ECLI:NL:RBDHA:2026:1625

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 januari 2026
Publicatiedatum
2 februari 2026
Zaaknummer
25/1547
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:12 AwbArt. 8:72 AwbArt. 3.2.1 WlzArt. 1.1.1 Besluit langdurige zorgArt. 3.1.1 Besluit langdurige zorg
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing meerzorgaanvraag Wlz wegens onvoldoende motivering Zorgkantoor

Eiser, sinds 2017 rolstoelafhankelijk en volledig verlamd, heeft op 23 april 2024 een aanvraag om meerzorg ingediend bij het Zorgkantoor op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Het Zorgkantoor wees deze aanvraag af, stellende dat de zorgvraag niet extreem was en binnen het geïndiceerde zorgprofiel LG 6 viel. Eiser ging in bezwaar, dat eveneens ongegrond werd verklaard, waarna hij beroep instelde bij de rechtbank.

De rechtbank oordeelt dat het Zorgkantoor de aanvraag niet op een juiste wijze heeft beoordeeld. De beoordeling is niet inzichtelijk, niet controleerbaar en onnavolgbaar, omdat het Zorgkantoor geen gekwantificeerde vergelijking in uren heeft gemaakt tussen de zorgbehoefte van eiser en het zorgprofiel. De bestaande wet- en regelgeving en parlementaire geschiedenis vereisen een dergelijke toetsbare vergelijking.

De rechtbank wijst op de knelpunten in de regelgeving, zoals bevestigd door de Centrale Raad van Beroep en het Zorginstituut Nederland, die onduidelijkheid scheppen over de beoordeling van meerzorg. Het Zorgkantoor volgde een methode die niet strookt met de wettelijke eisen en motiveringsbeginsel, waardoor het bestreden besluit vernietigd wordt.

De rechtbank draagt het Zorgkantoor op een nieuw besluit te nemen, waarbij een nieuw onderzoek naar de zorgbehoefte in uren moet worden uitgevoerd en een gekwantificeerde vergelijking moet worden gemaakt. Tevens wordt een voorlopige voorziening getroffen waarbij eiser een verhoging van het persoonsgebonden budget (pgb) ontvangt voor extra zorg. Het Zorgkantoor wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering en het Zorgkantoor wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met een gekwantificeerde zorgbehoeftevergelijking.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/1547

uitspraak van de meervoudige kamer van 30 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M.F. Vermaat),
en
Zorgkantoor Zorg en Zekerheid (Zuid-Holland Noord/Amstelland en de Meerlanden), hierna: het Zorgkantoor (gemachtigde: mr. S. Beckers).

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser gericht tegen de afwijzing van een aanvraag om meerzorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Eiser is het niet eens met het besluit.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de bestaande wet- en regelgeving en de parlementaire geschiedenis geen aanwijzing bevatten dat het Zorgkantoor de aanvraag van eiser om meerzorg op grond van de Wlz op een juiste manier heeft beoordeeld. De door het Zorgkantoor verrichte beoordeling is niet inzichtelijk, niet controleerbaar en daarmee onnavolgbaar
.Eiser krijgt in zoverre gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Inleiding en procesverloop

1. Eiser heeft bij het Zorgkantoor op 23 april 2024 meerzorg op grond van de Wlz aangevraagd.
1.1.
Het Zorgkantoor heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 12 juni 2024 afgewezen.
1.2.
Met het besluit van 3 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft het Zorgkantoor het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de afwijzing gehandhaafd.
1.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.4.
Het Zorgkantoor heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 21 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de cliëntondersteuner van eiser
[naam] en de gemachtigde van het Zorgkantoor.
1.6
Na afloop van de zitting hebben zowel het Zorgkantoor als eiser, zoals ter zitting afgesproken, een reactie ingediend naar aanleiding van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 22 oktober 2025 (ECLI:NL:CRVB:2025:1517). De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2.1.
