter onderbouwing van haar aanhoudingsverzoek voorts aangevoerd, dat:
- zij door het opstellen van de e-mailberichten van 22 april 2026 onvoldoende tijd heeft gehad om de strafzaak tegen verzoeker degelijk voor te bereiden, met name de vorderingen van de benadeelde partijen;
- zij het niet eens is met de conclusies van het rapport van het ForCa;
- er (daarom) bekeken moet worden of een lichtere maatregel voorhanden is, zoals een voorwaardelijke PIJ-maatregel.
2.14
De rechters hebben het aanhoudingsverzoek van de raadsvrouw, na ook verzoeker en de officier van justitie te hebben gehoord, wederom gemotiveerd afgewezen, nu de rechtbank zich voldoende voorgelicht acht over de verdachte en het daarom niet noodzakelijk acht om vragen te stellen aan de deskundigen. De rechtbank heeft daarbij mede in overweging genomen dat aan een medewerker van de Jeugdbescherming West en de medewerker van de Raad voor de Kinderbescherming, aanwezig ter zitting, eventuele vragen gesteld kunnen worden. Het enkele feit dat de raadsvrouw de conclusie van het rapport van het ForCa een te zware consequentie voor verzoeker vindt, is niet voldoende om de rapporteurs te horen op zitting. De rechtbank achtte zich voldoende voorgelicht, omdat het rapport deskundig tot stand is gekomen. Daarnaast hebben de deskundigen van het ForCa de alternatieven voor een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel ook afgewogen.
Met betrekking tot de omstandigheid dat de raadsvrouw bezig is geweest met het schrijven van de e-mailberichten op 22 april 2026 en dat zij daardoor onvoldoende tijd heeft gehad voor haar voorbereiding, heeft de rechtbank overwogen dat de zittingsdatum al heel lang bekend was en dat de dossierstukken en de vorderingen van de benadeelde partijen al een tijd lang onderdeel van het dossier uitmaken. Het rapport van het ForCa is uiteindelijk ook op de afgesproken datum aangeleverd en aan de raadsvrouw verstrekt.
2.15
De raadsvrouw van verzoeker heeft vervolgens de rechters gewraakt.
Het wrakingsverzoek
2.16
Verzoeker heeft blijkens het proces-verbaal van de zitting en de schriftelijke toelichting, zoals nader toegelicht bij de mondelinge behandeling, het volgende aan zijn verzoek ten grondslag gelegd. Er zijn zwaarwegende aanwijzingen dat de rechters vooringenomen zijn, althans dat bij verzoeker de objectieve en gerechtvaardigde vrees is ontstaan dat de rechters vooringenomen zijn, omdat:
  • het verzoek om het horen en oproepen van reeds opgeroepen deskundigen niet is gehonoreerd;
  • er sprake is van benadeling van de verdediging doordat de rapportage van het ForCa van 106 pagina's slechts gedeeltelijk met verzoeker kon worden besproken;
  • er een te korte tijdspanne zit tussen ontvangst van het rapport van het Forca en de
inhoudelijke behandeling. Dat de conclusies van het rapport wel zouden zijn besproken door de rapporteurs met verzoeker is naar de mening van de raadsvrouw irrelevant;
- er is medegedeeld dat slechts enkele vragen zouden kunnen worden gesteld door de verdediging aan de deskundigen, toen nog niet duidelijk was dat de deskundigen niet konden verschijnen.
2.17
De rechters hebben laten weten niet in de wraking te berusten en hebben op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken.

3.De beoordeling

3.1
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem of haar bekend zijn geworden.
3.2
De gestelde wrakingsgronden zien op procedurele beslissingen van de rechtbank. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt mee dat een rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig in beginsel geen grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. Het gerecht dat over het wrakingsverzoek moet oordelen (de wrakingskamer) komt geen oordeel toe over de juistheid van de (tussen)beslissing. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak. Dit is uitsluitend anders indien de beslissing van de rechter, in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten, niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid. Dat van zo’n uitzonderlijke situatie sprake is, is niet gebleken.
3.3
Uit de hiervoor onder 2.2 tot en met 2.14 geschetste gang van zaken blijkt dat de rechters de verzoeken van de raadsvrouw zorgvuldig hebben bekeken en gemotiveerd hebben afgewezen. Uit die motivering blijkt geenszins dat sprake is van voornoemde uitzonderlijke situatie dat de afwijzende beslissingen van de rechters, in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten, niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid.
3.4
Daarbij overweegt de wrakingskamer dat reeds tijdens de pro forma zitting van 30 maart 2026 is meegedeeld dat het rapport van het ForCa op 16 april 2026 zal worden verstrekt. Toen is tevens het advies van de deskundigen, te weten een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel, kenbaar gemaakt. Het rapport van het ForCa is daadwerkelijk op 16 april 2026 aan de procesdeelnemers verstrekt. De inhoud van het rapport is van tevoren door de deskundigen met verzoeker besproken en de raadsvrouw heeft ook gelegenheid gehad om het rapport van het ForCa met verzoeker te bespreken. Dat de rechters vervolgens hebben beslist dat zij zich voldoende voorgelicht achtten en de verzoeken van de raadsvrouw hebben afgewezen, geeft geen blijk van vooringenomenheid.
3.5
De overweging van de rechters dat de raadsvrouw voldoende tijd heeft gehad om zich voor te bereiden, nu het dossier, dus ook de vorderingen van de benadeelde partijen, ruim voor de zitting aan de raadsvrouw is verstrekt, geeft ook geen blijk van vooringenomenheid.
3.6
Weliswaar is de woordkeuze van de rechters dat de raadsvrouw “enkele vragen” kan stellen aan de deskundigen indien zij beschikbaar zijn voor verhoor – zoals door de rechters ook erkend – wellicht ongelukkig gekozen, maar ook hiermee wordt niet voldaan aan de uitzonderlijke situatie dat dit, in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten, niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid.
3.7
Het wrakingsverzoek wordt dan ook afgewezen.

4.De beslissing

De wrakingskamer
4.1.
wijst het verzoek tot wraking af;
4.2.
bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;
4.3.
beveelt dat een afschrift van deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij 515, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegezonden aan:
• de verzoeker p/a zijn raadsvrouw mr. W.G. Nieman;
• de officier van justitie mr. A.F. Baas;
• de rechters.
Deze beslissing is gegeven door mrs. E.A.W. Schippers, D. Biever en D.M. Drok, in tegenwoordigheid van de griffier W.H. Ng en in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Klinische observatieafdeling van de justitiële jeugdinrichting Forensisch centrum Teylingereind.
2.Behandelmaatregel in het jeugdstrafrecht Plaatsing in een Inrichting voor Jeugdigen, ook wel bekend als “jeugd-tbs”.