ECLI:NL:RBDHA:2026:16227
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening
Eiser, een Guinese nationaliteit, diende op 5 februari 2026 een aanvraag tot verblijfsvergunning asiel in Nederland in. De minister van Asiel en Migratie nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Duitsland volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om een voorlopige voorziening om zijn uitzetting te voorkomen.
De rechtbank behandelde het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening op 1 juni 2026. Eiser en zijn gemachtigde waren niet aanwezig, de minister was wel vertegenwoordigd. De rechtbank oordeelde dat het beroep ongegrond is, omdat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat Duitsland zijn internationale verplichtingen niet nakomt of dat bijzondere individuele omstandigheden toepassing van artikel 17 van Pro de Dublinverordening rechtvaardigen.
De rechtbank benadrukte het interstatelijk vertrouwensbeginsel, waarbij Nederland mag aannemen dat Duitsland het asiel- en opvangsysteem adequaat uitvoert. Eiser kon geen concreet bewijs leveren van een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 Handvest Pro. Ook de medische klachten en persoonlijke omstandigheden van eiser waren onvoldoende om de discretionaire bevoegdheid van de minister tot behandeling van de aanvraag in Nederland te activeren.
De rechtbank wees het beroep af en verwierp het verzoek om voorlopige voorziening. Eiser mag aan Duitsland worden overgedragen. Tegen de uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.