Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16436

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
09/268409-23
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor medeplegen van ontvoering met gebruik van taser

Op 12 oktober 2023 heeft de verdachte samen met een medeverdachte twee jonge personen, waaronder een minderjarige, wederrechtelijk van hun vrijheid beroofd in Zoetermeer. Tijdens deze ontvoering werd een taser gebruikt door de medeverdachte, wat door meerdere getuigen en slachtoffers is bevestigd. De slachtoffers werden agressief gedwongen een auto in te stappen, hun spullen af te staan en zijn urenlang vastgehouden.

De rechtbank heeft het bewezen verklaarde feit strafbaar geacht en de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 365 dagen, waarvan 324 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een taakstraf van 240 uur. De straf is lager dan de eis van de officier van justitie vanwege de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zijn spijtbetuiging, en het positieve reclasseringsadvies.

Beide slachtoffers hebben immateriële schade geleden door de ontvoering. De rechtbank kent aan elk slachtoffer een schadevergoeding van €3.000 toe, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 12 oktober 2023. De hogere schadevordering van €100.000 is afgewezen wegens onvoldoende bewijs. De verdachte is hoofdelijk aansprakelijk samen met de medeverdachte voor de schadevergoeding en proceskosten.

De rechtbank heeft tevens een schadevergoedingsmaatregel opgelegd waarbij de verdachte verplicht wordt het bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van de slachtoffers, met gijzeling als dwangmiddel bij niet-betaling. De voorlopige hechtenis is opgeheven en de verdachte is vrijgesproken van overige tenlastegelegde feiten die niet bewezen zijn verklaard.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 365 dagen gevangenisstraf, waarvan 324 voorwaardelijk, en 240 uur taakstraf voor medeplegen van ontvoering met taser; schadevergoeding van €3.000 toegekend aan beide slachtoffers.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/268409-23
Datum uitspraak: 5 juni 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 22 mei 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. N. Stolk en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. M.C. Boucher naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 12 oktober 2023 te Zoetermeer tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [aangever 1] en/of [aangever 2] wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden, door
- op dreigende en/of agressieve toon te bevelen dat zij in een auto zouden stappen
en/of
- die [aangever 2] bij de schouder te pakken en/of in die auto te duwen en/of
- een taser te tonen dan wel vast te houden en/of
- de tas van die [aangever 2] af te pakken en/of
- met die auto te gaan rijden.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich aanzien van de bewezenverklaring van het tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden in bijlage 1 opgenomen.
3.4.
Bewijsoverwegingen
De rechtbank stelt op grond van de feiten en omstandigheden als vervat in de bewijsmiddelen vast dat de verdachte de ten laste gelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving van [aangever 2] (hierna: [aangever 2] ) en [aangever 1] (hierna: [aangever 1] ) op 12 oktober 2023 heeft begaan samen met zijn mededader [medeverdachte] .
De rechtbank acht daarbij ook bewezen dat hierbij een taser is gebruikt, Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.
