Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16448

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
09/133595-25
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 47 SrArt. 57 SrArt. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 26 Wet wapens en munitie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor bezit grote hoeveelheden heroïne, cocaïne en vuurwapens

De rechtbank Den Haag heeft de verdachte veroordeeld voor het opzettelijk aanwezig hebben van circa 615 gram heroïne en 101 kilogram cocaïne, alsmede het voorhanden hebben van een machinepistool en een pistool met bijbehorende munitie. De heroïne werd aangetroffen in een versnijdingspand, waarbij de verdachte aanwezig was en medeplegen werd vastgesteld. Bij een latere politie-inval in de woning van de verdachte werden de cocaïne, vuurwapens en munitie gevonden.

De doorzoeking van de woning was onrechtmatig omdat er geen machtiging van de rechter-commissaris was voor het openen van een nachtkastlade, wat leidde tot een onherstelbaar vormverzuim. De rechtbank oordeelde echter dat het belang van waarheidsvinding en vervolging zwaarder woog dan het vormverzuim, waardoor bewijsuitsluiting niet aan de orde was, maar wel strafvermindering van een half jaar werd toegepast.

De verdachte had geen aannemelijke verklaring voor zijn DNA-sporen op handschoenen en blikjes in de versnijdingskamer, en zijn aanwezigheid aldaar werd bevestigd. De strafmaat werd bepaald op basis van landelijke oriëntatiepunten, de ernst van de feiten, het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden. De rechtbank legde een gevangenisstraf van 66 maanden op, met aftrek van voorarrest.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 66 maanden gevangenisstraf met strafvermindering wegens onrechtmatige doorzoeking.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/133595-25
Datum uitspraak: 16 juni 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres 1] ,
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] , locatie [locatie] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 5 november 2025, 20 januari 2026, 19 maart 2026 (alle pro forma) en 2 juni 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. L.G. de Graaf en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. G.A.J. Purperhart naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 14 november 2024 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 615.6 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2
hij op of omstreeks 30 april 2025 te Rotterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 101 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
3
hij op of omstreeks 30 april 2025 te Rotterdam een wapen van categorie II, onder 2 van de Wet wapens en munitie, te weten een machinepistool, van het merk CZ Scorpion, type Vz 61, kaliber 7.65mm zijnde een vuurwapen geschikt om automatisch te vuren en/of (bijbehorende) munitie van categorie III van de wet wapens en munitie, te weten kogelpatronen, van het merk S&B, kaliber 7.65mm voorhanden heeft gehad;
4
hij op of omstreeks 30 april 2025 te Rotterdam een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten pistool, van het merk Glock, type model 26, kaliber 9mm zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool en/of (bijbehorende) munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten kogelpatronen van het merk MXT, kaliber 9mm en/of (bijbehorende) onderdeel/hulpstuk van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een patroonmagazijn van het merk Pmag, kaliber 9mm, met een opslagcapaciteit van 50 kogelpatronen, voorhanden heeft gehad.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit.
3.3.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in de bijlage de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden opgenomen.
3.4.
Bewijsoverwegingen
Ten aanzien van feit 1
Inleiding
Op 14 november 2024 hebben toezichthouders van de gemeente Rotterdam een controle uitgevoerd in een woning aan het adres [adres 2] in Rotterdam (‘de woning’), waarbij op de derde etage een kamer ingericht voor het versnijden van drugs en 615,5 gram heroïne is aangetroffen. Tijdens de controle waren een persoon die de deur opendeed – [naam 1] – en drie andere mannen in de woning aanwezig. Eén van deze mannen had geen identiteitsbewijs bij zich en verklaarde tegenover een verbalisant dat hij [naam 2] (‘ [naam 2] ’) was. De verbalisant heeft de gegevens van [naam 2] in de politiesystemen opgezocht, gezien dat in de systemen een politiefoto van [naam 2] aanwezig was en vastgesteld dat hij op deze foto de man herkende die op dat moment tegenover hem stond. Een aantal dagen later is [naam 2] in zijn woning aangehouden. [naam 2] heeft vervolgens bij de politie stellig ontkend op 14 november 2024 in de woning te zijn geweest. Hij heeft daarbij het vermoeden geuit dat iemand anders, te weten de verdachte, zijn ( [naam 2] ’s) persoonsgegevens heeft opgegeven. Naderhand heeft de verbalisant, die eerder had vastgesteld dat hij [naam 2] aan de hand van de politiefoto herkende, een aanvullend proces-verbaal opgemaakt waarin staat dat het niet [naam 2] , maar de verdachte was die tijdens de controle op 14 november 2024 tegenover hem stond.
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de verdachte ten tijde van de controle in de woning aanwezig was en – zo ja – of hij wetenschap had van de aanwezigheid van heroïne in de woning.