Eiser heeft sinds april 2017 een dwarslaesie door een val van de trap. Als gevolg daarvan heeft eiser onder andere blaas- en darmproblematiek, spasticiteit, een verhoogd risico op decubitus en osteoporose en 24 uur per dag risico op het optreden van potentieel levensbedreigende autonome dysreflexie. Eiser is vanaf de kin volledig verlamd en is rolstoelafhankelijk. Eiser is voor de primaire levensbehoefte volledig afhankelijk van zorgverlening. Sinds 6 november 2023 is eiser op grond van de Wlz geïndiceerd voor het zorgprofiel Wonen met begeleiding en intensieve zorg (LG 6). Eiser ontvangt zorg van zorgorganisatie [instelling] voor 125% op basis van een Modulair Pakket Thuis (MPT).
2.2.
Eiser heeft op 23 april 2024 een aanvraag om meerzorg ingediend. Hieraan is ten grondslag gelegd dat de kosten van de benodigde zorg hoger zijn dan het jaarbudget dat bij het zorgprofiel hoort. Het budget is niet toereikend voor onder meer wondverzorging en alarmering. Daarnaast wil eiser extra zorg voor begeleiding individueel, hulp bij het huishouden en de inzet van een therapeut voor dagelijkse lichamelijke oefeningen.
2.3.
Met het primaire besluit heeft het Zorgkantoor de aanvraag afgewezen op de grond dat er geen extreme zorgvraag is ten opzichte van eisers zorgprofiel. Daarnaast kan geen meerzorg worden afgegeven voor wondverzorging, omdat verpleging onder het basisbudget valt. Bij extreme decubitus kan een toeslag gespecialiseerd verpleegkundig handelen (GVH) worden aangevraagd. Voor wat betreft de alarmering heeft [instelling] aangegeven dat een responstijd van 30 minuten per week in de berekening zit. Bewegingstherapie is geen Wlz-zorg.
2.4.
Het Zorginstituut Nederland (ZiN) heeft hangende de bezwaarprocedure op
27 januari 2025 een medisch en juridisch advies aan het Zorgkantoor uitgebracht. In het medisch advies overweegt het ZiN dat ten aanzien van de vraag of eiser is aangewezen op meerzorg het geïndiceerde profiel LG 6 passend is. Toezicht in de vorm van 24 uur per dag zorg in de nabijheid of permanent toezicht ter voorkoming van ernstig nadeel zit reeds verdisconteerd in dit profiel. Aan de relatieve ondoelmatigheid van de responstijd door een zorgorganisatie bij verblijf thuis kan niet met meerzorg tegemoet gekomen worden. Het zorgprofiel voorziet voorts in preventieve zorghandelingen gericht op het voorkomen van complicaties, waaronder het dagelijks bewegen en stimuleren van het lichaam om de lichaamsfuncties zo optimaal mogelijk te houden. Er is geen sprake van een bijzondere zorgbehoefte in de vorm van een extreme zorgzwaarte waarin niet vanuit het zorgprofiel
LG 6 zou kunnen worden voorzien. In het juridisch advies overweegt het ZiN dat bij eiser geen sprake is van een bijzondere zorgbehoefte, waardoor er geen grond is voor toekenning van meerzorg. Het ZiN merkt op dat voor zover het bewegen niet als behandeling maar als begeleiding dan wel verzorging moet worden aangemerkt, eiser dit vanuit zijn pgb kan bekostigen.
