ECLI:NL:RBDHA:2026:16256

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
NL26.17465
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 8:72 AwbArt. 26 Vreemdelingenwet 2000Artikel 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ingangsdatum verblijfsvergunning familie- en gezinslid vastgesteld op datum aanvraag

Eiseres, een Amerikaanse minderjarige, vroeg op 24 oktober 2022 een verblijfsvergunning aan als familie- en gezinslid bij haar tante en pleegmoeder met de Nederlandse nationaliteit. De aanvraag werd aanvankelijk afgewezen, waarna bezwaar en beroep volgden. De rechtbank vernietigde het besluit van 17 oktober 2024 wegens onvoldoende motivering over de aanvaardbare toekomst van eiseres in de Verenigde Staten en de familierechtelijke relatie.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verklaarde het hoger beroep van verweerder ongegrond, waarmee de eerdere uitspraak definitief werd. Verweerder stelde vervolgens het bezwaar alsnog gegrond en verstrekte een verblijfsdocument met ingang van 8 juni 2023, de datum van het indienen van het bezwaarschrift. Eiseres betwistte deze ingangsdatum en stelde dat de vergunning moest ingaan op de datum van de oorspronkelijke aanvraag.

De rechtbank oordeelde dat 8 juni 2023 onjuist is als ingangsdatum omdat op die datum geen nieuwe feiten zijn aangevoerd. Uit eerdere uitspraken blijkt dat verweerder aanvankelijk een onjuist standpunt innam over de toekomst van eiseres in de VS en dat de relevante gegevens al bij de aanvraag bekend waren. Daarom moet de ingangsdatum worden vastgesteld op 25 oktober 2022. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit voor zover het de ingangsdatum betreft, stelde zelf de juiste datum vast en veroordeelde verweerder tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitkomst: De ingangsdatum van de verblijfsvergunning wordt vastgesteld op 25 oktober 2022 en verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.17465

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A.M.J.M. Louwerse),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Inleiding

In het besluit van 18 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres gegrond verklaard en haar in het bezit gesteld van een verblijfsdocument voor verblijf als familie- of gezinslid bij [referente] , geldig vanaf 8 juni 2023.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiseres heeft een reactie op het verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het voornemen geuit om uitspraak te doen zonder een zitting te houden. Partijen zijn hiermee akkoord gegaan. De rechtbank doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Beoordeling door de rechtbank