Aanwezigheid van verdachte in de woning
De rechtbank is van oordeel dat het de verdachte is geweest die ten tijde van de controle in de woning aanwezig was en overweegt hiertoe als volgt.
De verbalisant heeft in het aanvullend proces-verbaal uitgebreid beschreven en verantwoord hoe de controle op 14 november 2024 is verlopen, waarom hij ten onrechte meende [naam 2] aan de hand van de politiefoto te herkennen en waarom hij met zekerheid corrigeert dat de verdachte de persoon was die hij op dat moment controleerde. Kort samengevat heeft de verbalisant benoemd dat de persoon de achternaam van [naam 2] met één letter verkeerd op de diensttelefoon van de verbalisant had ingevoerd, maar dat hij wel een correcte voorletter en geboortedatum had opgegeven. Daarnaast gaf de persoon een woonadres op waar [naam 2] niet op stond geschreven, maar wees hij daarna via Google Streetview een woning aan waar [naam 2] in het verleden op ingeschreven stond. De verbalisant constateerde vervolgens dat de persoon die tegenover hem stond gelijkenissen vertoonde met de foto van [naam 2] in de politiesystemen: beiden hadden zwart hoofdhaar, een zwarte baard en een gezet gezicht met lichtgetinte huidskleur. Het was op dat moment echter avond, er was slechts schemerverlichting in het portiek aanwezig en de foto op de diensttelefoon van de verbalisant was zeer klein. Uiteindelijk is de verbalisant op 30 april 2025 fysiek met de verdachte geconfronteerd tijdens zijn inverzekeringstelling en hierbij heeft hij de verdachte herkend als de persoon die tijdens de controle op 14 november 2024 tegenover hem stond.
De rechtbank vindt de door de verbalisant omschreven onjuiste herkenning slordig, maar acht een vergissing onder de door hem beschreven omstandigheden voorstelbaar en ook aannemelijk. Aangezien processen-verbaal op ambtseed worden opgemaakt, gaat de rechtbank ervan uit dat de verbalisant na een nadere beschouwing tot de conclusie is gekomen dat het werkelijk de verdachte is geweest die tijdens de controle tegenover hem stond. De rechtbank twijfelt dan ook niet aan de betrouwbaarheid van de uiteindelijke herkenning van de verdachte door de verbalisant, waardoor kan worden geconcludeerd dat de verdachte tijdens de controle in de woning aanwezig was en hierbij valse persoonsgegevens heeft opgegeven.
Wetenschap van aanwezigheid verdovende middelen
Voor een bewezenverklaring van het opzettelijk aanwezig hebben van verdovende middelen is vereist dat deze zich in de machtssfeer van de verdachte bevonden en dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid daarvan. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
Ten eerste is reeds vastgesteld dat de verdachte tijdens de controle valse persoonsgegevens heeft opgegeven, waaruit kan worden afgeleid dat hij kennelijk zijn aanwezigheid in de woning heeft willen vervullen.
Ten tweede zijn in de versnijdingskamer meerdere (rubberen) handschoenen en (frisdrank)blikjes aangetroffen die door het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) op de aanwezigheid van DNA-materiaal zijn onderzocht. Uit dat onderzoek wordt door het NFI het volgende geconcludeerd. Bij een handschoen is aan de binnenzijde een DNA-mengprofiel aangetroffen dat van minimaal twee personen afkomstig is. De match van het DNA-profiel aan de binnenkant van deze handschoen met het DNA-profiel van verdachte is meer dan één miljard keer waarschijnlijker als het DNA van verdachte afkomstig is dan van een willekeurig ander persoon. Daarnaast is bij een andere handschoen aan de binnenzijde een enkel DNA-profiel aangetroffen. Ook hierbij is de match van het DNA-profiel aan de binnenkant van de handschoen met het DNA-profiel van verdachte meer dan één miljard keer waarschijnlijker als het DNA van verdachte afkomstig is dan van een willekeurig ander persoon. Ook is bij een blikje aan de drinkrand een DNA-mengprofiel aangetroffen dat van minimaal twee personen afkomstig is. De match van het DNA-profiel aan de drinkrand van dit blikje met het DNA-profiel van verdachte is meer dan één miljard keer waarschijnlijker als het DNA van verdachte afkomstig is dan van een willekeurig ander persoon. Tot slot is bij een ander blikje aan de drinkrand een enkel DNA-profiel aangetroffen. Wederom geldt dat de match van het DNA-profiel aan de drinkrand van het blikje met het DNA-profiel van verdachte meer dan één miljard keer waarschijnlijker is als het DNA van verdachte afkomstig is dan van een willekeurig ander persoon.
