Geschil18. In geschil is of sprake is van een verlies uit lucratief belang als bedoeld in artikel 3.92b van de Wet IB 2001 en of verweerder in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft gehandeld.
19. Eiser stelt dat de door hem ingediende aangifte moet worden gevolgd, omdat in 2017 sprake is van een verlies uit lucratief belang van € 2.028.548. Daartoe voert eiser in de kern aan dat de in 2016 toegekende putopties er voor zorgen dat het aandelenbelang van eiser in X vanaf 23 mei 2016 kwalificeert als lucratief belang. De putopties uit 2016 vormen namelijk vanaf het moment van toekenning één geheel met de in 2013 toegekende aandelen. Eiser wijst in dat kader onder andere op de sterke samenhang tussen het managementparticipatieplan, de Compensation Letter en het Addendum. Verder heeft artikel 3.95b, eerste lid, van de Wet IB volgens eiser tot gevolg dat de waarde mutaties in het aandelenbelang vóór het ontstaan van het lucratieve belang meegenomen worden bij de hoogte van zijn verlies uit lucratief belang in box 1.
20. Verweerder heeft de stelling van eiser gemotiveerd weersproken. Verweerder stelt zich (primair) op het standpunt dat de aandelen geen lucratief belang vormen en (subsidiair), dat als er wel sprake zou zijn van een lucratief belang het verlies nihil is.
Beoordeling van het geschil
21. Op grond van artikel 3.90 van de Wet IB 2001 wordt onder belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden verstaan het gezamenlijke bedrag van het resultaat uit een of meer werkzaamheden die geen belastbare winst of belastbaar loon genereren. In artikel 3.92b van de Wet IB 2001 is het begrip werkzaamheid mede uitgebreid tot het houden van zogenoemde lucratieve belangen. Artikel 3.92b van de Wet IB 2001 (tekst 2017) luidt, voor zover van belang, als volgt:
“1. Voorts wordt onder werkzaamheid mede verstaan:
a. het onmiddellijk of middellijk houden van aandelen als bedoeld in het tweede lid, van vorderingen als bedoeld in het derde lid of van rechten als bedoeld in het vierde lid, indien de voordelen die met deze aandelen, vorderingen of rechten worden behaald, gelet op de feiten en omstandigheden waaronder deze aandelen, vorderingen of rechten zijn verkregen, naar moet worden aangenomen mede een beloning beogen te zijn voor werkzaamheden van de belastingplichtige of een met hem verbonden persoon, alsmede het hebben van schulden die rechtstreeks samenhangen met deze aandelen, vorderingen of rechten;
b. het onmiddellijk of middellijk hebben van schulden die rechtens dan wel in feite tegemoetkomingen kennen van geheel of gedeeltelijke kwijtschelding waarbij die tegemoetkomingen, gelet op de feiten en omstandigheden waaronder de schulden zijn aangegaan, naar moet worden aangenomen mede een beloning beogen te zijn voor werkzaamheden van de belastingplichtige of een met hem verbonden persoon.
2. Aandelen als bedoeld in het eerste lid zijn aandelen in een vennootschap met een geheel of ten dele in aandelen verdeeld kapitaal die verschillende soorten aandelen heeft, indien het aandelen betreft van een soort:
a. die is achtergesteld bij andere soorten en het totale geplaatste aandelenkapitaal van die achtergestelde soort minder is dan 10% van het totale geplaatste aandelenkapitaal van de vennootschap, of
b. met een preferentie van ten minste 15% dividend per jaar.
(…)
4. Rechten als bedoeld in het eerste lid zijn vermogensrechten die, gelet op de feiten en omstandigheden, economisch overeenkomen of vergelijkbaar zijn met aandelen als bedoeld in het tweede lid of vorderingen als bedoeld in het derde lid, alsmede overige rechten of verplichtingen waarvan het waardeverloop in enigszins belangrijke mate afhankelijk is van managementdoeleinden of aandeelhoudersdoeleinden zoals winst, omzet, kostenvermindering, aantrekken van financieringsbronnen, het gereed maken voor verkoop of overname van een onderneming of onderdelen daarvan, het aankopen of overnemen van ondernemingen of onderdelen daarvan, of die in enigszins belangrijke mate in waarde vermeerderen bij een verkoop of overname van een onderneming, dan wel bij een wijziging van een belang in een onderneming.”
22. Artikel 3.93, tweede lid, van de Wet IB 2001 luidt:
“2. Werkzaamheden van dezelfde aard worden aangemerkt als een werkzaamheid.”
