ECLI:NL:RBDHA:2026:16425
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Geen verlies uit lucratief belang bij aandelen en putopties in managementparticipatieplan
Eiser, voormalig CEO van een vennootschap, nam deel aan een managementparticipatieplan waarbij hij aandelen B en putopties verkreeg. Verweerder legde een aanslag IB/PVV op waarbij het verschil tussen marktwaarde en eigen inleg als loonvoordeel werd aangemerkt. Eiser stelde dat sprake was van een verlies uit lucratief belang door de toekenning van putopties in 2016, die samen met de aandelen uit 2013 een pakket vormden.
De rechtbank oordeelt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de aandelen en putopties uit 2013 en 2016 een economisch samenhangend geheel vormen dat kwalificeert als lucratief belang. De putopties uit 2016 voorkwamen vermogensverlies en zijn wezenlijk anders dan die uit 2013. De aandelen blijven daardoor geen lucratief belang. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat verweerder niet gehouden was te reageren op een informatieve brief en geen toezeggingen heeft gedaan.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Wel wordt een vergoeding van immateriële schade toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn met ruim drie jaar. Verweerder en de Staat worden veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht, ieder voor de helft. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag op 9 april 2026.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard omdat geen sprake is van een verlies uit lucratief belang; vergoeding immateriële schade wordt toegekend wegens termijnoverschrijding.