ECLI:NL:RBDHA:2026:16441

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
NL26.30143
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a VwArt. 106 VwVreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen maatregel van bewaring vreemdeling op grond van artikel 59a Vreemdelingenwet afgewezen

De minister legde op 29 mei 2026 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet. Eiser stelde beroep in tegen deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De maatregel werd op 5 juni 2026 opgeheven nadat eiser was uitgezet naar Duitsland.

De rechtbank behandelde het beroep op 12 juni 2026 via telehoren, waarbij eiser niet aanwezig was. De rechtbank beperkte haar beoordeling tot de vraag of de tenuitvoerlegging van de bewaring onrechtmatig was geweest en of schadevergoeding toekwam. De minister voerde aan dat eiser binnen 24 uur na oplegging van de maatregel was overgebracht naar het detentiecentrum Rotterdam, hetgeen door toegevoegde stukken werd bevestigd.

De rechtbank oordeelde dat eiser onder de juiste wettelijke grondslag viel en dat de zware en lichte gronden voor bewaring niet waren betwist. Er was een concreet aanknopingspunt voor overdracht aan Duitsland, dat akkoord was gegaan met het claimverzoek. De rechtbank vond dat de minister terecht geen lichter middel toepaste en dat de medische en psychische omstandigheden van eiser voldoende waren betrokken. Er was geen aanleiding om de maatregel onrechtmatig te achten.

Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.30143

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

v-nummer: [v-nummer],
(gemachtigde: mr. L.J. Meijering),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).

Procesverloop

1. De minister heeft op 29 mei 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw [1] opgelegd.
1.1.
Eiser heeft tegen de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
Op 5 juni 2026 heeft de minsister de maatregel van bewaring opgeheven omdat eiser is uitgezet naar Duitsland.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 12 juni 2026, met behulp van telehoren, op zitting behandeld. Eiser is niet verschenen. De waarnemer van de gemachtigde van eiser, mr. F. Boone, is op het detentiecentrum Rotterdam verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde op de rechtbank in Groningen. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eisers een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:
(zware gronden)3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
(lichte gronden)4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3.1.
De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister gemotiveerd waarom een minder dwingende maatregel (lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.
3.2.
Hierna beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de maatregel van bewaring. Daarbij bespreekt zij de beroepsgronden en toetst zij de rechtmatigheid van de bewaring ambtshalve.
Verblijf in politiecel
4. Eiser stelt dat op basis van de stukken in het dossier niet kan worden nagegaan of eiser binnen 24 uur na aanvang van de maatregel in bewaring is overgebracht naar het detentiecentrum in Rotterdam. Volgens eiser hadden de betreffende stukken in het dossier moeten zijn opgenomen. Eiser verzet zich tegen een eventuele latere aanvulling van het dossier. Eiser verzoekt de maatregel daarom onrechtmatig te achten en verzoekt om toekenning van schadevergoeding.
4.1.
Op verzoek van de rechtbank heeft de minister alsnog stukken toegevoegd waaruit zou blijken dat eiser binnen 24 uur na aanvang van de maatregel van bewaring is overgebracht naar het detentiecentrum in Rotterdam. Dit heeft de minister gedaan op de dag van de zitting. Uit het toegevoegde stuk blijkt dat eiser op 29 mei 2026 om 16:00 uur is aangekomen in het detentiecentrum te Rotterdam. Daaruit volgt dat eiser binnen 24 uur na oplegging van de maatregel is overgebracht. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Grondslag en gronden
5. De rechtbank is van oordeel dat eiser valt onder de in artikel 59a van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. Er bestaat een concreet aanknopingspunt voor een overdracht zoals bedoeld in de Dublinverordening. Op 17 februari 2026 heeft Duitsland namelijk akkoord gegeven op het door Nederland ingediende claimverzoek. De maatregel is op de juiste grondslag opgelegd.
5.1.
De rechtbank stelt vast dat eiser de zware en lichte gronden niet heeft betwist. De rechtbank ziet ook ambtshalve toetsend geen aanleiding voor het oordeel dat de gronden de maatregel van bewaring niet kunnen dragen.
Lichter middel
6. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan de maatregel van bewaring op te leggen. In dit kader acht de rechtbank van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, de gronden de maatregel van bewaring kunnen dragen en dat hiermee het significante risico op onttrekking is gegeven.
6.1.
Daarnaast stelt de rechtbank vast dat de psychische en medische omstandigheden van eiser kenbaar zijn gemaakt en voldoende zijn betrokken bij de oplegging van de maatregel. De minister heeft in de maatregel eiser erop gewezen dat in de detentie- en uitzetcentra gespecialiseerde zorg aanwezig is en dat, als deze zorg niet voldoende kan worden geboden, eiser kan worden overgeplaatst naar een regulier ziekenhuis, een penitentiair psychiatrisch centrum of een gesloten gezondheidsinstelling. In dit verband heeft de minister terecht gesteld dat de medische zorgverlening binnen de detentie- en uitzetcentra gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij.
6.2.
Verder is de rechtbank niet gebleken van persoonlijke belangen van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin de minister aanleiding had moeten zien eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen.
Voortvarend handelen en zicht op overdracht
7. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de overdracht van eiser en dat zicht op overdracht niet ontbreekt. Eiser is inmiddels uitgezet naar Duitsland.

Conclusie en gevolgen

8. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel onrechtmatig is. [2]
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Wetterauw, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Zie ook de arresten Adrar van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647) en Aroja van het Hof van 5 maart 2026 (ECLI:EU:C:2026:148).