23. Artikel 3.95b van de Wet IB 2001 (tekst 2017) luidt, voor zover van belang, als volgt:
“1. Ingeval op enig tijdstip een vermogensbestanddeel tot een werkzaamheid als bedoeld in artikel 3:92b gaat behoren, wordt het op dat tijdstip te boek gesteld op het bedrag dat is opgeofferd ter verkrijging van het bestanddeel vermeerderd met het bedrag waarover ter zake van de verkrijging van het bestanddeel inkomstenbelasting is geheven.”
24. Het doel van de lucratiefbelangregeling is om excessieve beloningsbestanddelen te ontmoedigen. In de parlementaire geschiedenis staat, voor zover van belang, het volgende opgenomen:
“Het bereik van de voorgestelde wetgeving is beperkt tot vermogensbestanddelen, waaronder aandelen, waaraan als beloning voor werkzaamheden van degene aan wie de vermogensbestanddelen worden verstrekt, bepaalde bijzondere condities of voorwaarden zijn verbonden. Kenmerkend daarbij is dat rendementen kunnen worden behaald die in geen verhouding staan tot het geïnvesteerde kapitaal en/of het feitelijk op de investering gelopen risico; veelal zijn «hefboommechanismen» ingebouwd, waardoor zeer hoge rendementen kunnen worden behaald. Aandelenpakketten (en andere vermogensbestanddelen) waaraan dergelijke bijzondere condities niet zijn verbonden, worden niet door het wetsvoorstel bestreken. Daarenboven vallen alleen die vermogensbestanddelen onder het voorgestelde regime, waarvoor geldt dat het rendement dat daarmee wordt behaald, gelet op de feiten en omstandigheden waaronder het vermogensbestanddeel is verkregen, naar moet worden aangenomen mede beoogt een beloning te zijn voor werkzaamheden van de belastingplichtige (of een met de belastingplichtige verbonden persoon).”
25. In de parlementaire geschiedenis staat met betrekking tot de zogenoemde pakketbenadering, voor zover van belang, het volgende opgenomen:
“De leden van de fractie van de VVD vragen hoe moet worden omgegaan met een investering die bestaat uit verschillende beloningsinstrumenten. Op basis van de voorgestelde tekst is het volgens deze leden onduidelijk of deze instrumenten gescheiden moeten worden beoordeeld of als een pakketinvestering worden aangemerkt. De toepassing van artikel 3.93, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 zorgt ervoor dat een veelal complex en ingewikkeld samenstel van afspraken als ware het één werkzaamheid in het resultaat wordt begrepen. Het moet daarbij gaan om afspraken die een sterke samenhang met elkaar hebben en waarbij de economische realiteit juist is gelegen in en wordt gecreëerd door de onderlinge samenhang. Als er sprake zou zijn van juridisch verschillende beloningsinstrumenten, die economisch gezien één beloningsinstrument vormen, dan zou het zonder nadere aanvulling van de wettekst van de feiten en omstandigheden afhangen of artikel 3.93, tweede lid, van toepassing is. Met de leden van de VVD-fractie is het kabinet van mening dat deze onduidelijkheid ongewenst is. Wat het kabinet betreft is de toets die aangelegd moet worden of het in economisch opzicht om een lucratief belang gaat. Dat is ook de vraag die in het voorgestelde vierde lid van artikel 3.92b centraal staat. Om die hiervoor gesignaleerde onduidelijkheid weg te nemen, zal het kabinet op dit punt met een nota van wijziging komen.”
“De toevoeging in het voorgestelde artikel 3.92b, vierde lid, Wet IB 2001 van «gelet op de feiten en omstandigheden» ziet op situaties waarin sprake is van sterk met elkaar samenhangende financiële beloningsinstrumenten, overeenkomsten en juridische bepalingen, die economisch gezien één beloningsinstrument vormen. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om met elkaar samenhangende vermogenstitels die tezamen economisch gezien voor een vergelijkbaar «hefboomeffect» zorgen als het geval is bij de in artikel 3.92, tweede lid, onderdeel a, Wet IB 2001 bedoelde aandelen.”
