Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16225

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
NL24.49356 en NL24.37067
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 3:46 AwbArt. 4:7 AwbArt. 8:72 AwbArt. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing verblijfsvergunning tijdelijke humanitaire gronden wegens gebrekkige refoulementbeoordeling

Eiser, een Egyptische nationaliteit, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking 'Tijdelijke humanitaire gronden' vanwege mensenhandel. Deze aanvraag werd door verweerder afgewezen, waarbij tevens een inreisverbod van twee jaar werd opgelegd. Eiser voerde beroep aan tegen dit besluit en verzocht om een voorlopige voorziening, welke werd afgewezen.

De rechtbank oordeelde dat het beroep gegrond is omdat verweerder geen actuele en deugdelijke refoulementbeoordeling heeft gemaakt in het kader van het terugkeerbesluit. Het meest recente BMA-advies toonde een ernstige medische situatie aan, waaronder een suïcidepoging, die niet was meegenomen in de beoordeling. Hierdoor was het terugkeerbesluit gebaseerd op een achterhaalde risico-inschatting.

Andere beroepsgronden, zoals onzorgvuldige besluitvorming, toepassing van het Unierechtelijke openbare orde-criterium, het evenredigheidsbeginsel en schending van het Handvest en Richtlijn 2011/36/EU, werden door de rechtbank verworpen. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en gaf verweerder zes weken de tijd om een nieuw besluit te nemen, met inachtneming van deze uitspraak. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen en eiser kreeg een proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het bestreden besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning wordt vernietigd wegens een gebrekkige refoulementbeoordeling en verweerder moet binnen zes weken een nieuw besluit nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL24.49356 (beroep) en NL24.37067 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] , geboren op [geboortedag] 1998, van Egyptische nationaliteit,

(gemachtigde: mr. J.M. Walther),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. R.V. Bekker).

Inleiding en procesverloop

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd en zijn verzoek om een voorlopige voorziening.
1.1.
In het besluit van 20 september 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser van 18 juli 2024 voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘Tijdelijke humanitaire gronden’ in verband met mensenhandel afgewezen. Verweerder heeft eiser daarbij ook een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
1.2.
Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar ingesteld en heeft hangende dit bezwaar op 23 september 2024 verzocht om een voorlopige voorziening, ertoe strekkende dat hij de behandeling van het bezwaarschrift in Nederland mag afwachten.
1.3.
In het besluit van 29 november 2024 (het bestreden besluit) is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag en de oplegging van het inreisverbod gebleven, en is het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard.
1.4.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het eerder ingediende verzoek om een voorlopige voorziening hangende bezwaar is op grond van artikel 8:81, vijfde lid, van de Awb [1] gelijkgesteld met een verzoek om een voorlopige voorziening hangende beroep.
1.5.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
1.6.
De rechtbank heeft het beroep op 6 november 2025 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen. Ook was aanwezig I.A.I. Abdelfattah als tolk. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op zitting vervolgens gesloten.
1.7.
De rechtbank heeft op 27 januari 2026, bij bericht in het digitaal dossier, het onderzoek heropend en verweerder verzocht nadere inlichtingen te verstrekken en te reageren op een vraag van de rechtbank. Nadat verweerder de gevraagde informatie had verstrekt, en eiser hierop vervolgens had gereageerd, heeft de rechtbank bij bericht in het digitaal dossier het onderzoek op 19 maart 2026 wederom gesloten.

