Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16271

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
NL26.14658_9
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek proceskostenveroordeling na intrekking besluit minister

Verzoekster had beroep en een verzoek om voorlopige voorziening ingesteld tegen een besluit van de minister van Asiel en Migratie van 24 maart 2025. Dit beroep is ingetrokken nadat de minister het bestreden besluit op 28 april 2026 heeft ingetrokken. Verzoekster vorderde daarop een veroordeling van de minister in de proceskosten.

De rechtbank heeft de minister in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om proceskostenveroordeling, waarop de minister heeft gereageerd. De rechtbank heeft vervolgens zonder zitting uitspraak gedaan.

De kern van de beoordeling was of de intrekking van het besluit een tegemoetkoming aan verzoekster vormde. De minister stelde dat de intrekking het gevolg was van een besluit- en vertrekmoratorium voor Iran, een veranderde omstandigheid. De rechtbank volgde deze uitleg en oordeelde dat een intrekking op grond van een veranderde omstandigheid geen tegemoetkoming inhoudt.

Daarom wees de rechtbank het verzoek om proceskostenveroordeling af. De uitspraak is gedaan door rechter T.M. Weeda en griffier F.E. Siblesz, en is onherroepelijk.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af omdat de intrekking van het besluit geen tegemoetkoming aan verzoekster inhoudt.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.14658 (beroep) en NL25.14659 (verzoek om een voorlopige voorziening)

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiseres/verzoekster

(gemachtigde: mr. M. Rasul),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: [gemachtigde]).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoekster om een veroordeling van de minister in de proceskosten. Verzoekster heeft deze verzoeken gedaan bij de intrekking van haar beroep en verzoek om een voorlopige voorziening tegen het besluit van de minister van 24 maart 2025. Zij heeft het beroep ingetrokken omdat de minister op 28 april 2026 dit besluit heeft ingetrokken.
1.1.
De rechtbank heeft de minister in de gelegenheid gesteld te reageren op de verzoeken om veroordeling in de proceskosten. De minister heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt op 30 april 2026. Eiseres heeft hier op 19 mei 2026 op gereageerd.
1.2.
De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. [1]

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank wijst de verzoeken om proceskostenveroordeling af. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
3. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. [2]
Is de minister aan verzoekster tegemoetgekomen?
4. De rechtbank moet dus beoordelen of de minister geheel of gedeeltelijk aan verzoekster is tegemoetgekomen. De minister heeft in de brieven van 29 april 2026 en 30 april 2026 toegelicht dat de reden voor de intrekking van het bestreden besluit is gelegen in het thans geldende besluit- en vertrekmoratorium voor Iran. Dat wil niet zeggen dat er aan eiseres is tegemoetgekomen. Uit de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State [3] volgt dat van tegemoetkoming geen sprake is als de intrekking van een besluit het gevolg is van een veranderde omstandigheid, en dat een besluit- en vertrekmoratorium moet worden aangemerkt als een veranderde omstandigheid. De enkele stelling van eiseres dat de uiteindelijke inwilliging mogelijk niet uitsluitend het gevolg is van een gewijzigde omstandigheid leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel.
5. De minister is dus met de intrekking van het bestreden besluit niet aan eiseres tegemoetgekomen. Daarom wijst de rechter de verzoeken om vergoeding van de proceskosten af.

Beslissing

De rechtbank wijst de verzoeken om vergoeding van de proceskosten af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M. Weeda, rechter, in aanwezigheid van F.E. Siblesz, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 4 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4461.