ECLI:NL:RBDHA:2026:16247

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 april 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
AWB 25/15458
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16 VwArt. 17 VwArt. 3.71 VbArt. 8 EVRMArt. 10 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verblijfsvergunning wegens niet voldoen aan mvv-vereiste ondanks beroep op medische en artikel 8 EVRM gronden

Eiser, met Somalische nationaliteit, heeft na langdurig verblijf in Nederland en het Verenigd Koninkrijk een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning als gezinslid op grond van artikel 8 EVRM Pro. Verweerder wees deze af wegens het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en het niet voldoen aan vrijstellingsgronden.

Eiser voerde aan dat hij op medische gronden vrijstelling van het mvv-vereiste zou moeten krijgen vanwege PTTS en suïcidepogingen, en dat zijn uitzetting in strijd zou zijn met zijn recht op familie- en privéleven. De rechtbank stelde vast dat eiser niet onder medische behandeling stond en onvoldoende actuele medische stukken overlegde. Ook ontbraken bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiser en zijn familie, waardoor geen beschermenswaardig familieleven bestond.

Verder concludeerde de rechtbank dat eiser sterke banden met het Verenigd Koninkrijk heeft, waar hij internationale bescherming geniet, en dat hij onvoldoende aannemelijk maakte dat terugkeer onmogelijk is. De belangenafweging leidde tot het oordeel dat het algemeen belang bij een restrictief toelatingsbeleid zwaarder weegt dan het belang van eiser bij verblijf in Nederland.

De rechtbank verwierp ook het beroep op de hardheidsclausule, omdat de omstandigheden van eiser geen onbillijkheid van overwegende aard opleveren. Het beroep werd ongegrond verklaard en de afwijzing van de verblijfsvergunning bleef in stand.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de verblijfsvergunning blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/15458

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 april 2026 in de zaak tussen

[naam], eiser
[V-nummer]
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en veiligheid, verweerder,
(gemachtigde: mr. N. Peters).

Procesverloop

Bij besluit van 17 maart 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf als familie- of gezinslid op grond van artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)’ afgewezen. Dit besluit omvat tevens een terugkeerbesluit, inhoudende dat eiser de Europese Unie binnen vier weken dient te verlaten.
Bij besluit van 25 juni 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft op 24 december 2025 een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 16 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van verweerder.