Overwegingen

2. De rechtbank beoordeelt het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden. Ook beoordeelt de rechtbank het verzoek om een voorlopige voorziening.
3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Griffierecht
4. Eiser heeft gevraagd om vrijstelling van het griffierecht. De rechtbank wijst dit verzoek toe.
Achtergrond en besluitvorming van eisers andere procedures
5. Op 12 maart 2023 heeft eiser een asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 19 september 2023 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond [2] en is aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd. Eiser is in beroep gegaan tegen dit besluit. Bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 10 november 2023 is het beroep van eiser ongegrond verklaard. [3] Het besluit van 19 september 2023 staat hiermee in rechte vast.
5.1.
Op 26 maart 2025 heeft eiser een aanvraag ingediend om aan hem uitstel van vertrek te verlenen op grond van artikel 64 van Pro de Vw 2000. Bij besluit van 14 april 2025 heeft verweerder deze aanvraag ingewilligd en uitstel van vertrek verleend aan eiser, van 26 maart 2025 tot 10 juli 2025. Verweerder heeft zich hiervoor gebaseerd op het BMA [4] -advies van 10 april 2025.
5.2.
Op 9 juli 2025 heeft eiser opnieuw een aanvraag ingediend om aan hem uitstel van vertrek te verlenen op grond van artikel 64 van Pro de Vw 2000. Bij besluit van 29 juli 2025 heeft verweerder aan eiser voorlopig uitstel van vertrek verleend, van 29 juli 2025 tot maximaal 29 januari 2026.
5.3.
Verweerder heeft op 15 juli 2025 het BMA wederom om advies gevraagd. Op 4 augustus 2025 heeft het BMA een nieuw advies uitgebracht, waaruit volgt dat wordt verwacht dat een medische noodsituatie binnen drie tot zes maanden zal optreden als behandeling voor eiser zal uitblijven, gezien het feit dat eiser een suïcidepoging heeft gedaan en het risico op een nieuwe poging naar verwachting verhoogd zal zijn. In het BMA-advies staat ook dat benodigde behandeling voor eiser in Egypte aanwezig is.
5.4.
Bij besluit van 29 januari 2026 heeft verweerder opnieuw voorlopig uitstel van vertrek verleend aan eiser, van 29 januari 2026 tot maximaal 29 juli 2026.
Achtergrond en besluitvorming van eisers onderhavige procedure
6. Op 18 juli 2024 heeft eiser aangifte gedaan als slachtoffer van het misdrijf mensenhandel. De kennisgeving van de aangifte is op dezelfde datum doorgestuurd naar verweerder. Verweerder heeft conform zijn beleid de aanvraag ambtshalve aangemerkt als een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel ‘Tijdelijke humanitaire gronden’, zoals neergelegd in paragraaf B8/3 van de Vc 2000 [5] (‘Slachtoffers en getuige-aangevers van mensenhandel’). De aangifte was ten tijde van het bestreden besluit nog steeds in behandeling bij de Nederlandse Arbeidsinspectie (NLA).
6.1.
Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen omdat eiser op 21 januari 2021 onherroepelijk is veroordeeld tot tien dagen gevangenisstraf vanwege wederspannigheid en hij zodoende een gevaar voor de openbare orde vormt. [6] Verder is volgens verweerder niet gebleken dat het gepleegde misdrijf waarvoor eiser is veroordeeld rechtstreeks verband houdt met zijn aangifte in het kader van mensenhandel, waardoor er geen aanleiding bestaat om de aanvraag alsnog in te willigen. [7] Verweerder heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de afwijzing van eisers aanvraag geen strijd oplevert met artikel 8 van Pro het EVRM [8] , specifiek wat betreft eisers privéleven. Verweerder heeft ook een inreisverbod van twee jaar opgelegd aan eiser, nu hij niet uit Nederland is vertrokken terwijl tegen hem bij besluit van 19 september 2023 een terugkeerbesluit is uitgevaardigd. [9] Volgens verweerder is het bezwaar verder kennelijk ongegrond, wat betekent dat eiser niet had hoeven te worden gehoord. [10]
Standpunten en beoordeling door de rechtbank
Onzorgvuldige voorbereiding besluit
7. Eiser voert aan dat verweerder kenbaar had moeten maken dat zijn strafrechtelijke veroordeling aanleiding was voor de oplegging van het inreisverbod. Het besluit is daarom volgens eiser onzorgvuldig voorbereid, zoals is gesteld in artikel 4:7 van Pro de Awb.
8. De rechtbank overweegt dat, zoals verweerder ook heeft opgemerkt, het inreisverbod niet is opgelegd vanwege eisers strafrechtelijke veroordeling maar vanwege het feit dat aan hem een terugkeerbesluit is opgelegd waaraan hij geen gehoor heeft gegeven. Dat hij daar geen gehoor aan heeft gegeven is ook niet in geschil. Van een onzorgvuldige voorbereiding van het bestreden besluit om die reden is dan ook geen sprake.
8.1.
De beroepsgrond slaagt niet.
Unierechtelijk openbare orde-criterium
9. Eiser stelt verder dat verweerder had moeten toetsen aan het Unierechtelijke openbare orde-criterium. In het bestreden besluit staat dat het Unierechtelijke openbare orde-criterium niet van toepassing is, omdat eiser een beroep doet op het nationale beleid, zoals gesteld in paragraaf B8/3 van de Vc 2000. Volgens eiser wordt hiermee miskend dat dit nationale beleid (mede) is gestoeld op het Unierecht, namelijk Richtlijn 2004/81/EG [11] .