[aangever 2] heeft bij haar aangifte verklaard dat medeverdachte [medeverdachte] een zwarte taser tegen de rug van [aangever 1] heeft gehouden en dat hij deze taser tijdens de ontvoering in de auto heeft getoond. In de parkeergarage heeft zij volgens haar verklaring een “knettergeluid” gehoord. [aangever 1] heeft in eerste instantie niet over de taser verklaard en beide verdachten zeggen niets te weten over de taser. De rechtbank heeft evenwel geen reden om aan deze verklaring te twijfelen. [aangever 2] heeft dit zeer kort na de gebeurtenis meteen verklaard en ze blijft er ook bij. Voorts vindt haar verklaring ondersteuning in het volgende. Medeverdachte [medeverdachte] heeft de bewuste auto omstreeks 16:30 uur te Rijswijk verlaten. Hierna is hij overgestapt in een witte bus. Uit de verklaring van [getuige] blijkt dat [medeverdachte] hem omstreeks 17:00 uur met een witte bus heeft opgehaald te Rijswijk, waarna zij richting Zoetermeer zijn gereden. [medeverdachte] was de bestuurder van de witte bus. Omstreeks 18:00 uur worden [aangever 3] , [aangever 4] en [aangever 5] door (onder andere) de witte bus te Zoetermeer klemgereden. [aangever 3] verklaarde daarover dat de bestuurder van de witte bus naar hem toekwam en daarbij een gedeeltelijk zwarte taser vasthad. [aangever 4] verklaarde eveneens een taser te hebben gezien.
De rechtbank leidt uit het voorgaande af, gelet op de samenhang van de verklaringen en de korte tijdspanne tussen de gebeurtenissen, dat medeverdachte [medeverdachte] op 12 oktober 2023 een taser bij zich had bij zowel de ontvoering van [aangever 2] en [aangever 1] als bij het klemrijden van [aangever 3] , [aangever 4] en [aangever 5] . De rechtbank komt op basis hiervan en de verklaring van [aangever 2] tot het oordeel dat medeverdachte [medeverdachte] tijdens de ontvoering een taser heeft getoond.
3.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot het ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen.
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij op
of omstreeks12 oktober 2023 te Zoetermeer tezamen en in vereniging met een ander
of anderen, althans alleen,opzettelijk [aangever 1] en
/of[aangever 2] wederrechtelijk van de vrijheid heeft
/hebbenberoofd en
/ofberoofd gehouden, door
- op
dreigende en/ofagressieve toon te bevelen dat zij in een auto zouden stappen
en
/of
- die [aangever 2] bij de schouder te pakken en
/ofin die auto te duwen en
/of
- een taser te tonen
dan wel vast te houdenen
/of
- de tas van die [aangever 2] af te pakken en
/of
- met die auto te gaan rijden.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. Daarnaast is gevorderd dat aan het voorwaardelijk strafdeel bijzondere voorwaarden worden gekoppeld, inhoudende een contact- en locatieverbod.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de door de officier van justitie gevorderde strafeis aanzienlijk dient te worden gematigd, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en zijn aandeel in het ten laste gelegde feit. Daarbij dient ook in aanmerking te worden genomen dat de redelijke termijn is overschreden.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
De verdachte heeft zich tezamen en in vereniging met een ander op 12 oktober 2023 schuldig gemaakt aan een ontvoering van twee jonge personen, waarvan één nog minderjarig was. De slachtoffers zijn daarbij op agressieve wijze gedwongen om een auto in te stappen. Daarbij is door de medeverdachte een taser getoond. De slachtoffers moesten hun spullen, waaronder telefoons, afstaan en zijn urenlang in de auto ontvoerd gebleven. Tijdens de ontvoering heeft de verdachte een videogesprek gehad met een derde persoon, om vast te stellen of [aangever 2] behoorde tot de kring van het beoogde doelwit. Haar trui werd naar beneden getrokken om in haar nek te zien of ze een tatoeage had. Ook dat moet voor haar een zeer angstig moment zijn geweest.
