ECLI:NL:RBDHA:2026:16246

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
NL26.19965 en NL26.19966
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • D. C. Laagland
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 4 HandvestArt. 17 DublinverordeningArt. 3:2 AwbArt. 3:46 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverantwoordelijkheid Portugal

Eiser, met Turkse nationaliteit, verzet zich tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Portugal verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn aanvraag op grond van de Dublinverordening.

Eiser betoogt dat de situatie in Portugal verslechterd is sinds de invoering van AIMA, verwijzend naar het AIDA-rapport van september 2025, en dat dit leidt tot een reëel risico op schending van zijn rechten onder artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 Handvest Pro. Tevens stelt hij dat de minister ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van de discretionaire bevoegdheid op grond van artikel 17 Dublinverordening Pro.

De rechtbank oordeelt dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat Portugal niet aan zijn internationale verplichtingen voldoet of dat er sprake is van zodanige tekortkomingen dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel doorbroken wordt. Ook is niet gebleken dat bijzondere individuele omstandigheden aanwezig zijn die toepassing van artikel 17 Dublinverordening Pro rechtvaardigen.

Daarom verklaart de rechtbank het beroep kennelijk ongegrond en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.19965 en NL26.19966
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. A. Jankie),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 8 april 2026 niet in behandeling genomen, omdat Portugal verantwoordelijk is voor de aanvraag.

Beoordeling door de rechtbank

Geen zitting
2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond. [1] Hieronder legt de rechtbank dit uit.
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser stelt de Turkse nationaliteit te hebben en op [geboortedatum] 1991 te zijn geboren. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Portugal verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Allereerst verzoekt eiser hetgeen hij in de algehele procedure naar voren heeft gebracht als herhaald en ingelast te beschouwen. Verder betwist eiser niet dat Portugal formeel Dublinterugkeerders opvang en toegang tot de asielprocedure biedt, maar stelt dat de praktijk sinds de overgang naar AIMA is verslechterd. Eiser verwijst in dit verband naar het AIDA-rapport van september 2025, waaruit blijkt dat de overdrachtscoördinatie onregelmatig verloopt en belangrijke gegevens vaak niet meer vooraf worden gedeeld, waardoor Dublinterugkeerders bij aankomst zonder duidelijke begeleiding kunnen komen te zitten en risico lopen op onzekerheid of dakloosheid. Eiser stelt dat dit een reëel risico oplevert op schending van artikel 4 Handvest Pro [2] en artikel 3 EVRM Pro [3] en verwijst naar het Jawo-arrest. [4] Daarnaast verwijst eiser naar zijn persoonlijke omstandigheden in Turkije en stelt dat verweerder ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van de discretionaire bevoegdheid op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Tot slot stelt eiser dat het bestreden besluit in strijd met artikel 3:2 en Pro 3:46 van de Awb [5] is genomen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. Uit het in algemene zin handhaven van wat eiser in de algehele procedure naar voren heeft gebracht, kan de rechtbank niet afleiden waarom eiser van mening is dat het bestreden besluit onjuist is. Daarom ziet de rechtbank hierin geen aanleiding het bestreden besluit te vernietigen.
6. In Dublinzaken geldt het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit houdt in dat verweerder er als uitgangspunt op mag vertrouwen dat andere lidstaten zich houden aan hun verplichtingen uit het Unierecht en mensenrechtenverdragen. Het ligt op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat in dit geval Portugal dit niet doet. Van een schending van artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest zal, in geval eiser aannemelijk maakt dat er sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem, eerst sprake zijn indien die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. Dit volgt uit het Jawo arrest.
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser met zijn verklaringen en de verwijzing naar het AIDA-rapport van september 2025 (update 2024) onvoldoende aannemelijk gemaakt dat Portugal niet aan zijn internationale verplichtingen voldoet of dat sprake is van dusdanige tekortkomingen in de asielprocedure of de opvangvoorzieningen dat de drempel uit het Jawo arrest wordt gehaald of overschreden. Hoewel uit het AIDA- rapport, updates 2023 en 2024, volgt dat er problemen zijn met toegang tot opvangvoorzieningen en er sprake is van procedurele tekortkomingen en asielzoekers in het algemeen worden geconfronteerd met de nodige moeilijkheden, blijkt hieruit niet dat de algemene situatie voor Dublinterugkeerders in Portugal zo slecht is dat zij structureel op grote schaal en voor langere periodes het reële risico lopen dat zij daadwerkelijk geen toegang hebben tot fundamentele behoeften. Er is dus geen sprake van zodanige systeemfouten die resulteren in onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel van 4 van het Handvest. Bovendien wordt pagina 79 van het AIDA-rapport, update 2024, vastgesteld dat Dublinterugkeerders in de praktijk geen relevante of systematische obstakels ondervinden bij de toegang tot de Portugese opvang- en asielprocedure. Dat betekent dat er in beginsel geen sprake is van zodanige systeemfouten die resulteren in onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel van 4 van het Handvest. Het ligt op de weg van eiser om bij eventuele tekortkomingen te klagen bij de Portugese autoriteiten. Niet is gebleken dat dit voor eiser niet mogelijk is of bij voorbaat zinloos zou zijn.
7. De rechtbank stelt voorop dat artikel 17 van Pro de Dublinverordening een bevoegdheid geeft om onverplicht een asielverzoek in behandeling te nemen. Verweerder heeft met betrekking tot deze bevoegdheid beleid gemaakt. In paragraaf C2/5 van de Vc 2000 [6] staat dat verweerder hiervan terughoudend gebruik maakt als Nederland daartoe, op grond van de in de Dublinverordening neergelegde criteria, niet verplicht is. Verweerder gebruikt de bevoegdheid in ieder geval als bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt. Vanwege de ruime mate van bestuurlijke vrijheid die verweerder heeft om deze hardheidsclausule toe te passen, toetst de rechtbank deze beslissing terughoudend.
7.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat verweerder gehouden was om gebruik te maken van zijn discretionaire bevoegdheid die volgt uit artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Verweerder heeft in dit geval in redelijkheid mogen beslissen dat er geen sprake is van bijzondere individuele omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden afgezien van overdracht aan Portugal. Voor zover eiser verwijst naar de omstandigheden in Portugal, wordt overwogen dat deze al zijn beoordeeld in het kader van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Verweerder hoefde deze omstandigheden daarom niet opnieuw te beoordelen in het kader van artikel 17 van Pro de Dublinverordening. [7]

Conclusie en gevolgen

8. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond.
9. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit [8] , wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
10. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. C. Laagland, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van M. Ramdihal, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
3.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
4.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218.
5.Algemene wet bestuursrecht.
6.Vreemdelingencirculaire 2000.
7.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1860.
8.Op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83, derde lid, van de Awb.