10. De rechtbank overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil of het nationaalrechtelijke openbare orde-criterium juist is toegepast, maar of het Unierechtelijke openbare orde-criterium had moeten worden toegepast in deze zaak door verweerder. Het Unierechtelijke openbare orde-criterium houdt in dat, naast het gegeven dat sprake is van een wetsovertreding die de maatschappelijke orde verstoort, ook moet worden bezien of het persoonlijk gedrag van de vreemdeling een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. [12]
10.1.
Wat betreft het Unierechtelijke openbare orde-criterium overweegt de rechtbank verder dat het Hof in het arrest van 12 december 2019, G.S. en V.G., heeft overwogen dat niet iedere verwijzing van de Uniewetgever naar het begrip ‘bedreiging van de openbare orde’ noodzakelijkerwijs aldus moet worden uitgelegd dat sprake moet zijn van persoonlijke gedragingen die een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormen voor een fundamenteel belang van de samenleving van de betrokken lidstaat. Uit het arrest volgt verder dat voor de uitleg van het Unierechtelijke openbare orde-begrip betekenis toekomt aan de bewoordingen van de relevante bepalingen van de betreffende richtlijn, de context daarvan en de doelstellingen van de desbetreffende regeling. [13]
10.2.
Naar het oordeel van de rechtbank biedt de enkele stelling van eiser — dat het nationale beleid, zoals neergelegd in paragraaf B8/3 van de Vc 2000, is gebaseerd op Richtlijn 2004/81/EG en daarmee op het Unierecht — onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat het Unierechtelijke openbare-ordecriterium in dit geval van toepassing is. Zo heeft eiser niet nader onderbouwd dat uit een specifieke bepaling, dan wel de context of doelstelling van Richtlijn 2004/81/EG voortvloeit dat in dit geval het Unierechtelijke openbare-ordecriterium toepassing vindt en dat dit criterium moet worden toegepast binnen de nationale context. Daarnaast heeft eiser evenmin geconcretiseerd dat, indien dat criterium van toepassing zou zijn, verweerder gehouden is te beoordelen of sprake is van persoonlijke gedragingen die een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormen voor een fundamenteel belang van de samenleving. Uit punt 58 van het arrest G.S. en V.G. lijkt immers te volgen dat dat niet altijd hoeft. Weliswaar ziet punt 58 specifiek op de Gezinsherenigingsrichtlijn, maar gelet op de bewoordingen sluit de rechtbank niet uit dat ook uit de context van andere richtlijnen kan volgen dat die beoordeling niet (altijd) nodig is.
10.3.
De beroepsgrond slaagt niet.
Evenredigheidsbeginsel
11. Eiser voert vervolgens aan dat de afwijzing van de aanvraag in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, omdat het om een eenmalige beoordeling gaat. Op de zitting heeft eiser toegelicht dat het strafrechtelijk onderzoek nog liep. Verder wijst eiser op zijn eerdere suïcidepoging, wat aangeeft dat hij een kwetsbaar persoon is.
11.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in het bestreden besluit op het standpunt kunnen stellen dat het beroep van eiser op het evenredigheidsbeginsel niet slaagt, omdat dit niet nader is geconcretiseerd. De rechtbank stelt vast dat eiser in zijn bezwaargronden inderdaad niet heeft toegelicht waarom sprake is van schending van het evenredigheidsbeginsel. Ook met eisers toelichting op zitting is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat het besluit geen onevenredige nadelige gevolgen heeft voor eiser. Daarbij heeft verweerder kunnen betrekken dat de afwijzing van eisers aanvraag is gelegen in het feit dat hij is veroordeeld voor een misdrijf dat hij niet lang na zijn inreis in Nederland heeft gepleegd en dat hij daardoor een gevaar voor de openbare orde vormt. Verweerder heeft verder kunnen betrekken dat eiser niet heeft onderbouwd waarom geen sprake zou zijn van recidivegevaar. De rechtbank volgt verweerder zodoende in zijn standpunt dat – hoewel het betreurenswaardig is dat bij eiser sprake is van psychische problematiek – het bestreden besluit niet onevenredig is in verhouding tot het beoogde doel ervan, namelijk het beschermen van de openbare orde.
11.2.
De beroepsgrond slaagt niet.
Schending van het Handvest [14] en Richtlijn 2011/36/EU [15]
12. Eiser stelt vervolgens dat de aangifte wegens mensenhandel nog steeds in behandeling is bij de NLA en dat afwijzing van zijn aanvraag en de oplegging van het inreisverbod betekenen dat verweerder in strijd handelt met de uit het Unierecht voortvloeiende verplichtingen, met betrekking tot de behandeling van slachtoffers van mensenhandel. Eiser verwijst naar Richtlijn 2011/36/EG en de artikelen 5, 31 en 47 van het Handvest. Eiser stelt dat ten gevolge van het bestreden besluit van verweerder, hij gedurende de nog lopende strafprocedure geen adequate bijstand en ondersteuning kan verkrijgen en zijn rechten niet kan uitoefenen op effectieve wijze.