De verdachten hebben met hun handelen gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt. Dat blijkt ook uit de ter terechtzitting voorgedragen slachtofferverklaringen. Uit de verklaring van [aangever 2] blijkt dat zij uit een diep dal heeft moeten komen en nog steeds verdrietig wordt als zij aan de gebeurtenissen terugdenkt. Voor [aangever 1] zijn de gevolgen ook groot geweest. Als gevolg van de ontvoering heeft hij (een tijd) niet kunnen werken en last van slaapproblemen gehad. Ook heeft hij een ruime tijd gevoelens van angst ervaren. De rechtbank rekent dit de verdachten sterk aan.
Alhoewel de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een ingrijpende en langdurige ontvoering, heeft de rechtbank ook oog voor de (proces)houding en rol van de verdachte. Uit de verklaringen van de slachtoffers blijkt dat de verdachte een relatief rustige houding had, hen probeerde te kalmeren en probeerde tot een oplossing te komen. Zijn rol was van een andere aard dan die van de medeverdachte, die tijdens de ontvoering juist agressief was. Daar komt bij dat de verdachte (in elk geval deels) openheid van zaken heeft gegeven. Hij heeft ter terechtzitting aangegeven veel spijt te hebben en heeft zijn excuses aangeboden aan de slachtoffers. Deze gevoelens van spijt en de excuses komen de rechtbank oprecht over en dat weegt de rechtbank mee in positieve zin.
De rechtbank constateert dat in deze zaak sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn met 8 maanden waarbinnen een strafzaak behoort te worden afgerond. De rechtbank zal daarmee rekening houden in strafmatigende zin.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 13 april 2026 en geconstateerd dat hij de afgelopen vijf jaren niet is veroordeeld en evenmin bij justitie in beeld is geweest.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 22 april 2026, waaruit volgt een positief beeld volgt. De reclassering beoordeelt verschillende leefgebieden van de verdachte als stabiel, nu sprake is van meerdere beschermende factoren. Daarnaast zijn nagenoeg geen risicofactoren gebleken. Het risico op recidive wordt dan ook ingeschat als laag. Ook heeft de verdachte een meewerkende en gemotiveerde houding laten zien in het schorsingstraject dat in de onderhavige zaak sinds 23 november 2023 van kracht is geweest. De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte een (deels) voorwaardelijke straf zonder reclasseringstoezicht, maar met de bijzondere voorwaarden van een contactverbod met de aangevers en een locatieverbod.
De rechtbank overweegt dat de ernst van het feit in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur rechtvaardigt. De rechtbank ziet echter aanleiding om in dit geval tot een lagere straf te komen dan door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank acht het, gelet op het feit dat de verdachte openheid van zaken heeft gegeven, oprecht spijt lijkt te hebben, zijn persoonlijke omstandigheden en het feit dat hij al aanzienlijke tijd in een schorsingstraject zit dat volgens de reclassering positief verloopt, niet passend om de verdachte opnieuw naar de gevangenis te sturen.
De rechtbank zal daarom een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 365 dagen, waarvan 324 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, alsmede een taakstraf voor de duur van 240 uur. De rechtbank acht het, gelet op het tijdsverloop en het gegeven dat er in de afgelopen drie jaar niets is voorgevallen tussen de verdachte en aangevers, niet noodzakelijk om aan het voorwaardelijk strafdeel de bijzondere voorwaarden van een contact- en/of locatieverbod te koppelen.