3. Bij het bestreden besluit heeft het Zorgkantoor zich op het standpunt gesteld dat de gevraagde zorg binnen de grenzen van het zorgprofiel LG 6 valt. Het zorgprofiel is specifiek bedoeld voor personen die intensieve verzorging nodig hebben, inclusief ondersteuning bij de algemeen dagelijkse levensverrichtingen (ADL), zoals verplaatsingen door beperkte rompbalans. Volgens het Zorgkantoor vereisen deze handelingen doorgaans de aanwezigheid van twee verzorgenden wat past binnen de reguliere zorg. Verder is er geen noodzaak voor extra toezicht of sturing op psychosociaal of cognitief vlak waardoor geen sprake is van een bijzondere zorgzwaarte die meerzorg rechtvaardigt. Het zorgplan is gericht op het behoud van de lichaamsfunctie, waaronder ademhalingsoefeningen en mobiliteitsverbeteringen, hetgeen buiten het pgb valt, aldus het Zorgkantoor. Voor wat betreft extra begeleiding bij incidenten, zoals een verstopping van de katheter, stelt het Zorgkantoor dat de reguliere zorginzet die via [instelling] wordt geboden binnen een
responstijd van 30 minuten voldoende is.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser stelt zich op het standpunt dat het Zorgkantoor meerzorg had moeten toekennen. Eiser betoogt onder verwijzing naar het rapport ‘Duiding en advies over toezicht in het kader van meerzorg bij de leveringsvormen mpt en pgb’ van het ZiN van
19 oktober 2023 dat de huidige regelgeving over meerzorg onvoldoende duidelijk is. Volgens eiser is de behoefte aan zorg bepalend bij de vraag of sprake is van meerzorg. Daarvoor moet een vergelijking worden gemaakt tussen het aantal uren aan zorg op basis van het zorgprofiel en de daadwerkelijk benodigde zorg. De door het Zorgkantoor genoemde ‘bijzondere zorgbehoefte’ is geen vereiste. Uit de toelichting op artikel 5.1e van de Regeling langdurige zorg (Rlz) volgt volgens eiser dat als de EKT-toeslag niet toereikend is, sprake is van een uitzonderlijk hoge zorgvraag. Daarnaast is er sprake van rechtsonzekerheid, omdat voor eiser niet controleerbaar is hoe het Zorgkantoor de beoordeling maakt. Eiser stelt zich verder op het standpunt dat de specifieke deskundigheid van de medisch adviseur van het ZiN niet bekend is. Dit is in strijd met de te betrachten zorgvuldigheid.
Wat stelt het Zorgkantoor in verweer?
5. Volgens het Zorgkantoor moet ingevolge artikel 2.2., eerste lid, van de Rlz eerst vastgesteld worden of sprake is van een bijzondere zorgbehoefte. Dan moet het gaan om zorg die niet in het zorgprofiel is opgenomen. Dat is bij eiser niet het geval. Het is niet vereist om een cijfermatige vergelijking in uren te maken. Er is geen sprake van rechtsonzekerheid. Het Zorgkantoor stelt verder dat eiser de naam van de medisch adviseur bij ZiN kan opvragen.
Wat is het beoordelingskader?
6. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving en een weergave van de wetsgeschiedenis is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Wat oordeelt de rechtbank?
7. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of het Zorgkantoor op de juiste wijze heeft beoordeeld dat eiser niet voor meerzorg in aanmerking komt.
7.1.
Uit de toepasselijke regelgeving voor meerzorg en de wetsgeschiedenis van deze bepalingen kan worden opgemaakt dat een verzekerde aanspraak heeft op meer zorg dan de samenhangende zorg behorende bij het bij de verzekerde best passende zorgprofiel voor zover zijn zorgbehoefte minimaal 25% hoger is dan de zorg die is opgenomen in het zorgzwaartepakket dat voor de bekostiging van het zorgprofiel wordt gebruikt dan wel van het zorgprofiel. Of een verzekerde hiervoor in aanmerking komt, is ter beoordeling van het Zorgkantoor.
7.2.
Blijkens de wetsgeschiedenis heeft de wetgever aangesloten bij de meerzorgregeling in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. De inhoud van artikel 2.2, eerste en derde lid, van de Rlz is na de inwerkingtreding van de Wlz niet gewijzigd. Uit woorden als: "meer zorg" en "minimaal 25% hoger dan" en de Nota van toelichting [1] leidt de rechtbank af dat de wetgever voor de beoordeling van het recht op meerzorg een controleerbare en gekwantificeerde vergelijking heeft voorgestaan van de zorg die een verzekerde nodig heeft en de zorg waarop de verzekerde op grond van het hem geïndiceerde zorgprofiel recht heeft.
Knelpunten bij de beoordeling
7.3.
In zijn uitspraak van 22 oktober 2025 heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) [2] geoordeeld dat uit de regelgeving niet eenduidig blijkt hoe het Zorgkantoor een aanvraag om meerzorg moet beoordelen.
7.3.1.
Zo is onduidelijk hoe de zorgbehoefte van verzekerden, zoals eiser, moet worden bepaald. Uit artikel 2.2, derde lid, van de Rlz [3] lijkt volgens de CRvB te volgen dat de zorgbehoefte moet worden uitgedrukt in uren. Uit het per 1 januari 2020 ingevoerde artikel 5.1e, tweede lid, van de Rlz [4] lijkt echter juist weer te volgen dat de zorgbehoefte niet wordt uitgedrukt in uren, maar wordt bepaald aan de hand van de zorgkosten.
