ECLI:NL:RBDHA:2026:1621

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 januari 2026
Publicatiedatum
2 februari 2026
Zaaknummer
NL25.52219
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • I.A.M. van Boetzelaer-Gulyas
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 6:2 AwbArt. 6:12 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens vrijwillig vertrek en intrekking asielprocedure

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag, nadat hij de minister in gebreke had gesteld. De rechtbank heeft partijen geïnformeerd dat een zitting niet nodig was en het onderzoek gesloten zonder zitting.

De rechtbank stelt vast dat eiser op 25 maart 2024 zijn aanvraag indiende en op 4 oktober 2025 de ingebrekestelling aan de minister verstuurde. Op 26 oktober 2025 stelde hij beroep in wegens het uitblijven van een beslissing. De minister heeft geen verweerschrift ingediend.

Op 28 november 2025 heeft eiser een verklaring van vrijwillig vertrek overgelegd, waarin hij aangeeft Nederland te hebben verlaten en instemt met het beëindigen van openstaande procedures voor een verblijfstitel. Hierdoor ontbreekt het aan procesbelang voor het beroep.

De rechtbank concludeert dat het beroep niet-ontvankelijk is en dat de minister geen proceskosten hoeft te vergoeden. De uitspraak is gedaan door rechter I.A.M. van Boetzelaer-Gulyas en griffier D.J. Deitz.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang na vrijwillig vertrek uit Nederland.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.52219

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. Y.G.F.M. Coenders),
en
de minister van Asiel en Migratie [1] .

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat de minister volgens hem niet op tijd heeft beslist op de asielaanvraag. De minister heeft ondanks een uitdrukkelijk verzoek van de rechtbank geen verweerschrift ingediend.
1.1.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. [2]

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen. [3]
Is het beroep van eiser ontvankelijk?
3. Het beroep is niet-ontvankelijk. De aanvraag van eiser is in ontvangst genomen op 25 maart 2024. Op 4 oktober 2025 heeft hij de minister in gebreke gesteld, waarna hij op 26 oktober 2025 beroep heeft ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag.
4. Blijkens de door de minister overgelegde ‘Verklaring van vrijwillig vertrek’ van 28 november 2025 is eiser vrijwillig vertrokken uit Nederland. Uit deze verklaring blijkt tevens dat eiser ermee instemt openstaande procedures voor het verkrijgen van een verblijfstitel te beëindigen.
5. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eiser geen procesbelang meer heeft bij zijn beroep wegens het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag. Nu eiser heeft ingestemd met het intrekken van openstaande procedures voor het verkrijgen van een verblijfstitel, heeft hij ook geen belang bij een tijdige beslissing daarop. [4]

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer-Gulyas, rechter, in aanwezigheid van mr. D.J. Deitz, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
2.Artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
3.Dit volgt uit de artikelen 6:2 en 6:12 van de Awb.
4.Zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 31 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2058.