12.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat geen sprake is van strijdigheid met Richtlijn 2011/36/EU en het Handvest. Zo concretiseert eiser niet welke uit het Unierecht voorvloeiende verplichtingen verweerder heeft geschonden met de afwijzing van de aanvraag en oplegging van het inreisverbod. Eiser verwijst weliswaar naar Richtlijn 2011/36/EU en de artikelen 5, 31 en 47, maar maakt niet inzichtelijk dat en hoe verweerder met het bestreden besluit in strijd met deze bepalingen heeft gehandeld. Verweerder heeft zich verder op het standpunt kunnen stellen dat het al dan niet ontvangen van bijstand en ondersteuning in de strafrechtelijke procedure geen onderdeel uitmaakt van deze beoordeling. De rechtbank merkt daarbij ten overvloede nog op dat uit de overgelegde stukken van eiser in beroep blijkt dat het onderzoek naar aanleiding van zijn aangifte bij de NLA voortijdig is beëindigd.
12.2.
De beroepsgrond slaagt niet.
Refoulementbeoordeling terugkeerbesluit
13. Uit het arrest Ararat [16] van het Hof en de uitspraak van de Afdeling hierover [17] volgt dat artikel 5 van Pro de Terugkeerrichtlijn [18] , gelezen in het licht van artikel 4 en Pro artikel 19, tweede lid, van het Handvest, als volgt moet worden uitgelegd. Als verweerder een aanvraag voor een verblijfsvergunning waarin het nationale recht voorziet afwijst, en dus vaststelt dat de betrokken vreemdeling illegaal op het grondgebied van de betrokken lidstaat verblijft, is hij verplicht om zich ervan te vergewissen dat het beginsel van non-refoulement in acht is genomen. Daartoe dient verweerder het terugkeerbesluit dat hij eerder in het kader van een procedure voor internationale bescherming tegen die vreemdeling heeft vastgesteld en waarvan hij de opschorting na die afwijzing heeft beëindigd, opnieuw te onderzoeken in het licht van het beginsel van non-refoulement. Deze beoordeling is autonoom en apart van eerdere beoordelingen en verweerder moet nagaan of er een reëel risico is dat de vreemdeling bij terugkeer wordt blootgesteld aan een behandeling die strijdig is met artikel 4 van Pro het Handvest, rekening houdend met nieuwe feiten en gewijzigde omstandigheden. De rechtbank behoort vervolgens, in voorkomend geval ambtshalve, te toetsen of het beginsel van non-refoulement wordt nageleefd, vooral als uit het dossier concrete aanwijzingen volgen dat het terugkeerbesluit mogelijk gebaseerd is op een achterhaalde risico-inschatting. Is er een refoulementbeoordeling door verweerder gemaakt, dan toetst de rechtbank deze grondig, zonder zelf een nieuwe beoordeling te hoeven maken.
13.1.
Het is de rechtbank gebleken dat uit het meest recente BMA-advies van 4 augustus 2025 volgt dat eiser in maart 2025 een suïcidepoging heeft gedaan door van de eerste verdieping te springen. Hierdoor heeft hij breuken opgelopen van het aangezicht, het bekken en de elleboog. In dit BMA-advies staat ook dat hierdoor wordt verwacht dat een medische noodsituatie binnen drie tot zes maanden zal optreden als behandeling voor eiser zal uitblijven.
13.2.
Naar het oordeel van de rechtbank berust het opgelegde terugkeerbesluit van 19 september 2023 in de asielprocedure, en de verwijzing daarnaar in het bestreden besluit, op een achterhaalde beoordeling. Zo is niet gebleken dat verweerder het opgelegde terugkeerbesluit, op basis van de bovenstaande informatie in het dossier, opnieuw heeft onderzocht in het licht van het beginsel van non-refoulement. Het antwoord van verweerder, namelijk dat geen standpunt wordt ingenomen wat betreft de vraag van de rechtbank in hoeverre het arrest Ararat van toepassing is op deze zaak, omdat eiser voorlopig uitstel van vertrek is geboden en zijn vertrek zodoende niet actueel is, gaat naar het oordeel van de rechtbank niet op. Immers, uit het besluit van 29 januari 2026, oftewel het meest recente voorlopige uitstel van vertrek dat verweerder aan eiser heeft verleend, volgt dat het opgelegde terugkeerbesluit van 19 september 2023 nog steeds geldt en dat eiser moet vertrekken nadat zijn voorlopig uitstel van vertrek is afgelopen. De procedure in het kader van artikel 64 van Pro de Vw 2000 staat verder ook los van het opgelegde terugkeerbesluit, nu eiser via deze procedure de rechtmatigheid van het terugkeerbesluit niet kan aanvechten en zodoende de opheffing van het terugkeerbesluit niet kan bewerkstelligen. [19]
14. Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder geen deugdelijke actuele refoulementbeoordeling heeft gemaakt en dat het bestreden besluit op dit punt zodoende is gebaseerd op een achterhaalde en gebrekkige motivering. Het bestreden besluit komt daarom vanwege strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb voor vernietiging in aanmerking.
15. Nu deze beroepsgrond slaagt behoeven de overige beroepsgronden, over het inreisverbod en de hoorplicht, geen nadere bespreking.