7.3.2.
In de regelgeving is ook niet concreet benoemd welke zorg voor de verzekerde beschikbaar is vanuit het zorgprofiel. Met de invoering van de Wlz is de voor de verzekerde beschikbare zorg uit het zorgprofiel niet langer uitgedrukt in uren, maar is gekozen voor een meer algemene beschrijving van de zorgprofielen. De voor de omvang van de zorg van het zorgprofiel in artikel 2.2, derde lid, van de Rlz opgenomen verwijzing naar de zorg die is opgenomen in het zorgzwaartepakket dat voor de bekostiging van het zorgprofiel wordt gebruikt, is blijkens de toelichting in de wetsgeschiedenis hierop enkel bedoeld voor het jaar 2015, in afwachting van nieuwe regelgeving over meerzorg. In de nadien gevolgde regelgeving daarover is echter geen bepaling opgenomen waarin concreet is vermeld of waaruit kan worden afgeleid wat de aard en de omvang van de zorg van de zorgprofielen is.
7.3.3.
Ook het ZiN heeft knelpunten [5] bij de beoordeling van meerzorg benoemd. Zo is het volgens het ZiN bij het bepalen van de noodzaak voor meerzorg onduidelijk welke zorg tot de basiszorg van het zorgprofiel en welke zorg daarboven tot de meerzorg behoort. De zorgprofielen noemen namelijk geen omvang van zorg in uren. Volgens het ZiN ontbreekt het bovendien aan tripartiet gedragen standaarden op grond waarvan de noodzakelijke meerzorg inhoudelijk is te bepalen. Het ZiN concludeert dat hierdoor de beoordeling van meerzorg niet altijd voldoende objectief plaatsvindt. Er is volgens het ZiN een afwegingskader of kwaliteitsstandaard nodig waarmee op grond van achterliggende waarden en normen op een transparante, navolgbare en toetsbare manier kan worden beoordeeld of een aanspraak bestaat op meerzorg. Ook benoemt het ZiN dat onduidelijk is in hoeverre toezicht aanleiding kan geven tot meerzorg.
7.3.4.
In het nadien verschenen rapport "Duiding en advies over toezicht in het kader van meerzorg bij de leveringsvormen mpt en pgb" van het ZiN van 26 september 2023 komt het ZiN tot de conclusie dat de regelgeving geen duidelijke kaders biedt voor meerzorg en toezicht bij meerzorg. Het ZiN heeft in dit rapport de Minister geadviseerd te kiezen welke referentiekaders de zorgkantoren moeten hanteren bij de beoordeling van meerzorgaanvragen. Het ZiN heeft daarbij de voorkeur uitgesproken voor een beoordeling door een medisch of zorginhoudelijk adviseur van de vraag of sprake is van een bijzondere zorgbehoefte, waarbij de vergelijking wordt gemaakt met een cliënt in een instelling met het desbetreffende zorgprofiel. Uit het rapport volgt dat volgens het ZiN meerzorg is gericht op extra zorg vanwege een bijzondere zorgvraag, die niet geleverd kan worden vanuit het zorgprofiel.
Wat heeft het Zorgkantoor gedaan?
7.4.
Het Zorgkantoor heeft in de situatie van eiser kennelijk de in overweging 7.3.4. weergegeven voorkeur van het ZiN gevolgd. Het Zorgkantoor heeft aan de hand van het medisch advies een opsomming gegeven van de zorg die eiser in algemene termen nodig heeft. Vervolgens heeft het Zorgkantoor een vergelijking gemaakt met de algemene beschrijving van de zorg in het geïndiceerde zorgprofiel. [6] Hieruit heeft het Zorgkantoor de conclusie getrokken dat er geen sprake is van een bijzondere zorgbehoefte die de geïndiceerde zorgprofiel 6 LG overstijgt. Het Zorgkantoor is bij zijn besluitvorming niet van een urenvergelijking uitgegaan.
Wat is het oordeel van de rechtbank over deze beoordelingswijze?