1. Eiseres is geboren op [datum] 2005 en heeft de Amerikaanse nationaliteit.
2. Op 24 oktober 2022 heeft [referente] , referente, ten behoeve van eiseres een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning voor verblijf als familie- of gezinslid. Deze aanvraag is door verweerder ontvangen op 25 oktober 2022. Referente is de tante en pleegmoeder van eiseres. Zij heeft de Nederlandse nationaliteit.
3. In het besluit van 12 mei 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Eiseres heeft bij verweerder bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. In het besluit van 17 oktober 2024 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en is hij bij zijn standpunt gebleven. Verweerder heeft overwogen dat eiseres niet heeft aangetoond dat zij geen aanvaardbare toekomst heeft in de Verenigde Staten. Volledigheidshalve heeft verweerder daarnaast nog overwogen dat de familierechtelijke relatie tussen referente en eiseres niet is aangetoond.
4. In de uitspraak van 25 april 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:7231, heeft deze rechtbank en zittingsplaats het besluit van 17 oktober 2024 vernietigd en verweerder opgedragen om opnieuw op het bezwaar van eiseres te beslissen. De rechtbank heeft geoordeeld dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom van eiseres kan worden verwacht dat zij haar toekomst in de Verenigde Staten vormgeeft. Aanvullend heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder ten onrechte aan eiseres heeft tegengeworpen dat de familierechtelijke relatie met referente niet is aangetoond en dat tussen hen geen sprake zou zijn van familieleven zoals bedoeld in artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
5. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in haar uitspraak van 6 februari 2026 (zaaknummer BRS.25.000609, niet gepubliceerd) het hiertegen door verweerder ingestelde hoger beroep ongegrond verklaard. De juistheid van de uitspraak van 25 april 2025 is daarmee vast komen te staan.
6. In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres alsnog gegrond verklaard en haar in het bezit gesteld van een verblijfsdocument voor verblijf als familie- of gezinslid bij [referente] , geldig vanaf 8 juni 2023.
7. Eiseres is het ermee eens dat zij alsnog in het bezit is gesteld van een verblijfsdocument. Zij is het er alleen niet mee eens dat dit verblijfsdocument geldig is vanaf 8 juni 2023. Daarbij wijst zij op artikel 26, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, waarin staat dat de verblijfsvergunning ingaat met ingang van de dag waarop de vreemdeling aantoont dat hij aan alle voorwaarden voldoet. Op 8 juni 2023 is er echter niets anders gebeurd dan het indienen van een bezwaarschrift op nader aan te voeren gronden. Mede gelet op de door de Afdeling in stand gelaten uitspraak van de rechtbank, was al aangetoond dat aan alle voorwaarden was voldaan op het moment van de aanvraag van 24 oktober 2022, dan wel de aanvulling op de aanvraag van 14 november 2022.
8. Verweerder stelt zich in het verweerschrift op het standpunt dat het beroep niet slaagt. In de bezwaarfase zijn er namelijk volgens verweerder aanvullende stukken en een nadere toelichting ingediend ten aanzien van de familierechtelijke relatie, die mede redengevend zijn geweest om de aanvraag alsnog in te willigen.
De rechtbank oordeelt als volgt.
9. Niet in geschil is dat er op 8 juni 2023 niets anders is gebeurd dan het indienen van een bezwaarschrift op nader aan te voeren gronden door eiseres. Er is dan ook op deze datum niets aangetoond. Alleen al daarom kan 8 juni 2023 niet de ingangsdatum zijn van het aan eiseres verstrekte verblijfsdocument. Dit heeft verweerder ten onrechte niet onderkend. In aanvulling hierop overweegt de rechtbank het volgende.
10. Uit de uitspraak van de rechtbank van 25 april 2025 en de uitspraak van de Afdeling van 6 februari 2026 kan niet anders worden afgeleid dan dat verweerder aanvankelijk een onjuist standpunt heeft ingenomen over de aanvaardbare toekomst van eiseres in de Verenigde Staten. Uit het bestreden besluit kan geenszins worden afgeleid dat verweerder zich nog steeds en met een verbeterde motivering op het standpunt stelt dat eiseres een aanvaardbare toekomst heeft in de Verenigde Staten, en dat verweerder alsnog heeft ingewilligd omdat de familierechtelijke relatie met referente in de bezwaarfase alsnog is aangetoond. Er moet dan ook vanuit worden gegaan dat het ontbreken van een aanvaardbare toekomst voor eiseres in de Verenigde Staten mede redengevend is geweest voor de inwilliging.
11. Dit brengt mee dat verweerder had moeten nagaan op welke datum de gegevens zijn aangeleverd waaruit blijkt dat eiseres geen aanvaardbare toekomst heeft in de Verenigde Staten. Uit het vernietigde besluit op bezwaar van 17 oktober 2024 blijkt weliswaar dat hierover tijdens de hoorzitting in bezwaar een nadere toelichting is gegeven, maar niet dat er hierover nieuwe feiten en omstandigheden zijn aangeleverd. Verweerder is dan ook bij zijn onjuist gebleken standpunt gebleven. Hieruit kan niet anders dan worden afgeleid dat de relevante gegevens op het moment van ontvangst van de aanvraag bekend waren: 25 oktober 2022.
12. De conclusie is dat het beroep gegrond is. Het bestreden besluit moet worden vernietigd voor zover daarbij de ingangsdatum van het alsnog aan eiseres verleende verblijfsdocument is bepaald op 8 juni 2023. Omdat het gelet op wat hiervoor is overwogen geen twijfel lijdt dat de ingangsdatum van dit verblijfsdocument op 25 oktober 2022 had moeten worden gesteld, zal de rechtbank met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb op de hierna te melden wijze zelf in de zaak voorzien.
13. In de gegrondverklaring van het beroep ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat verweerder de door eiseres gemaakte proceskosten moet vergoeden. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op €2.802 bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift, een punt voor het indienen van het bezwaarschrift en een punt voor het verschijnen op de hoorzitting in bezwaar met een waarde per punt van € 934 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1 (gemiddeld). Ook moet verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 200 vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
 verklaart het beroep gegrond voor zover daarbij de ingangsdatum van het alsnog aan eiseres verleende verblijfsdocument is gesteld op 8 juni 2023;
 vernietigt het bestreden besluit van 18 maart 2026 in zoverre;
 herroept het primaire besluit in zoverre;
 bepaalt dat verweerder eiseres in het bezit stelt van een verblijfsdocument voor verblijf als familie- en gezinslid bij [referente] , geldig van 25 oktober 2022 tot 25 oktober 2027;
 bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;
 veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.802 (achtentwintighonderdtwee euro) aan proceskosten aan eiseres;
 bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 200 (tweehonderd euro) moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan op 15 juni 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.