Overwegingen

Inleiding
1.1.
Eiser is geboren op [geboortedatum] en heeft de Somalische nationaliteit. Hij is op 19 juli 1995 samen met zijn moeder en twee broers Nederland ingereisd. Eiser heeft vanaf 1995 tot 2004 in Nederland verbleven. In die periode is de zus van eiser geboren. Het gezin heeft in Nederland meerdere verblijfsprocedures gevoerd.
1.2.
In 2004 is eiser naar het Verenigd Koninkrijk vertrokken. Daar heeft hij internationale bescherming aangevraagd. Die aanvraag is in eerste instantie afgewezen. In 2005 is eiser in het Verenigd Koninkrijk strafrechtelijk veroordeeld voor het in vereniging en met geweld beroven van een persoon. Hij heeft in het Verenigd Koninkrijk één jaar in strafrechtelijke detentie gezeten en vervolgens een tijd in vreemdelingenbewaring. Het Verenigd Koninkrijk heeft eiser geprobeerd uit te zetten naar Nederland, maar Nederland heeft dit geweigerd. Bij besluit van 30 juni 2008 heeft Nederland eiser ongewenst verklaard. In 2010 heeft eiser in het Verenigd Koninkrijk alsnog internationale bescherming gekregen.
1.3.
Bij besluit van 25 april 2005 heeft verweerder aan de moeder van eiser een asielvergunning toegekend. In 2006 hebben de twee broers en de zus van eiser reguliere verblijfsvergunningen in het kader van de Regeling nalatenschap oude Vreemdelingenwet (Ranov) gekregen en zijn de andere broers en zussen van eiser in het kader van gezinshereniging naar Nederland gekomen. Inmiddels zijn (bijna) alle gezinsleden van eiser genaturaliseerd.
1.4.
In 2019 is eiser vanuit het Verenigd Koninkrijk naar Nederland teruggekeerd. Op 11 mei 2021 is zijn ongewenstverklaring opgeheven. Op 10 augustus 2022 heeft eiser een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf als familie- of gezinslid op grond van artikel 8 van Pro het EVRM’ ingediend. Met deze aanvraag beoogt eiser rechtmatig verblijf bij zijn familie in Nederland te verkrijgen. Verweerder heeft deze aanvraag bij het primaire besluit afgewezen.
Het bestreden besluit
2. Het bestreden besluit, waarbij het primaire besluit is gehandhaafd, houdt het volgende in. Eiser komt niet in aanmerking voor de gevraagde verblijfsvergunning, omdat hij niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste. Met betrekking tot dit laatste heeft verweerder meer specifiek gesteld dat eisers gezondheidstoestand zich niet verzet tegen reizen, dat uitzetting van eiser niet in strijd is met artikel 8 van Pro het EVRM en dat het vasthouden aan het mvv-vereiste niet onredelijk hard voor eiser is.
Handhaving beroepsgronden
3. Het beroep en de beroepsgronden tegen het bestreden besluit zijn, namens eiser, ingediend door mr. G.E.M. Later. Nadien heeft eiser laten weten dat hij niet langer door mr. Later wil worden bijgestaan. Ter zitting heeft de rechtbank aan eiser gevraagd of hij de door mr. Later ingediende beroepsgronden wel wil handhaven. In wat eiser daarop heeft geantwoord, leidt de rechtbank af dat eiser dat op zichzelf wel wil. De rechtbank zal in deze uitspraak het bestreden besluit daarom toetsen aan de hand van de beroepsgronden die door de voormalige gemachtigde van eiser zijn ingediend en wat eiser daaraan ter zitting zelf nog heeft toegevoegd.
Juridisch kader
4. Het voor deze uitspraak relevante juridisch kader is opgenomen in de aan deze uitspraak gehechte bijlage, die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.
Het oordeel van de rechtbank
Mvv-vrijstelling op medische gronden?
5. Eiser voert aan dat verweerder hem op medische gronden had moeten vrijstellen van het mvv-vereiste. Ten onrechte heeft verweerder tegengeworpen dat eiser niet onder behandeling staat en dat zijn medisch dossier niet compleet is. Als verweerder hem had toegestaan het bezwaar in Nederland af te wachten had hij procedureel rechtmatig verblijf gehad en een ziektekostenverzekering kunnen afsluiten.
5.1.
Mvv-vrijstelling op ‘medische gronden’ wordt verleend als het voor de vreemdeling gelet op zijn gezondheidssituatie niet verantwoord is om te reizen of als er binnen drie tot zes maanden bij het uitblijven van behandeling een medische noodsituatie zal ontstaan (zie artikel 17, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) in verbinding met paragraaf B1/4.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000).
5.2.