7.5.
De rechtbank ziet in navolging van voornoemde uitspraak van de CRvB in de bestaande wet- en regelgeving en de parlementaire geschiedenis geen aanwijzing voor de juistheid van deze manier van beoordelen van de meerzorgaanvraag van eiser en verwijst daartoe kortheidshalve naar hetgeen is weergegeven onder 7.1. en 7.2. van deze uitspraak. De door het Zorgkantoor verrichte beoordeling is niet inzichtelijk, niet controleerbaar en daarmee onnavolgbaar.
7.6.
Het in het bestreden besluit door het Zorgkantoor ingenomen standpunt dat eiser niet in aanmerking komt voor meerzorg, berust daarmee niet op een deugdelijke motivering en is in strijd met artikel 7:12, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het bestreden besluit komt reeds hierom voor vernietiging in aanmerking.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf een beslissing over de aanvragen om meerzorg te nemen. Dit omdat zij daarvoor over onvoldoende informatie beschikt. Ook draagt de rechtbank niet aan het Zorgkantoor op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.
8.1
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat het Zorgkantoor een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank acht het aangewezen dat het Zorgkantoor een nieuw onderzoek uitvoert naar de situatie van eiser. Het Zorgkantoor dient hierbij te bepalen welke Wlz-zorg naar aard en omvang, in uren, op medische gronden nodig is. Het Zorgkantoor dient vervolgens een gekwantificeerde en toetsbare vergelijking te maken van de vastgestelde zorgbehoefte van eiser met de zorg die ten grondslag ligt aan het voor hem geïndiceerde zorgprofiel, naar aard en omvang, uitgedrukt in uren, en aan de hand daarvan te bepalen of en, zo ja, onder welke noemer en met welk bedrag het pgb in verband hiermee moet worden verhoogd.
Voorlopige voorziening
9. Hangende het beroep heeft eiser de rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat hij een extra pgb van € 1.019,- per week ontvangt. Het pgb van € 1.829,- dat eiser nu ontvangt is volgens hem te weinig.
9.1
De rechtbank ziet aanleiding om het verzoek om een voorlopige voorziening met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb toe te wijzen. Dit betekent dat het Zorgkantoor een verhoging van het pgb aan eiser verleent voor de inkoop van 23 uur zorg per week tegen een uurtarief van € 44,-. Met deze verhoging van het pgb wordt eiser in staat gesteld om extra zorg in te kopen bij externe zorgverleners. Deze voorlopige voorziening wordt getroffen met ingang van de datum van deze uitspraak en wordt voortgezet tot zes weken na de datum waarop de nieuw te nemen beslissing op het bezwaar is bekendgemaakt. De rechtbank gaat ervan uit dat, mocht het nieuw te nemen besluit op bezwaar niet tot minimaal hetzelfde pgb aanleiding geven als deze voorlopige voorziening oplevert, ter zake geen terugvordering door het Zorgkantoor zal volgen.
10. Omdat het beroep gegrond is moet het Zorgkantoor het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten.
11. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht komt de door een derde beroepsmatig verleende bijstand voor vergoeding in aanmerking. In dit geval worden de kosten die daarvoor door eiser zijn gemaakt vastgesteld op € 1.868,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting bij een zaak van gemiddeld gewicht; waarde per punt € 934,-).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt het Zorgkantoor op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- treft de voorlopige voorziening dat het Zorgkantoor aan eiser een verhoging van het pgb van € 1.019 per week verleent, tot zes weken na de bekendmaking van het nieuw te nemen besluit op bezwaar;
- veroordeelt het Zorgkantoor tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser;
- bepaalt dat het Zorgkantoor het door eiser betaalde griffierecht van € 53,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meessen, voorzitter, en mr. C.J. Waterbolk en
mr. B. Wallage, leden, in aanwezigheid van mr. V.A. Paul, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2026.