De rechtbank concludeert uit de bevindingen van het NFI dat het DNA van de verdachte daadwerkelijk op de handschoenen en blikjes zijn aangetroffen en merkt, gelet op alle omstandigheden, deze sporen aan als dadersporen die aan de verdachte zijn te koppelen. Hierbij neemt de rechtbank in het bijzonder in aanmerking dat het DNA van de verdachte aan de binnenkant van de handschoenen is aangetroffen, wat erop duidt dat de handschoenen door de verdachte zijn gedragen, en dat bij één handschoen en één blikje enkel het DNA van de verdachte – en dus niet dat van andere personen – is aangetroffen, wat erop duidt dat enkel de verdachte met die voorwerpen contact heeft gemaakt. Gelet daarop acht de rechtbank de verklaring van de verdachte, inhoudende dat hij de medeverdachten kent en dat zijn DNA op de voorwerpen terecht kan zijn gekomen doordat hij weleens op hun verzoek handschoenen en blikjes drinken heeft gekocht, onaannemelijk.
Ten derde heeft een verbalisant waargenomen dat, terwijl [naam 1] aan de voordeur met de politie in gesprek was, drie personen op de derde verdieping door een raam naar buiten aan het kijken waren. Dit betrof het raam van – naar later bleek – de versnijdingskamer. Omdat op dat moment [naam 1] bij de voordeur stond en er naast hem slechts drie mannen – onder wie de verdachte – in de woning aanwezig waren, kan het niet anders dan dat de verdachte één van de personen is geweest die uit het raam van de versnijdingskamer keek.
Al het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, leidt de rechtbank tot de conclusie dat de verdachte zich die dag in de versnijdingskamer van de woning bevond en dat zijn aanwezigheid daar verband hield met de in die kamer aangetroffen heroïne(poeder). Deze verdovende middelen en andere aan drugs gerelateerde voorwerpen, zoals verpakkingsmateriaal en een weegschaal, stonden op een tafel in de kamer en waren voor iedereen in de kamer duidelijk waarneembaar. De verdovende middelen bevonden zich dan ook in de machtssfeer van de verdachte en hij had wetenschap van de aanwezigheid van deze verdovende middelen.
Medeplegen
De rechtbank leidt uit de omstandigheid dat de verdachte en twee andere personen uit het raam van de versnijdingskamer hebben gekeken af, dat hij samen met deze personen in de versnijdingskamer aanwezig was en dat het handelen van de verdachte als medeplegen valt aan te merken.
Ten aanzien van feiten 2, 3 en 4
Inleiding
Op 30 april 2025 heeft de politie de woning van de verdachte in Rotterdam voor zijn aanhouding en ter inbeslagname van telefoons en/of gegevensdragers met machtiging van de hulpofficier van justitie betreden. Nadat de verdachte was aangehouden, heeft een verbalisant een lade van een nachtkastje (verder) geopend en daarin twee vuurwapens met bijbehorende munitie aangetroffen. Een machtiging voor een doorzoeking van de woning was op dat moment echter niet afgegeven. Volgens de verbalisant had hij de lade (verder) geopend, omdat het uiteinde van een oplaadkabel in de lade lag en hij hierdoor het vermoeden had dat er zich een telefoon in de lade bevond. Naar aanleiding van de vondst van de vuurwapens is vervolgens besloten om de woning verder te doorzoeken op grond van de Wet Wapens en Munitie en hierbij heeft de politie in een kledingkast een (leeg) patroonmagazijn en 101 kilogram cocaïne aangetroffen. Kort hierna is de doorzoeking op last van de rechter-commissaris afgebroken.
Onherstelbaar vormverzuim
De rechtbank is, met de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat vanaf het moment dat de lade van het nachtkastje werd geopend, van een onrechtmatige doorzoeking sprake is geweest. Er is op geen enkel moment een machtiging voor de doorzoeking afgegeven door de rechter-commissaris, wat de wet (artikel 110 van Pro het Wetboek van Strafvordering) wel vereist. Daarom waren de verbalisanten niet tot het doorzoeken van de woning bevoegd. Dat desondanks een (onrechtmatige) doorzoeking heeft plaatsgevonden, levert een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv op.
Rechtsgevolg vormverzuim
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of aan het vastgestelde vormverzuim een rechtsgevolg dient te worden verbonden en – zo ja – welk rechtsgevolg. Daarbij moet rekening worden gehouden met het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat door het verzuim is veroorzaakt. In dit kader heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de bij de doorzoeking aangetroffen vuurwapens, munitie en cocaïne van het bewijs dienen te worden uitgesloten en heeft de officier van justitie betoogd dat met strafvermindering kan worden volstaan, waardoor de aangetroffen voorwerpen wel voor het bewijs kunnen worden gebruikt.