26. Uit de parlementaire geschiedenis volgt verder dat putopties onder omstandigheden als een overig lucratief recht als bedoeld in artikel 3.92b, vierde lid, van de Wet IB 2001 kunnen worden aangemerkt. Daartoe is in de parlementaire geschiedenis, voor zover van belang, het volgende opgenomen:
“Indien een werknemer aandelen in zijn werkgever houdt die geen lucratief belang vormen en daarnaast in het kader van zijn dienstbetrekking een optierecht verwerft om onder voorwaarden extra aandelen te verwerven, is – zo kunnen wij de leden van de fractie van het CDA antwoorden – artikel 10a van de Wet op de loonbelasting 1964 van toepassing met betrekking tot de voordelen uit het optierecht. Op grond van de rangorde regeling wordt dan niet meer toegekomen aan de vraag of het optierecht tevens een lucratief belang vormt. Daarbij maakt het niet uit of de voorwaarde waaronder de optie is verleend voorziet in een zogenoemde ratchet. Als in deze situatie de werknemer daarnaast om niet een putoptie van zijn werkgever verkrijgt die hem het recht geeft de door hem gehouden aandelen voor de oorspronkelijke kostprijs te verkopen aan zijn werkgever, dan behoort de waarde in het economische verkeer van die optie tot zijn loon. Deze putoptie valt niet onder het optiebegrip van artikel 10a van de Wet op de loonbelasting 1964. Het economische effect van deze putoptie is dat de werknemer geen neerwaarts koersrisico loopt met betrekking tot de door hem gehouden aandelen. Onder omstandigheden zou een dergelijke putoptie een lucratief belang kunnen zijn¹. De aandelen – die op zich geen lucratief belang vormen – gaan dat door de putoptie ook niet worden. Daarvoor is in deze casus onvoldoende samenhang tussen het houden van de aandelen en het verwerven van de putoptie.
[¹ Kamerstukken II 2007/08, 31 459, nr. 9, blz. 8.]
De leden van de fractie van het CDA vragen naar de gevolgen van een aandelenparticipatie waarbij een bepaling bij «goed vertrek» (good leaver) is overeengekomen die de werknemer het recht geeft de aandelen ten minste voor de kostprijs aan zijn werkgever te verkopen. In economisch opzicht is dit een voorwaardelijke putoptie die de werknemer het recht geeft de aandelen voor de initiële kostprijs te verkopen. De gevolgen van deze bepaling zijn identiek aan de hiervoor beschreven gevolgen van een putoptie. De aandelen – die op zich geen lucratief belang vormen – gaan dat door de bepaling bij «goed vertrek» ook niet worden.”
Verlies uit lucratief belang?
27. Doorgaans rust op verweerder de bewijslast om aannemelijk te maken dat sprake is van een lucratief belang. In dit geval rust de bewijslast echter op eiser, aangezien hij een verlies uit lucratief belang in aanmerking wil nemen.
28. Eiser heeft, met hetgeen hij heeft aangevoerd, niet aannemelijk gemaakt dat de verkrijging van de aandelen in 2013 en de verkrijging van de putopties in 2016 een dusdanig samenhangend geheel vormen dat de putopties uit 2016 als een voorzetting van de putopties uit 2013 moeten worden aangemerkt en dat de aandelen daarom als lucratief belang moeten worden aangemerkt. Vaststaat dat de in 2013 verkregen aandelen en putopties geen lucratief belang vormden. De uitoefenprijs van de putopties uit 2013 is gelijk aan de marktwaarde van de aandelen B. Eiser heeft met deze putopties een investeringsrisico gelopen. Dit ligt anders bij de putopties uit 2016. De putopties uit 2016 zijn namelijk enkel afgegeven om een vermogensverlies op de aandelen bij eiser te voorkomen. De uitoefenprijs van de putopties uit 2016 is immers gelijk aan het oorspronkelijk ingelegde bedrag voor de aandelen B. Eiser heeft bij het uitoefenen van die putopties geen enkel investeringsrisico op de aandelen gelopen. De putopties uit 2016 en de putopties uit 2013 verschillen naar hun aard dus aanzienlijk van elkaar. Daar komt bij dat de status van de in 2013 verkregen aandelen door de putopties uit 2016 niet is veranderd. Naar het oordeel van de rechtbank kwalificeren de aandelen dus ook na toekenning van de putopties 2016 niet als lucratief belang.
29. Eiser heeft ook anderszins niet aannemelijk gemaakt dat de aandelen als lucratief belang dienen te worden aangemerkt. De overige stellingen van eiser op dit punt zijn, naar volgt uit het vorenstaande, namelijk gebaseerd op de onjuiste aanname van eiser dat de in 2013 verkregen aandelen en putopties enerzijds en de in 2016 verkregen putopties anderzijds dusdanig met elkaar samenhangen dat de putopties uit 2016 als een voorzetting van de putopties uit 2013 moeten worden aangemerkt.