griffier
bij afwezigheid van de voorzitter is deze
uitspraak ondertekend door de oudste rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels en wetsgeschiedenis

Regelgeving
Artikel 3.2.1, eerste lid, van de Wet langdurige zorg
Een verzekerde heeft recht op zorg die op zijn behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden is afgestemd voor zover hij naar aard, inhoud en omvang en uit een oogpunt van doelmatige zorgverlening redelijkerwijs op die zorg is aangewezen (…)
Artikel 1.1.1 van het Besluit langdurige zorg
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
(…)
- zorgprofiel: een algemene typering van vergelijkbare zorgbehoeften of beperkingen op dezelfde terreinen, waarbij de verzorgings-, verplegings-, begeleidings- of behandelingsdoelen naar aard, inhoud en globale omvang overeenkomen;
(…)
Artikel 3.1.1 van het Besluit langdurige zorg
1. De verzekerde die is aangewezen op zorg, heeft recht op samenhangende zorg behorende bij het bij de verzekerde best passende zorgprofiel. Bij ministeriële regeling worden zorgprofielen vastgesteld.\
2. De verzekerde heeft recht op meer zorg dan waarop hij op grond van het eerste lid recht heeft, voor zover meer zorg nodig is om te voorzien in zijn behoefte aan zorg.
(…)
Artikel 2.2 van de Regeling langdurige zorg
1. Een verzekerde heeft recht op meer zorg dan waarop hij op grond van het hem geïndiceerde zorgprofiel of zorgzwaartepakket recht heeft, voor zover naar het oordeel van de Wlz-uitvoerder of het zorgkantoor meer zorg nodig is om te voorzien in zijn behoefte aan zorg en:
a. de verzekerde krachtens zijn indicatiebesluit is aangewezen op zorgprofiel:
(…)
- LG Wonen met intensieve begeleiding en intensieve verzorging,
(…)
3. Een verzekerde als bedoeld in het eerste lid, onder a of b, of tweede lid, onder a, kan slechts recht op de in die leden bedoelde zorg krijgen indien zijn behoefte aan zorg minimaal 25% hoger is dan de zorg die is opgenomen in het zorgzwaartepakket dat voor de bekostiging van het zorgprofiel wordt gebruikt dan wel van het zorgprofiel.
Artikel 5.1 van de Regeling langdurige zorg
1. Een (…) persoonsgebonden budget (…) kan slechts worden toegekend indien de zorg op een verantwoorde en doelmatige wijze ten huize van de verzekerde kan worden geleverd.
2. Voor het persoonsgebonden budget is het basisbedrag, genoemd in bijlage H, beschikbaar, verminderd met de kosten van het modulair pakket thuis voor huishoudelijke hulp, persoonlijke verzorging, verpleging, logeeropvang, individuele begeleiding en begeleiding in groepsverband en vervoer.
(…)
Artikel 5.1a van de Regeling langdurige zorg
Alvorens de (…)verlening van een persoonsgebonden budget te weigeren op de grond dat het niet op doelmatige wijze ten huize van de verzekerde kan worden geleverd, en nadat daarover overleg is gevoerd met de verzekerde, beoordeelt de Wlz-uitvoerder of het zorgkantoor deze weigering wegens ondoelmatigheid kan worden vermeden door verhoging van het basisbedrag met ten hoogste 25%.
Artikel 5.1e van de Regeling langdurige zorg
(…)
2. Het zorgkantoor kan op verzoek van de verzekerde een aanvraag voor meerzorg als bedoeld in artikel 2.2 starten, indien de verzekerde een zorgbehoefte heeft waarvan de kosten het bedrag overstijgen dat beschikbaar is na toepassing van de artikelen 5.1 tot en met 5.1d en de verzekerde voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 2.2, eerste of tweede lid.
(…)
4. Het zorgkantoor kan onder daarbij te stellen voorwaarden in het voordeel van de verzekerde afwijken van de bedragen genoemd in bijlage H indien de verzekerde naar het oordeel van het zorgkantoor aanspraak heeft op meer zorg als bedoeld in artikel 2.2 van deze regeling.
