ECLI:NL:RBDHA:2026:16227

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
NL26.24596 en NL26.24597
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 DublinverordeningArt. 3 EVRMArt. 4 Handvest van de GrondrechtenArt. 30, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000Verordening (EU) nr. 604/2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening

Eiser, een Guinese nationaliteit, diende op 5 februari 2026 een aanvraag tot verblijfsvergunning asiel in Nederland in. De minister van Asiel en Migratie nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Duitsland volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om een voorlopige voorziening om zijn uitzetting te voorkomen.

De rechtbank behandelde het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening op 1 juni 2026. Eiser en zijn gemachtigde waren niet aanwezig, de minister was wel vertegenwoordigd. De rechtbank oordeelde dat het beroep ongegrond is, omdat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat Duitsland zijn internationale verplichtingen niet nakomt of dat bijzondere individuele omstandigheden toepassing van artikel 17 van Pro de Dublinverordening rechtvaardigen.

De rechtbank benadrukte het interstatelijk vertrouwensbeginsel, waarbij Nederland mag aannemen dat Duitsland het asiel- en opvangsysteem adequaat uitvoert. Eiser kon geen concreet bewijs leveren van een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 Handvest Pro. Ook de medische klachten en persoonlijke omstandigheden van eiser waren onvoldoende om de discretionaire bevoegdheid van de minister tot behandeling van de aanvraag in Nederland te activeren.

De rechtbank wees het beroep af en verwierp het verzoek om voorlopige voorziening. Eiser mag aan Duitsland worden overgedragen. Tegen de uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL26.24596 (beroep)
NL26.24597 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser],

geboren op [geboortedag] 1999, van Guinese nationaliteit, eiser/verzoeker (hierna: eiser) (gemachtigde: mr. S. de Schutter),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. I.A.G. Lodders).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag en zijn verzoek om een voorlopige voorziening.
1.1.
Eiser heeft op 5 februari 2026 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 29 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank. Ook heeft hij verzocht om een voorlopige voorziening die ertoe strekt zijn uitzetting te verbieden totdat op zijn beroep is beslist.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 1 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening [1] . Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [2] In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek op 1 april 2026 aanvaard.
Artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening
5. Eiser betoogt dat de minister zijn asielverzoek had moeten behandelen op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Eiser loopt in Duitsland een indirect refoulement risico. Bovendien wilde hij niet in Duitsland maar juist in Nederland asiel aanvragen. Eiser voert ook aan dat hij medische klachten heeft. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd dat deze bijzondere individuele omstandigheden geen aanleiding geven tot toepassing van de discretionaire bevoegdheid zoals vastgelegd in artikel 17 van Pro de Dublinverordening.
5.1.
Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening kan de minister elke asielaanvraag inhoudelijk behandelen, ongeacht of de minister hiervoor verantwoordelijk is op grond van de in de Dublinverordening neergelegde criteria. In paragraaf C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 heeft de minister beleid opgenomen voor de toepassing van deze bevoegdheid. De minister maakt terughoudend gebruik van zijn bevoegdheid, maar in ieder geval als (1) er concrete aanwijzingen zijn dat de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat zijn internationale verplichtingen niet nakomt of (2) bijzondere, individuele omstandigheden met zich meebrengen dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt.
6. De rechtbank overweegt als volgt. Voor zover eiser een beroep doet op de situatie onder (1), is de rechtbank van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat in het geval van Duitsland niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Volgens rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) mag de minister op basis van het interstatelijk vertrouwensbeginsel aannemen dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen nakomt. [3] Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken, indien de vreemdeling aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem in Duitsland dusdanige tekortkomingen vertoont dat hij of zij bij overdracht aan Duitsland een reëel risico loopt op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM [4] of artikel 4 van Pro het Handvest [5] . Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser dit niet aannemelijk gemaakt nu eiser dit niet nader heeft onderbouwd. Ook het betoog van eiser dat een enkele verwijzing naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel geen voldoende deugdelijke motivering is, slaagt niet. De minister heeft in het bestreden besluit immers toegelicht waarom in het geval van Duitsland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit mag worden gegaan.
6.1.
Voor zover eiser aanvoert dat sprake is van een situatie onder (2), heeft hij dat niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank stelt vast dat de minister in het bestreden besluit inhoudelijk heeft gereageerd op de door eiser aangevoerde persoonlijke omstandigheden en op zijn standpunt dat getoetst moet worden aan het evenredigheidsbeginsel. De minister heeft gemotiveerd uiteengezet waarom deze omstandigheden niet maken dat artikel 17 van Pro de Dublinverordening van toepassing is. Uit wat eiser in beroep aanvoert blijkt niet waarom eiser van mening is dat het bestreden besluit op dit punt onjuist is, zodat de beroepsgrond niet kan slagen. Voor eisers betoog dat de minister niet gehouden is om terughoudend gebruik te maken van de discretionaire bevoegdheid, geldt hetzelfde. Ook op dit punt heeft de minister al inhoudelijk gereageerd in het bestreden besluit. Uit wat eiser in beroep aanvoert blijkt niet waarom eiser van mening is dat het bestreden besluit op dit punt onjuist is, zodat de beroepsgrond niet kan slagen. De minister heeft daarom in redelijkheid kunnen beslissen dat geen sprake is van bijzondere individuele omstandigheden op grond waarvan hij de asielaanvraag aan zich zou moeten trekken.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en hij aan Duitsland mag worden overgedragen.
8. Omdat de rechtbank op het beroep heeft beslist, bestaat geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening. Evenmin bestaat er aanleiding om de proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank, in de zaak NL26.24596:
- verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter, in de zaak NL26.24597:
- wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L.C.C. Bakx, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Verordening (EU) nr. 604/2013.
2.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
4.Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en fundamentele vrijheden.
5.Handvest van de Grondrechten van de EU.