De rechtbank stelt vast dat eiser in het aanvraagformulier niet de ‘medische vrijstellingsgrond’ had aangekruist. Bij het begeleidend schrijven van 8 augustus 2022 zijn wél een verklaring van een huisarts van 12 november 2019 en een brief van een psycholoog van 11 mei 2021 overgelegd. In de brief van HP Centrum Huisartsen Schiedam staat dat eiser, naar eigen zeggen, in het Verenigd Koninkrijk twee suïcidepogingen heeft gedaan. Uit de brief van GGZ Delfland kan worden afgeleid dat vastgesteld is dat er bij eiser sprake is van PTTS en dat eiser traumabehandeling EMDR ondergaat. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder in de herstelverzuimbrief van 4 november 2022 eiser in de gelegenheid gesteld – voor zover hij inderdaad een beroep wil doen op medische gronden – om de Bijlage Toestemmingsverklaring medische gegevens, Bijlage bewijs omtrent medische situatie vreemdeling en de bewijsmiddelen als genoemd in de Bijlage Toelichting en bewijsmiddelen medische omstandigheden te overleggen. Doel daarvan is om de actuele medische situatie van eiser in kaart te brengen. Bij de reactie daarop (zie brief van 10 november 2022) zijn echter geen nieuwe medische stukken overgelegd. Ook in bezwaar heeft eiser geen nieuwe medische stukken overgelegd. Tijdens de hoorzitting in de bezwaarfase heeft eiser verklaard dat hij op dit moment niet onder medische behandeling staat (zie p. 2 van het verslag van gehoor van 17 juni 2024).
5.3.
Uit het vorenstaande volgt dat eiser ten tijde van het bestreden besluit niet onder medische behandeling stond en ook dat zijn medische bewijsmiddelen ten tijde van het bestreden besluit niet compleet waren. Hoewel uit de wel overgelegde medische stukken zou kunnen worden afgeleid dat eiser in het verleden in het Verenigd Koninkrijk suïcidepogingen heeft gedaan, blijkt hieruit ook dat er twee EMDR-sessies met succes hebben plaatsgevonden. Er zijn geen concrete aanknopingspunten dat sprake is van een actueel risico op suïcide. Het standpunt van eiser dat hem niet kan worden tegengeworpen dat hij niet onder behandeling staat omdat hij door toedoen van verweerder geen ziektekostenverzekering kon afsluiten, volgt de rechtbank niet. Ook zonder rechtmatig verblijf hebben vreemdelingen recht op medisch noodzakelijke zorg (artikel 10, tweede lid, van de Vw).
5.4.
Gelet op het voorgaande hoefde verweerder het Bureau Medische Advisering niet voorafgaand aan het bestreden besluit om medisch advies te vragen. In het verlengde daarvan heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat het gelet op eisers gezondheidstoestand niet verantwoord voor hem is om te reizen of dat er bij het uitblijven van behandeling binnen drie tot zes maanden een medische noodsituatie bij hem zal ontstaan. Verweerder heeft zich dan ook terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser niet op ‘medische gronden’ hoefde te worden vrijgesteld van het mvv-vereiste. De beroepsgrond slaagt niet.
Mvv-vrijstelling op grond van artikel 8 van Pro het EVRM?
6. Eiser voert verder aan dat hij voor vrijstelling van het mvv-vereiste in aanmerking moet komen, omdat zijn uitzetting in strijd is met het door artikel 8 van Pro het EVRM beschermde recht op familie- en privéleven.
7. Een vreemdeling wordt vrijgesteld van het mvv-vereiste als zijn uitzetting in strijd zou zijn met artikel 8 van Pro het EVRM. Dit volgt uit artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder l, van het Vb.
8. Over het familieleven overweegt de rechtbank als volgt.
Familieleven tussen meerderjarige kinderen (niet zijnde jongvolwassenen) en hun ouders, en tussen meerderjarige broers en zussen, is beschermenswaardig in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM als er tussen hen ‘bijkomende elementen van afhankelijkheid’ bestaan die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188).
8.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat niet is gebleken dat er tussen eiser enerzijds en zijn moeder, broers en zussen anderzijds ‘bijkomende elementen van afhankelijkheid’ zijn. Dit legt de rechtbank hierna uit.
8.2.
Eiser is in 2004 vanuit Nederland naar het Verenigd Koninkrijk vertrokken om daar een beter leven op te bouwen, terwijl zijn moeder, broers en zussen in Nederland zijn gebleven. Tijdens zijn verblijf in het Verenigd Koninkrijk heeft eiser zich jarenlang zelfstandig staande kunnen houden. In het Verenigd Koninkrijk had hij, na de verlening van de internationale beschermingsstatus, een normaal leven met werk, vrienden, school en sport (zie p. 6 van het verslag van gehoor van 17 juni 2024). Eiser stelt dat zijn vertrek uit Nederland, en daarmee zijn scheiding van zijn moeder, broers en zussen, uit nood geboren was, maar dat volgt de rechtbank, evenals verweerder, niet. Hoewel invoelbaar is dat eiser gefrustreerd was geraakt nadat hij jarenlang zonder succes verblijfsprocedures in Nederland had gevoerd, was er, anders dan hij stelt, geen noodzaak of dwang om naar het Verenigd Koninkrijk te vertrekken en zijn familie te verlaten. Hij had er ook voor kunnen kiezen om samen met zijn moeder, broers en zussen, die zich destijds in eenzelfde verblijfsrechtelijke positie bevonden, in Nederland te blijven. Verweerder heeft dan ook terecht gesteld dat van een onvrijwillige scheiding met zijn familie geen sprake was.
