ECLI:NL:RBDHA:2026:16256
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ingangsdatum verblijfsvergunning familie- en gezinslid vastgesteld op datum aanvraag
Eiseres, een Amerikaanse minderjarige, vroeg op 24 oktober 2022 een verblijfsvergunning aan als familie- en gezinslid bij haar tante en pleegmoeder met de Nederlandse nationaliteit. De aanvraag werd aanvankelijk afgewezen, waarna bezwaar en beroep volgden. De rechtbank vernietigde het besluit van 17 oktober 2024 wegens onvoldoende motivering over de aanvaardbare toekomst van eiseres in de Verenigde Staten en de familierechtelijke relatie.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verklaarde het hoger beroep van verweerder ongegrond, waarmee de eerdere uitspraak definitief werd. Verweerder stelde vervolgens het bezwaar alsnog gegrond en verstrekte een verblijfsdocument met ingang van 8 juni 2023, de datum van het indienen van het bezwaarschrift. Eiseres betwistte deze ingangsdatum en stelde dat de vergunning moest ingaan op de datum van de oorspronkelijke aanvraag.
De rechtbank oordeelde dat 8 juni 2023 onjuist is als ingangsdatum omdat op die datum geen nieuwe feiten zijn aangevoerd. Uit eerdere uitspraken blijkt dat verweerder aanvankelijk een onjuist standpunt innam over de toekomst van eiseres in de VS en dat de relevante gegevens al bij de aanvraag bekend waren. Daarom moet de ingangsdatum worden vastgesteld op 25 oktober 2022. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit voor zover het de ingangsdatum betreft, stelde zelf de juiste datum vast en veroordeelde verweerder tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De ingangsdatum van de verblijfsvergunning wordt vastgesteld op 25 oktober 2022 en verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.