7.De vordering van de benadeelde partijen/de schadevergoedingsmaatregel

[aangever 2] en [aangever 1] hebben zich als benadeelde partijen gevoegd in het strafproces en beide een schadebedrag van € 103.000,-- gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de pleegdatum en met oplegging van een schadevergoedingsmaatregel.
Het gevorderde schadebedrag bestaat uit € 3.000,-- aan immateriële schade en is daarnaast verhoogd met € 100.000,--. De reden voor deze verhoging is dat, indien een hoger beroep zal worden ingesteld, de door benadeelden geleden schade mogelijk hoger zal zijn omdat thans nog geen definitieve eindtoestand van de psychische klachten is bereikt. Bij verslechtering van de psychische klachten zal de geleden schade – en daarmee de vordering – mogelijk meer zal zijn, zodat hiermee een mogelijkheid tot verhoging behouden blijft.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van respectievelijk [aangever 2] en [aangever 1] tot een bedrag van € 3.000,-- hoofdelijk dient te worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van een schadevergoedingsmaatregel, met niet-ontvankelijkverklaring van het overige deel.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het gedeelte van de vordering dat ziet op de verhoging van de vordering (€ 100.000,--) in verband met een eventueel hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
De vordering van [aangever 2]
is als minderjarige slachtoffer geworden van een ingrijpende en langdurige ontvoering. Uit haar verklaringen blijkt dat de ontvoering veel impact op haar heeft gehad. Zij heeft tijdens de ontvoering de gedachten gehad dat dit haar laatste momenten kon zijn. De eerste vier maanden na deze gebeurtenissen heeft zij klachten ervaren als somberheid en sociale terugtrekking. Ook heeft zij last gehad van een verhoogd gevoel van onveiligheid. Daarnaast ervaart zij nog altijd gevoelens van angst, boosheid en verdriet.
Op grond van het dossier en het onderzoek op de terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit. De wettelijke grondslag voor het toekennen van een immateriële schadevergoeding is gelegen in artikel 6:106 sub b van Pro het Burgerlijk Wetboek, nu naar het oordeel van de rechtbank de aard en de ernst van de normschending en de aard en de ernst van de gevolgen, door de benadeelde partij voldoende onderbouwde, gevolgen meebrengen dat sprake is van een aantasting in de persoon ‘op een andere wijze’. De rechtbank acht de gevorderde schadevergoeding van € 3.000,--, bij de omstandigheden van dit geval, billijk en toewijsbaar mede gelet op de uitgangspunten zoals opgenomen in de Rotterdamse Schaal.
Naar het oordeel van de rechtbank is uit het onderzoek ter terechtzitting onvoldoende gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden met betrekking tot de schadepost van € 100.000,--. De verdachte is in zoverre dan ook niet tot vergoeding daarvan gehouden, zodat de benadeelde partij daarin niet-ontvankelijk zal worden verklaard.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 12 oktober 2023, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 3.000,--, vermeerderd met de wettelijke rente daarover van 12 oktober 2023 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, te behoeve van [aangever 2] .
De vordering van [aangever 1]
is eveneens slachtoffer geworden van een ingrijpende en langdurige ontvoering. Uit zijn verklaringen blijkt eveneens dat de ontvoering veel impact op hem heeft gehad. Als gevolg van de ontvoering heeft hij in het eerste jaar daarna last gehad van slaapproblemen, gevoelens van onveiligheid en was hij niet in staat om te werken.
De rechtbank stelt op grond van het dossier en het onderzoek op de terechtzitting vast dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit. De wettelijke grondslag voor het toekennen van een immateriële schadevergoeding is gelegen in artikel 6:106 sub b van Pro het Burgerlijk Wetboek, nu naar het oordeel van de rechtbank de aard en de ernst van de normschending en de aard en de ernst van de, door de benadeelde partij voldoende onderbouwde, gevolgen meebrengen dat sprake is van een aantasting in de persoon ‘op een andere wijze’. De rechtbank acht de gevorderde schadevergoeding van € 3.000,--, bij de omstandigheden van dit geval, billijk en toewijsbaar mede gelet op de uitgangspunten zoals opgenomen in de Rotterdamse Schaal.
Naar het oordeel van de rechtbank is uit het onderzoek ter terechtzitting onvoldoende gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden met betrekking tot de schadepost van € 100.000,--. De verdachte is in zoverre dan ook niet tot vergoeding daarvan gehouden, zodat de benadeelde partij daarin niet-ontvankelijk zal worden verklaard.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 12 oktober 2023, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 3.000,--, vermeerderd met de wettelijke rente daarover van 12 oktober 2023 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, te behoeve van [aangever 1] .

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:
- 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 47 en 282 van het Wetboek van Strafrecht;
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van
365 (driehonderdvijfenzestig) DAGEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot
324 (driehonderdvierentwintig) DAGEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
veroordeelt de verdachte voorts tot:
een taakstraf voor de tijd van 240
(tweehonderdveertig) UREN;
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van
120 (honderdtwintig) DAGEN;
voorlopige hechtenis
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;
de vordering van de benadeelde partij [aangever 2] ;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 3.000,-- en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 12 oktober 2023 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangever 2] ;
bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
bepaalt dat als de mededader de toegewezen schadevergoeding/proceskosten deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;
de schadevergoedingsmaatregel;
legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 3.000,- vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 12 oktober 2023 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 2] ;
bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 30 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;
bepaalt dat als de mededader de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald en/of de betalingsverplichting aan de Staat deels of geheel heeft voldaan, de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;
bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen.
de vordering van de benadeelde partij [aangever 1] ;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 3.000,-- en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 12 oktober 2023 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangever 1] ;
bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
bepaalt dat als de mededader de toegewezen schadevergoeding/proceskosten deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;
de schadevergoedingsmaatregel;
legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 3.000,- vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 12 oktober 2023 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 1] ;
bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 30 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;
bepaalt dat als de mededader de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald en/of de betalingsverplichting aan de Staat deels of geheel heeft voldaan, de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;
bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. P. van Essen, voorzitter,
mr. R.E. Perquin, rechter,
mr. J. Schaaf, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. M.F. van Straaten, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 juni 2026.