8.3.
Verder heeft verweerder terecht gesteld dat de scheiding met zijn familie langdurig is geweest. Pas in 2019, aldus vijftien jaar later, is eiser weer teruggekeerd naar Nederland en zijn familie. Uit het verslag van gehoor van 17 juni 2024 volgt verder dat er na het vertrek van eiser naar het Verenigd Koninkrijk in 2004 langdurig geen contact tussen eiser en zijn familie is geweest. Pas voor het eerst in 2015-2016 is het contact weer hersteld, maar ook daarna was er weinig telefonisch contact en de familie heeft eiser ook nooit opgezocht in het Verenigd Koninkrijk (zie p. 4 en 5 van het verslag van gehoor van 17 juni 2024). Eiser stelt dat de langdurige scheiding hem niet kan worden tegengeworpen omdat hij vanwege de ongewenstverklaring niet eerder kon terugkeren naar Nederland, maar dat volgt de rechtbank, evenals verweerder, niet. Immers, de in 2008 opgelegde ongewenstverklaring is een reactie op het strafbare handelen van eiser geweest en eiser had eerder een verzoek om opheffing van de ongewenstverklaring kunnen indien. Bovendien stond de ongewenstverklaring er niet aan in de weg dat eiser zijn familieleven op afstand vanuit het Verenigd Koninkrijk kon uitoefenen, maar dat heeft hij dus niet of nauwelijks gedaan.
8.4.
Voorts heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat de banden tussen eiser en zijn familie na eisers terugkeer naar Nederland in 2019 in significante mate zijn geïntensiveerd naar een relatie met afhankelijkheidselementen. Eisers stelling dat hij na terugkeer naar Nederland eerst bij zijn broer heeft gewoond en nu bij zijn moeder woont, is, zoals verweerder niet ten onrechte stelt, onvoldoende om ‘bijkomende elementen van afhankelijkheid’ aan te nemen. Nog daargelaten dat eiser deze stelling niet met stukken heeft onderbouwd, volgt uit eisers verklaringen dat dit samenwonen niet intrinsiek is gemotiveerd maar enkel is ingegeven door het ontbreken van een legale verblijfsstatus en praktische overwegingen. Hetzelfde geldt voor de financiële ondersteuning die hij naar eigen zeggen – onderbouwd is dat echter niet – van zijn familie ontvangt. Zodra eiser een verblijfsvergunning heeft, kan en wil hij gaan werken en zelfstandig gaan wonen, zo volgt uit het gehoor van 17 juni 2024 (zie p. 2 en 3 van het verslag). Ook de stelling dat zijn moeder hulpbehoevend is en dat eiser voor haar zorgt, heeft verweerder niet ten onrechte onvoldoende geacht om ‘bijkomende elementen van afhankelijkheid’ aan te nemen. Nog daargelaten dat de gestelde hulpbehoevendheid van zijn moeder niet is onderbouwd, heeft verweerder niet ten onrechte gesteld dat niet is gebleken dat de moeder (exclusief) afhankelijk is van de zorg van eiser. Hoewel de rechtbank begrijpt dat eiser het belangrijk vindt om hulp en zorg aan zijn moeder te verlenen, kunnen ook andere familieleden, derden of een professionele instantie deze zorg verlenen. De meerderjarige zus van eiser woont bij de moeder in, zodat verondersteld mag worden dat zij zorgtaken op zich kan nemen. Ook in andere opzichten is niet gebleken dat de band tussen eiser en zijn familie op dit moment de gebruikelijke band tussen meerderjarigen overstijgt. Eiser stelt dat hij in het verleden last had van depressies en leed aan PTTS, maar dat betekent niet dat hij om die reden nu afhankelijk is van zijn familie in Nederland. Sterker nog, tijdens de hoorzitting in de bezwaarfase heeft eiser juist verklaard dat zijn gezondheid op dit moment stabiel is en dat hij niet onder behandeling staat (zie p. 2 van het verslag van gehoor van 17 juni 2024).
8.5.
Nu verweerder, zoals uit het voorgaande volgt, niet ten onrechte heeft gesteld dat niet is gebleken dat er tussen eiser en zijn familie ‘bijkomende elementen van afhankelijkheid’ zijn, bestaat er tussen eiser en zijn familie geen beschermenswaardig familieleven. Uitzetting van eiser zal dan ook niet in strijd zijn met het door artikel 8 van Pro het EVRM beschermde recht op familieleven. Verweerder heeft zich dan ook terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser niet op deze grond hoefde te worden vrijgesteld van het mvv-vereiste. De beroepsgrond slaagt niet.
9. Over het privéleven overweegt de rechtbank als volgt.
Verweerder heeft aangenomen dat eiser beschermenswaardig privéleven heeft in Nederland. Dit betekent dat verweerder een, in een ‘fair balance’ te resulteren, belangenafweging moet maken tussen het belang van eiser bij uitoefening van zijn privéleven in Nederland enerzijds en het Nederlands algemeen belang bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds.
