ECLI:NL:RBDHA:2026:16380
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring beroep tegen vrijheidsontnemende maatregel grensdetentie en afwijzing schadevergoeding
Eiser is op 2 mei 2026 een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 in het kader van grensbewaking. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank behandelde het beroep op 10 juni 2026.
Eiser voerde aan dat de detentie niet langer dan 13 weken mocht duren en dat de maatregel onrechtmatig voortduurt indien deze termijn wordt overschreden. De rechtbank constateerde dat de termijn van 13 weken op 31 juli 2026 verstrijkt en dat er nog ruimte is om het asielberoep tijdig te behandelen, zodat niet duidelijk is dat de termijn wordt overschreden. Dit verweer faalde.
Daarnaast stelde eiser dat een onbeëdigde tolk werd ingezet zonder voldoende motivering. De rechtbank oordeelde dat de inzet van een onbeëdigde tolk gerechtvaardigd was vanwege de spoedeisendheid en het ontbreken van een beëdigde tolk, en dat eiser niet is geschaad.
Ten slotte voerde eiser aan dat de detentie onredelijk bezwarend was vanwege medische klachten. De rechtbank vond dat verweerder de medische situatie voldoende had betrokken en dat er geen aanleiding was de maatregel te wijzigen. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.