Wetsgeschiedenis
Toelichting bij artikel 3.1.1 Blz: Stb 2014 520
- Algemeen:
"Tweede waarborg in het wetsvoorstel voor de cliënt is dat het recht op zorg geborgd wordt door de zorgplicht die de Wlz-uitvoerder heeft. Naast rechtszekerheid voor de cliënt enerzijds – waar heb ik recht op? – dient er ruimte te zijn voor de Wlz-uitvoerder/het zorgkantoor om bij de invulling van dat recht zorg op maat te kunnen aanbieden. (…)
Indien de verzekerde een bijzondere zorgbehoefte heeft waardoor zijn zorgbehoefte groter is dan uit het geïndiceerde zorgprofiel voortvloeit, zal, in lijn met de AWBZ, een behoefte aan meer zorg bestaan. Zoals in paragraaf 3.3 van het algemene deel van deze toelichting is aangegeven, zal in 2015 op dit punt gelden wat onder de AWBZ gold. Dat wil zeggen dat de Wlz-uitvoerder/het zorgkantoor kan besluiten om meer zorg toe te kennen indien de verzekerde een in het Rlz te regelen zorgprofiel geïndiceerd heeft gekregen of indien de verzekerde behoefte heeft aan in de Rlz te regelen vormen van zorg."
-
Eerste lid:
"Artikel 1.1.1 bevat een omschrijving van wat onder zorgprofiel moet worden verstaan. Welke zorg bij een zorgprofiel hoort, zal krachtens dit eerste lid in de Rlz worden geregeld. De zorgprofielen zijn opgenomen in de bijlage bij de Rlz. Deze zullen, zeker aanvankelijk, zijn afgeleid van de huidige zorgzwaartepakketten. Overeenkomstig de doelstelling van het wetsvoorstel, verschillen de zorgprofielen echter wezenlijk van de huidige zorgzwaartepakketten. Kernpunt daarbij is dat de in de Regeling langdurige zorg op te nemen profielen niet langer in uren te leveren zorg uitdrukken. Overeenkomstig de Wet langdurige zorg, is uitdrukkelijk de ruimte gegeven aan de professionele zorgaanbieder om, binnen de globale omvang die door de zorgprofielen wordt uitgedrukt, en waarin zij onderling verschillen, de zorg te leveren waarop iemand is aangewezen. Een en ander behoudens de regeling van eventuele behoefte aan meer zorg."
- Tweede lid:
"Hoewel de zorgprofielen doorgaans goed aansluiten bij de zorgbehoefte van de verzekerde, kunnen zich specifieke gevallen voordoen waarin ook de meest passende zorgprofielen nog onvoldoende tegemoet komen aan de zorgbehoefte van de verzekerde. Onder de huidige AWBZ, meer specifiek in de Regeling zorgaanspraken AWBZ, is daarom voorzien in een regeling voor meer zorg. Indien de verzekerde een bijzondere zorgbehoefte heeft waardoor zijn zorgbehoefte groter is dan uit het geïndiceerde zorgprofiel voortvloeit, zal, in lijn met de AWBZ, een behoefte aan meer zorg bestaan. Zoals in paragraaf 3.3 van het algemene deel van deze toelichting is aangegeven, zal in 2015 op dit punt gelden wat onder de AWBZ gold."
Artikel 2.2 Rlz: Stcrt 2014 36917 (bij de invoering per 1 januari 2015)
"2. De regeling voor 'meer zorg'. De Rlz bevat eveneens een regeling voor de toekenning van 'meer zorg'. Deze is grosso modo een vertaling van de huidige regeling onder de AWBZ. In de wet is voor mensen die dit recht op 31 december 2014 hebben, overgangsrecht opgenomen." (Algemeen deel, p. 65).
"Zoals in paragraaf 3.3 van het algemeen deel van de toelichting op het Blz is aangegeven, zal de procedure voor de toekenning van 'meer zorg' in 2015 sterk lijken op de procedure die voor 2014 onder de AWBZ gold. Voorliggend artikel vormt dan ook een vertaling van artikel 1a, tweede lid, van de Regeling zorgaanspraken AWBZ (welke regeling bij de inwerkingtreding van de Wlz is komen te vervallen)."
(…)
"Een recht op meer zorg op basis van het eerste lid, onderdeel a of b, leidt in de bekostiging 2015 tot een geïndividualiseerde toeslag op maat bovenop de reguliere zzp-bekostiging. Voor de bekostiging van zorg in natura is dat door de NZa uitgewerkt in beleidsregel CA-BR-1508 'Prestatiebeschrijvingen en tarieven ZZP-meerzorg Wlz'. Voor het pgb is de bekostiging van meer zorg uitgewerkt in artikel 5.14, tweede lid, van voorliggende regeling."
