ECLI:NL:RBDHA:2026:16235
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen voortduren vreemdelingenbewaring zonder concreet zicht op uitzetting ongegrond verklaard
Eiser, een Algerijnse vreemdeling, maakt bezwaar tegen het voortduren van zijn maatregel van vreemdelingenbewaring die op 30 december 2026 is opgelegd. Hij stelt dat er geen concreet zicht is op zijn uitzetting en dat de overheid onvoldoende voortvarend handelt. Tevens betwist hij de belangenafweging en stelt dat een lichter middel had moeten worden toegepast.
De rechtbank verwijst naar een eerdere uitspraak van 4 mei 2026 waarin de rechtmatigheid van de bewaring tot 30 april 2026 is bevestigd. De beoordeling richt zich nu op het voortduren van de maatregel na die datum. De rechtbank oordeelt dat het zicht op uitzetting niet is komen te ontbreken, ondanks het negatieve resultaat van de Algerijnse autoriteiten omtrent de nationaliteit van eiser. Een taalanalyse is uitgevoerd en de uitslag daarvan wordt afgewacht om de uitzetting verder vorm te geven.
Verder constateert de rechtbank dat eiser niet volledig heeft meegewerkt aan het onderzoek, wat blijkt uit wisselende verklaringen over het bezit van een paspoort. Verweerder handelt voldoende voortvarend en het risico op onttrekking blijft aanwezig. Er is geen reden om het voortduren van de maatregel onrechtmatig te achten. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.