9.1.
Verweerder heeft een dergelijke belangenafweging verricht. De rechtbank is van oordeel dat verweerder alle relevante feiten en omstandigheden bij die belangenafweging heeft betrokken en dat verweerder zich niet onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de belangenafweging in het nadeel van eiser uitvalt. Dit legt de rechtbank hierna uit.
9.2.
Om te beginnen geldt dat eiser zijn privéleven in Nederland volledig heeft opgebouwd en geïntensiveerd tijdens illegaal verblijf. Dit betekent, zoals verweerder terecht heeft gesteld, dat alleen in geval van bijzondere omstandigheden er een verplichting bestaat om eiser zijn privéleven te laten voortzetten in Nederland (vgl. het arrest van het EHRM in de zaak Butt tegen Noorwegen, van 4 december 2012, ECLI:CE:ECHR:2012:1204JUD004701709).
9.3.
Een belangrijk punt in deze zaak is dat verweerder ervan uitgaat dat eiser de mogelijkheid heeft om terug te keren naar en te verblijven in het Verenigd Koninkrijk, waar aan hem in 2010 internationale bescherming is verleend. Eiser lijkt te stellen – helemaal duidelijk is dit echter niet – dat hij niet meer zal worden toegelaten tot en rechtmatig kan verblijven in het Verenigd Koninkrijk. Het is naar het oordeel van de rechtbank aan eiser om dit aannemelijk te maken. Daarin is hij niet geslaagd. Weliswaar heeft hij gesteld dat de geldigheidsduur van zijn Britse verblijfsvergunning in 2020 is verlopen en dat hij die niet tijdig heeft verlengd, maar hij heeft geen concrete aanwijzingen aangedragen dat zijn (aan die verblijfsvergunning onderliggende) internationale beschermingsstatus in het Verenigd Koninkrijk is beëindigd of opgeheven. Zo heeft hij geen besluit van de Britse autoriteiten of uitspraak van de Britse rechter overgelegd waaruit dit blijkt. Ook heeft hij niet verwezen naar Britse wet- of regelgeving waaruit kan worden afgeleid dat zijn beschermingsstatus is geëindigd. Verder heeft hij niet onderbouwd dat het voor hem onmogelijk is om in het Verenigd Koninkrijk zijn verblijfsvergunning te laten verlengen of opnieuw aan te vragen. Gelet hierop is verweerder er terecht van uitgegaan dat eiser de mogelijkheid heeft om terug te keren naar en te verblijven in het Verenigd Koninkrijk.
9.4.
Verweerder heeft zich verder niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser wordt geacht sterke banden met het Verenigd Koninkrijk te hebben. Hij is daar, anders dan in Nederland, in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning, heeft daar van 2004 tot 2019 grotendeels rechtmatig gewoond en heeft over die periode verklaard dat hij daar een normaal leven met werk, school, sport en vrienden heeft kunnen leiden. Verweerder stelt niet ten onrechte dat niet is gebleken van objectieve of subjectieve belemmeringen waardoor het voor hem onmogelijk of zeer moeilijk is om zijn privéleven in het Verenigd Koninkrijk weer op te pakken en voort te zetten. Weliswaar heeft eiser gesteld dat hij in het Verenigd Koninkrijk getraumatiseerd is geraakt, maar dit is niet onderbouwd. Bovendien is niet gebleken dat hij in het Verenigd Koninkrijk geen medische behandeling voor zijn problematiek zou kunnen krijgen en ook niet dat hij geen hulp of bescherming kan vragen aan en krijgen van de Britse autoriteiten.
9.5.
Verweerder heeft zich voorts niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat eiser een zodanig sterke of bijzondere binding met Nederland heeft dat van hem niet verwacht kan worden dat hij Nederland verlaat. Weliswaar bedraagt eisers totale verblijfsduur in Nederland ten tijde van het bestreden besluit veertien jaar, maar in die periode heeft hij nooit rechtmatig verblijf gehad en bovendien is deze periode onderbroken door een (bijna) vijftien jaar durend verblijf in het Verenigd Koninkrijk. Deze langdurige verblijfsonderbreking duidt er niet op dat eiser tijdens zijn eerste verblijfsperiode in Nederland (1995-2004), ondanks dat hij hier toen naar school is geweest, sterke banden met Nederland heeft opgebouwd. Ook tijdens zijn tweede verblijfsperiode (2019-heden) is niet gebleken van sterke banden met Nederland, bijvoorbeeld door een actieve rol te verrichten in de maatschappij.
9.6.
