Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16235

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
NL26.31072
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 96 lid 3 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen voortduren vreemdelingenbewaring zonder concreet zicht op uitzetting ongegrond verklaard

Eiser, een Algerijnse vreemdeling, maakt bezwaar tegen het voortduren van zijn maatregel van vreemdelingenbewaring die op 30 december 2026 is opgelegd. Hij stelt dat er geen concreet zicht is op zijn uitzetting en dat de overheid onvoldoende voortvarend handelt. Tevens betwist hij de belangenafweging en stelt dat een lichter middel had moeten worden toegepast.

De rechtbank verwijst naar een eerdere uitspraak van 4 mei 2026 waarin de rechtmatigheid van de bewaring tot 30 april 2026 is bevestigd. De beoordeling richt zich nu op het voortduren van de maatregel na die datum. De rechtbank oordeelt dat het zicht op uitzetting niet is komen te ontbreken, ondanks het negatieve resultaat van de Algerijnse autoriteiten omtrent de nationaliteit van eiser. Een taalanalyse is uitgevoerd en de uitslag daarvan wordt afgewacht om de uitzetting verder vorm te geven.

Verder constateert de rechtbank dat eiser niet volledig heeft meegewerkt aan het onderzoek, wat blijkt uit wisselende verklaringen over het bezit van een paspoort. Verweerder handelt voldoende voortvarend en het risico op onttrekking blijft aanwezig. Er is geen reden om het voortduren van de maatregel onrechtmatig te achten. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.31072

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. D. Matadien),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. J.S.W. Boorsma).

Procesverloop

Verweerder heeft op 30 december 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
Desgevraagd heeft verweerder op 10 juni 2026 een reactie op de beroepsgronden ingediend.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 10 juni 2026.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1992 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. [2] Uit de uitspraak van 4 mei 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, 30 april 2026, rechtmatig was. Daarom ziet de beoordeling nu op het voortduren van de maatregel van bewaring sinds 30 april 2026.
4. Eiser voert aan dat geen concreet zicht op uitzetting is sinds het negatieve resultaat van de Algerijnse autoriteiten en dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. Verder is er geen kenbare individuele belangenafweging gemaakt en is niet inzichtelijk waarom niet kan worden volstaan met een lichter middel.
5. In de uitspraak van 4 mei 2026 heeft de rechtbank het zicht op uitzetting al beoordeeld in relatie tot de niet-bevestigde Algerijnse nationaliteit en de (toen nog af te nemen) taalanalyse. De rechtbank heeft toen geoordeeld dat het zicht op uitzetting niet is komen te ontbreken. In wat eiser aanvoert ziet de rechtbank geen reden om nu anders te oordelen over het zicht op uitzetting. De enkele omstandigheid dat de Algerijnse autoriteiten de nationaliteit van eiser niet hebben kunnen bevestigen, betekent niet dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn is komen te ontbreken. Op 6 mei 2026 is een taalanalyse uitgevoerd. Uit de brief van verweerder van 10 juni 2026 begrijpt de rechtbank dat de uitslag hiervan nog niet bekend is. Verweerder zal op de uitslag van dit onderzoek moeten wachten om zijn uitzethandelingen daar vervolgens op af te stemmen. Niet uitgesloten is dat, zodra de uitslag van de taalanalyse bekend is, binnen afzienbare termijn de nationaliteit van eiser alsnog kan worden bevestigd. Daarbij merkt de rechtbank op dat eiser stelt volledig te hebben meegewerkt aan het onderzoek, maar uit de verslagen van de vertrekgesprekken van 11 en 27 mei 2026 volgt dat eiser wisselend heeft verklaard over het bezit van een paspoort. Daarmee heeft eiser geen volledige medewerking verleend. Verder werkt verweerder, gelet op de afgenomen taalanalyse en de vertrekgesprekken op 11 en 27 mei 2026, voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser.
6. Ook wordt eiser niet gevolgd in zijn stelling dat geen sprake is van een
redelijke belangenafweging en dat een lichter middel had moeten worden toegepast. Het
eerder aangenomen risico op onttrekking is nog onverkort aanwezig. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de bewaring voor eiser onevenredig bezwarend maken. Voor zover eiser aanvoert dat een verzwaarde belangenafweging moet plaatsvinden, heeft verweerder kenbaar gemaakt dat deze op 20 juni 2026 zal worden gemaakt.
7. De rechtbank ziet ook overigens geen aanleiding voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring in de te beoordelen periode op enig moment onrechtmatig was.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 16 juni 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Uitspraken van 15 januari 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:611), 23 februari 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:3572), 26 maart 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:6738) en 4 mei 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:10522).