(…)
"Ingevolge het tweede lid kan voor de verzekerden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b, slechts recht bestaan op meer zorg indien de (in uren gemeten) zorgbehoefte ten minste 25% ligt boven (het midden van de bandbreedte van) de zorg die is opgenomen in het zorgzwaartepakket dat in 2015 voor de bekostiging van het zorgprofiel wordt gehanteerd dan wel, voor de verzekerden die onder het overgangsrecht vallen, van het zorgprofiel zelf."
(…)
"Voorliggend artikel zal slechts in 2015 gelden. Zoals in het algemeen deel van de toelichting op het Blz is aangegeven, zal de regeling over meer zorg zowel wat betreft de reikwijdte ervan als de procedure om tot de toekenning van meer zorg te komen, in 2015 worden verbeterd."
(Artikelsgewijs, p. 68)
Stcrt 2015 46256 (bij de wijziging van artikel 2.2 Rlz per 1 januari 2016 tot het huidige artikel)
"In aanvulling op deze bevoegdheid blijft het huidige eerste lid bestaan waarbij de Wlz-uitvoerder of het zorgkantoor oordeelt of een verzekerde recht heeft op meer zorg. Alsdan blijkt de feitelijke zorgbehoefte bij het uitwerken van het zorgplan tussen cliënt, zorgaanbieder en Wlz-uitvoerder/zorgkantoor of is de behoefte aan meer zorg mede afhankelijk van de omgeving. In dergelijke gevallen waarborgt de zorgplicht van de Wlz-uitvoerders dat ook in die gevallen adequate zorg op maat wordt geboden (eerste lid)."
(Artikelsgewijs, p. 15)
Toelichting bij artikel 2.2 van de Rlz (artikelsgewijs):
"Ingevolge het tweede lid kan voor de verzekerden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b, slechts recht bestaan op meer zorg indien de (in uren gemeten) zorgbehoefte ten minste 25% ligt boven (het midden van de bandbreedte van) de zorg die is opgenomen in het zorgzwaartepakket dat in 2015 voor de bekostiging van het zorgprofiel wordt gehanteerd dan wel, voor de verzekerden die onder het overgangsrecht vallen, van het zorgprofiel zelf."
(…)
"Voorliggend artikel zal slechts in 2015 gelden."
Toelichting bij artikel 5.1e van de Rlz (artikelsgewijs):
"Indien de Wlz-uitvoerder of het zorgkantoor op grond van artikel 5.1 tot en met artikel 5.1d een aanvraag niet kan honoreren op grond van doelmatigheid is sprake van een bijzondere situatie. De verzekerde heeft dan een uitzonderlijk hoge zorgvraag die de reguliere mogelijkheden van het zorgprofiel overstijgt. In die gevallen kan de verzekerde een aanvraag doen voor meerzorg als bedoeld in artikel 2.2. Op grond van artikel 5.1e kan de verzekerde die de zorg thuis wenst te ontvangen toegang krijgen tot een meerzorgroute, zonder dat de Wlz-uitvoerder of het zorgkantoor hoeft vast te stellen dat de verzekerde is aangewezen op een hoger zorgvolume dan behoort bij het zorgprofiel. Met het overstijgen van alle mogelijkheden om de aanvraag in termen van kosten te honoreren na toepassing van EKT en staat immers voldoende vast dat sprake is van een uitzonderlijke situatie. De verzekerde die toegang tot meerzorg wenst, moet wel voldoen aan de voorwaarden genoemd in het eerste of tweede lid van artikel 2.2. Via de meerzorgroute zal de Wlz-uitvoerder of zorgkantoor per situatie een integrale afweging maken van de redelijkheid van de noodzakelijke kosten om de Wlz-zorg thuis verantwoord te organiseren"

Voetnoten

1.Staatscourant 2014, 36917, pag. 68.
3.en de toelichting op deze bepaling.
4.en de totstandkomingsgeschiedenis van dit artikel.
5.Zie het rapport "Van meerzorg naar passende zorg" van 4 mei 2021.
6.Zie bijlag A. bij artikel 2.1 van de Rlz.