Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16251

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
NL25.52761
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens vertrek met onbekende bestemming zonder contact

Eiser heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag door de minister van Asiel en Migratie. De rechtbank moest beoordelen of eiser nog belang had bij de inhoudelijke behandeling van het beroep.

Volgens vaste rechtspraak wordt aangenomen dat een vreemdeling die met onbekende bestemming vertrekt zonder de overheid of gemachtigde te informeren, geen prijs meer stelt op de aanvankelijk verzochte internationale bescherming. Verweerder heeft de rechtbank geïnformeerd dat eiser op 20 mei 2026 met onbekende bestemming is vertrokken. De gemachtigde van eiser heeft niet gereageerd op het verzoek van de rechtbank om contactgegevens of het laatste contactmoment te bevestigen.

Hieruit concludeert de rechtbank dat eiser geen belang meer heeft bij de inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Daarom verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en geen contact onderhoudt met zijn gemachtigde.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.52761

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. H.E. Visscher),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 22 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of eiser nog belang heeft bij de inhoudelijke beoordeling van zijn beroep.
2. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat wanneer een vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken zonder verweerder te laten weten waar hij verblijft, er in beginsel van uit wordt gegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk verzochte internationale bescherming in Nederland. Dit is anders als de vreemdeling contact met zijn gemachtigde onderhoudt. [1]
3. Verweerder heeft de rechtbank op 27 mei 2026 schriftelijk bericht dat eiser op 20 mei 2026 met onbekende bestemming is vertrokken. Naar aanleiding van het bericht van verweerder heeft de rechtbank de gemachtigde van eiser verzocht om binnen vijf werkdagen kenbaar te maken wanneer zij voor het laatste contact heeft gehad met eiser en op welke wijze dit contact heeft plaatsgevonden. De gemachtigde van eiser heeft hier niet op gereageerd. Hieruit blijkt dus niet dat er nog contact is tussen eiser en zijn gemachtigde.
4. Gelet op het voorgaande neemt de rechtbank aan dat eiser niet langer prijs stelt op de aanvankelijke gezochte internationale bescherming in Nederland. Eiser heeft dan ook geen belang meer bij de inhoudelijke beoordeling van zijn beroep.
5. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan op 15 juni 2026 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Verberne, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662.