Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16240

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
NL26.32913
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 30 Vreemdelingenwet 2000Art. 20 Verordening (EU) Nr. 604/2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in Dublinprocedure wegens medische omstandigheden

Verzoeker, een Sierra Leoonse asielzoeker geboren in 2006, heeft op 9 november 2025 asiel aangevraagd in Nederland. De minister van Asiel en Migratie heeft deze aanvraag niet in behandeling genomen omdat Kroatië de terugname van verzoeker heeft geaccepteerd op grond van de Dublinverordening. De rechtbank heeft het beroep van verzoeker tegen deze beslissing kennelijk ongegrond verklaard.

Verzoeker heeft verzet aangetekend en verzocht om een voorlopige voorziening om de behandeling van dit verzet in Nederland af te wachten, vanwege ernstige psychische en medische klachten waaronder PTSS en een geplande operatie. Hij overlegt een brief van het OLVG-ziekenhuis waarin wordt gesteld dat overdracht een risico op verergering van zijn klachten inhoudt.

De voorzieningenrechter oordeelt dat ondanks de spoedeisendheid van de overdracht op 17 juni 2026, de medische stukken onvoldoende aannemelijk maken dat overdracht zal leiden tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van de gezondheid. De geplande operatie kan ook later in Kroatië plaatsvinden. Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening om de behandeling van het verzet in Nederland af te wachten is afgewezen vanwege onvoldoende medische onderbouwing.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.32913

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker] , verzoeker

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. J.J.J. Jansen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

In de uitspraak van 3 juni 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:14901, heeft de rechtbank het beroep van verzoeker tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag kennelijk ongegrond verklaard met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat er geen zitting heeft plaatsgevonden.
Verzoeker heeft tegen deze uitspraak verzet gedaan in de zaak met nummer NL26.17734 V. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, die inhoudt dat hij de behandeling van het verzet in Nederland mag afwachten.
De voorzieningenrechter doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Awb.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

1. Verzoeker stelt te zijn geboren op [datum] 2006 en de Sierra Leoonse nationaliteit te hebben. Hij heeft op 9 november 2025 asiel aangevraagd in Nederland.
2. In het besluit van 30 maart 2026 heeft verweerder deze asielaanvraag niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Daaraan ligt ten grondslag dat de autoriteiten van Kroatië het verzoek om verzoeker terug te nemen hebben geaccepteerd op grond van artikel 20, vijfde lid, van de Verordening (EU) Nr. 604/2013 (Dublinverordening).
3. De rechtbank heeft in de uitspraak van 3 juni 2026 het hiertegen door verzoeker ingestelde beroep kennelijk ongegrond verklaard. Kort weergegeven heeft de rechtbank geoordeeld dat er vanuit moet worden gegaan dat Kroatië verzoekers asielaanvraag in overeenstemming met het geldende internationale recht zal behandelen, en dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat er in Kroatië sprake is van systematische tekortkomingen in de opvangvoorzieningen of in de asielprocedure zoals bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening.
4. In verzet voert verzoeker hiertegen aan dat het vanwege ernstige psychische en medische klachten onverantwoord is om hem over te dragen aan Kroatië. Dit zou namelijk een aanzienlijk risico meebrengen op verergering van zijn klachten. Hierbij heeft verzoeker een brief van het OLVG-ziekenhuis van 4 juni 2026 overgelegd, waarin staat dat hij vanwege PTSS-klachten een traumabehandeling ondergaat en dat er daarnaast op 18 juni 2026 een operatie gepland staat. Het verzoek om een voorlopige voorziening is erop gericht de behandeling van het verzetschrift in Nederland te mogen afwachten.
De voorzieningenrechter oordeelt als volgt.
5. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed dat gelet op de betrokken belangen vereist.
6. Verzoeker heeft vluchtgegevens overgelegd waaruit volgt dat verweerder beoogt om hem op woensdag 17 juni 2026 om 14:35 uur aan Kroatië over te dragen door middel van een vlucht naar Zagreb. Hiermee is de vereiste onverwijlde spoed gegeven. Artikel 8:83, vierde lid, van de Awb biedt in die omstandigheid de mogelijkheid om een zitting achterwege te laten.
7. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in het arrest van 16 februari 2017 in de zaak C.K. tegen Slovenië (ECLI:EU:C:2017:127) geoordeeld dat overdracht aan een andere lidstaat in het kader van de Dublinverordening vanwege gezondheidsklachten achterwege moet blijven als dat een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van de medische situatie zou betekenen. Ook is in dit arrest geoordeeld dat het op de weg van de betrokkene ligt om met medische stukken aannemelijk te maken dat dit het geval is.
8. Uit de door verzoeker overgelegde gegevens kan niet worden opgemaakt dat een overdracht aan Kroatië tot de in dit arrest beschreven gevolgen zal leiden. Weliswaar schrijven eisers behandelend psychologen in de brief van 4 juni 2026 dat overdracht een onderbreking van het huidige behandeltraject zou betekenen en dat dit het risico meebrengt op verergering van de traumaklachten, maar dit betekent niet dat een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van de medische situatie voorzienbaar is. Ten aanzien van de geplande operatie op 18 juni 2026 zijn geen gegevens overgelegd waaruit blijkt dat het niet mogelijk is om op een later moment een ingreep te ondergaan in Kroatië.
9. De conclusie is dat er geen aanleiding bestaat om te bepalen dat verzoeker het door hem gedane verzet in Nederland mag afwachten. Het verzoek om een voorlopige voorziening zal dan ook worden afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan op 15 juni 2026 door mr. K.M. de Jager, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.