Gelet op het voorgaande – waaruit blijkt dat eisers banden met Nederland niet heel sterk zijn terwijl zijn banden met het Verenigd Koninkrijk, ten aanzien waarvan wordt aangenomen dat hij daarheen kan terugkeren, wel sterk zijn – heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die maken dat het belang van eiser bij uitoefening van zijn privéleven in Nederland zwaarder weegt dan het Nederlands algemeen belang bij het niet toestaan van verblijf aan eiser, welk belang in dit geval meer concreet is gelegen in de bescherming van de uit de algemene middelen gefinancierde faciliteiten (zie p. 19 van WI 2020/16) en generale en consequente regelnaleving (zie p. 16 van WI 2020/16). Verweerder heeft aldus de belangenafweging niet ten onrechte in het nadeel van eiser laten uitvallen, wat betekent dat uitzetting van eiser niet in strijd is met het door artikel 8 van Pro het EVRM beschermde recht op privéleven. Verweerder heeft zich dan ook terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser niet op deze grond hoefde te worden vrijgesteld van het mvv-vereiste. De hiertoe aangevoerde beroepsgrond slaagt niet.
Mvv-vrijstelling op grond van de hardheidsclausule?
10. Eiser voert tot slot aan dat er sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van de hardheidsclausule, omdat terugkeer naar het Verenigd Koninkrijk als onredelijk bezwarend moet worden gezien. Daarbij wijst eiser op de omstandigheid dat zijn Britse verblijfsdocument is verlopen en dat hij daar een ernstig trauma heeft opgelopen.
10.1.
Verweerder kan besluiten om een verblijfaanvraag niet af te wijzen op de grond dat niet aan het mvv-vereiste wordt voldaan, indien vasthouden aan het mvv-vereiste naar zijn oordeel zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Dit volgt uit artikel 3.71, derde lid, van het Vb en wordt ook wel de hardheidsclausule genoemd.
10.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder in de door eiser in dit verband aangevoerde omstandigheden geen grond heeft hoeven zien voor toepassing van de hardheidclausule. Onder verwijzing naar overwegingen 5.4, 8.4, 9.3. en 9.4. overweegt de rechtbank dat verweerder in het door eiser gestelde trauma en in de door eiser gestelde perikelen rondom zijn Britse verblijfvergunning, geen aanleiding heeft hoeven zien om aan te nemen dat het voor eiser zeer bezwaarlijk of moeilijk is om vanuit het Verenigd Koninkrijk een mvv aan te vragen. De beroepsgrond slaagt niet.
Slotsom
11. De slotsom is dat er geen grond bestaan voor het oordeel dat verweerder eiser had moeten vrijstellen van het mvv-vereiste. Gelet hierop en nu eiser dus niet voldoet aan het mvv-vereiste, heeft verweerder de verblijfaanvraag van eiser terecht, met toepassing van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw in verbinding met artikel 3.71, eerste lid, van het Vb, afgewezen.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is gezien het voorgaande ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat de afwijzing van zijn aanvraag om een verblijfsvergunning in stand blijft.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van mr. D.J. Bes, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
BIJLAGE
Vreemdelingenwet 2000 (Vw)
Op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 worden Pro afgewezen indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd.
Op grond van artikel 17, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 niet Pro afgewezen wegens het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf, indien het betreft de vreemdeling voor wie het gelet op diens gezondheidstoestand niet verantwoord is om te reizen.
Op grond van artikel 17, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 niet Pro afgewezen wegens het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf, indien het betreft de vreemdeling die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie.
Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb)
Op grond van artikel 3.71, eerste lid, van het Vb wordt de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen, indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf.
Op grond van artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder l, van het Vb is van het vereiste van een geldige machtiging tot verblijf, op grond van artikel 17, eerste lid, onder g, van de Wet, vrijgesteld de vreemdeling van wie uitzetting in strijd met artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden zou zijn.
Op grond van artikel 3.71, derde lid, van het Vb kan Onze Minister het eerste lid buiten toepassing laten, voor zover toepassing daarvan naar zijn oordeel zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc)
Op grond van paragraaf B1/4.1 van de Vc wijst de IND op grond van artikel 17, eerste lid, onder c, Vw de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd niet af wegens het ontbreken van een geldige mvv als:
  • het voor de vreemdeling gelet op zijn gezondheidssituatie niet verantwoord is om te reizen; of
  • als er binnen drie tot zes maanden bij het uitblijven van behandeling een medische noodsituatie zal ontstaan.