30. Eiser stelt verder dat verweerder het vertrouwensbeginsel heeft geschonden. De brief van de voormalige gemachtigde van 22 juli 2016 was gericht aan een medewerker van verweerder, die in 2014 zowel bij de vaststellingsovereenkomst als bij de in het voorafgaande vooroverleg gemaakte afspraken betrokken was. Deze medewerker heeft blijkens een tot de gedingstukken behorende e-mail intern afgestemd of het nodig was om op voormelde brief te reageren. Aangezien verweerder vervolgens niet meer inhoudelijk op voormelde brief richting eiser heeft gereageerd, heeft hij daarmee het vertrouwen gewekt dat hij ermee akkoord was om het aandelenbelang van eiser als lucratief belang aan te merken, aldus eiser.
31. Het beroep van eiser op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat in voormelde brief slechts informatie over het Addendum en het standpunt van eiser omtrent het lucratief belang aan verweerder is verstrekt. Eiser heeft in die brief niet om een inhoudelijke reactie van verweerder verzocht. Ook heeft hij in die brief niet om een vooroverleg verzocht. Verweerder was dan ook niet gehouden om op voormelde brief te reageren. Daarnaast blijkt ook verder uit niets dat verweerder ooit een (voldoende concrete) uitlating, laat staan toezegging, heeft gedaan waaraan eiser in dit verband het vertrouwen heeft kunnen of mogen ontlenen dat verweerder het aandelenbelang van eiser, ondanks de eerder in 2014 gemaakte afspraken op dit punt, alsnog vanaf 23 mei 2016 als lucratief belang heeft aangemerkt. De enkele omstandigheid dat, ook na intern overleg, een inhoudelijke schriftelijke reactie van verweerder op de brief van 22 juli 2016 is uitgebleven, brengt, anders dan eiser heeft betoogd, niet mee dat van de zijde van verweerder sprake was van een bewuste standpuntbepaling. De door eiser aangehaalde arresten van de Hoge Raadkunnen aan voormeld oordeel niet afdoen, aangezien de situaties in die arresten niet vergelijkbaar zijn met de onderhavige situatie. Van schending van het vertrouwensbeginsel is dan ook geen sprake.
32. Ook het beroep van eiser op een standpunt van de Kennisgroep Resultaat uit overige werkzaamheden van 5 februari 2026faalt. De situatie, die in het standpunt van de kennisgroep is omschreven, ziet namelijk op een geheel andere situatie dan het onderhavige geval. Voormeld standpunt van de kennisgroep is hier dus niet van toepassing.
33. Gelet op wat hiervoor is overwogen, heeft verweerder terecht geen verlies uit lucratief belang in aanmerking genomen. Het beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard.
Vergoeding van immateriële schade
34. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase wordt in dit verband als redelijk beschouwd. Daarbij geldt dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar mag duren. Als uitgangspunt voor de hoogte van de schadevergoeding hanteert de Hoge Raad een tarief van € 500 per halfjaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.
35. Verweerder heeft het bezwaarschrift van eiser op 18 september 2020 ontvangen. Verweerder heeft op 5 januari 2024 uitspraak op bezwaar gedaan. De uitspraak van de rechtbank is op 9 april 2026 gedaan. Daarmee is in beginsel de redelijke termijn met afgerond drie jaar en zeven maanden (totaal: 43 maanden) overschreden. Naar het oordeel van de rechtbank zijn, anders dan verweerder kennelijk stelt, in dit geval geen bijzondere omstandigheden aanwezig die een langere termijn dan twee jaar rechtvaardigen.
36. De redelijke termijn is in dit geval met drie jaar en zeven maanden (43 maanden) overschreden. Eiser heeft dan ook recht op een vergoeding van immateriële schade van € 4.000. Aangezien verweerder met dagtekening 5 januari 2024 uitspraak op bezwaar heeft gedaan, is de termijnoverschrijding voor € 3.163 (34/43e deel van € 4.000) toe te rekenen aan verweerder en voor € 837 (9/43e) deel van € 4.000) aan de Staat.
Proceskosten en griffierecht
37. De rechtbank ziet in de overschrijding van de redelijke termijn reden om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 233,50 (1 procespunt voor het verzoek om vergoeding van immateriële schade met een waarde per punt van € 934 en wegingsfactor 0,25). Nu de overschrijding van de redelijke beslistermijn aan zowel verweerder als de rechtbank is toe te rekenen, dienen de proceskosten door verweerder en de Staat ieder voor de helft te worden voldaan.
38. Eiser heeft reeds voor het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024verzocht om een vergoeding van immateriële schade en de redelijke termijn voor de bezwaar- en beroepsfase was op 31 mei 2024 ook al overschreden. Gelet daarop ziet de rechtbank tevens aanleiding het betaalde griffierecht van € 51 aan eiser te laten vergoeden. Verweerder en de Staat dienen ieder de helft van het griffierecht te vergoeden.