Conclusie en gevolgen

16. Zoals uit de bovenstaande overweging blijkt, bevat het bestreden besluit een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek. De rechtbank ziet daarom aanleiding om het beroep gegrond te verklaren. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor een termijn van 6 weken.
17. Wat betreft het opgelegde inreisverbod zal verweerder moeten bezien wat de gevolgen daarvoor zullen zijn nadat een actuele refoulementbeoordeling is gemaakt in het kader van het terugkeerbesluit.
18. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen noodzaak tot het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek daartoe wordt afgewezen.
19. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand € 3.269,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 voor het indienen van een schriftelijke uiteenzetting met een waarde per punt van €934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank,
in de zaak geregistreerd onder nummer: NL24.49356:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit van 29 november 2024;
  • draagt verweerder op binnen 6 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van eiseres met inachtneming van deze uitspraak.
De voorzieningenrechter,
in de zaak geregistreerd onder nummer: NL24.37067:
- wijst het verzoek af.
De rechtbank en voorzieningenrechter, in alle zaken:
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 3.269,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.F.J. Bernt, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hayas, griffier.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.
2.Op grond van artikel 31, eerste lid, en artikel 30b, aanhef en onder h, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
3.Zaaknummers NL23.30037 en NL23.30038.
4.Bureau Medische Advisering.
5.Vreemdelingencirculaire 2000.
6.Op grond van artikel 16, aanhef en onder d, van de Vw 2000 en artikel 3.77, eerde lid, aanhef en onder c, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000).
7.Op grond van paragraaf B8/3.1 van de Vc 2000.
8.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
9.Op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.
10.Op grond van artikel 7:3 van Pro de Awb.
11.Richtlijn van 29 april 2004 betreffende de verblijfstitel die in ruil voor samenwerking met de bevoegde autoriteiten wordt afgegeven aan onderdanen van derde landen die het slachtoffer zijn van mensenhandel of hulp hebben gekregen bij illegale immigratie.
12.Zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 11 juni 20215, Zh. en O., EU:C:2015:377, punt 60.
13.ECLI:EU:C:2019:1072, punten 54 en 55.
14.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
15.Van 5 april 2011 inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers daarvan, en ter vervanging van Kaderbesluit 2002/629/JBZ van de Raad.
16.Arrest van 17 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:892.
18.Richtlijn 2008/115/EG.
19.Zie ook Informatiebericht 2025/47 ‘De gevolgen van het Ararat arrest voor reguliere aanvragen’, pagina 2.