Uit jurisprudentie van de Hoge Raad (zie Hoge Raad 23 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:975) volgt dat in zaken waarin geen sprake is van een vormverzuim dat betrekking heeft op het recht op een eerlijk proces, voortvloeiend uit artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), maar op een ander strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel (zoals in dit geval het recht op privéleven van artikel 8 EVRM Pro), bij de beoordeling van de vraag of bewijsuitsluiting gerechtvaardigd is, acht moet worden geslagen op de negatieve effecten die aan bewijsuitsluiting zijn verbonden, gelet op de zwaarwegende belangen van waarheidsvinding, van de vervolging en berechting van (mogelijk zeer ernstige) strafbare feiten en in voorkomend geval van de rechten van slachtoffers. Voor het bepalen van de ernst van het vormverzuim kan volgens de Hoge Raad mede betekenis toekomen aan het verwijt dat aan politie en justitie kan worden gemaakt en aan de omstandigheid dat een vormverzuim zich bij herhaling blijkt voor te doen, maar ook aan de omstandigheid dat door politie en justitie al maatregelen zijn getroffen om (verdere) herhaling tegen te gaan.
De rechtbank stelt vast dat tijdens de onrechtmatige doorzoeking van de woning van de verdachte een pistool, een automatisch vuurwapen, bijbehorende munitie, een (leeg) patroonmagazijn en een grote hoeveelheid cocaïne is gevonden. Het bezit van dit soort wapens met munitie en zulke grote hoeveelheden verdovende middelen betreffen zeer ernstig strafbare feiten, waardoor het belang van waarheidsvinding en van de vervolging en berechting in dit soort zaken extra groot is. De rechtbank is verder van oordeel dat weliswaar sprake is van een inbreuk op het recht op privéleven van de verdachte, maar dat de omvang van deze inbreuk relatief beperkt is. De verbalisanten waren immers bevoegd om de woning van de verdachte binnen te treden om hem aan te houden, zodat in zoverre sprake is van een gerechtvaardigde inbreuk op zijn privéleven. De onrechtmatige inbreuk ziet uitsluitend op het openen van de lade van zijn nachtkastje, hetgeen onder deze omstandigheden niet kan worden aangemerkt als een zeer ernstige schending van artikel 8 van Pro het EVRM. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de betrokken verbalisant slechts een beperkt verwijt kan worden gemaakt van diens handelswijze. De lade van het nachtkastje was immers al een stukje geopend en doordat zichtbaar was dat van buiten de lade een kabeltje in de lade verdween, is de gedachte van de verbalisant dat er mogelijk een telefoon vastzat aan het kabeltje, voorstelbaar. Tot slot is de rechtbank niet gebleken dat het geconstateerde vormverzuim – het onrechtmatig doorzoeken van een woning van een aangehouden verdachte – zich bij herhaling voordoet en bovendien is door het afwijzen van de rechter-commissaris van de alsnog gevorderde doorzoeking van de woning, tegengegaan dat de onrechtmatige doorzoeking zou worden voortgezet.
Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het vastgestelde vormverzuim niet tot bewijsuitsluiting dient te leiden en dat met strafvermindering kan worden volstaan. De resultaten van de doorzoeking in de woning kunnen voor het bewijs worden gebruikt.
Bezit wapens, munitie en verdovende middelen
Voor de bewoner van een woning geldt dat hij in beginsel wetenschap heeft van en beschikkingsmacht heeft over de voorwerpen die zich in zijn woning bevonden. Dat kan anders zijn onder bijzondere omstandigheden, maar daarvan is in dit geval niet gebleken. De verdachte heeft immers geen verklaring afgelegd over de aanwezigheid van de illegale goederen in zijn woning. Daarmee luidt de conclusie dat de verdachte de aangetroffen illegale goederen opzettelijk aanwezig dan wel voorhanden heeft gehad en daarom acht de rechtbank feiten 2, 3 en 4 bewezen.
3.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1
hij op 14 november 2024 te Rotterdam tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk aanwezig heeft gehad 615
,6 gram heroïne, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
2
hij op 30 april 2025 te Rotterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad 101 kilogram cocaïne, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
3
hij op 30 april 2025 te Rotterdam een wapen van categorie II, onder 2 van de Wet wapens en munitie, te weten een machinepistool, van het merk CZ Scorpion, type Vz 61, kaliber 7.65mm
,zijnde een vuurwapen geschikt om automatisch te vuren en bijbehorende munitie van categorie III van de wet wapens en munitie, te weten kogelpatronen, van het merk S&B, kaliber 7.65mm
,voorhanden heeft gehad;
4
hij op 30 april 2025 te Rotterdam een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten
eenpistool, van het merk Glock, type model 26, kaliber 9mm
,zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool en bijbehorende munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten kogelpatronen van het merk MXT, kaliber 9mm
,en
eenbijbehorend hulpstuk van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een patroonmagazijn van het merk Pmag, kaliber 9mm, met een opslagcapaciteit van 50 kogelpatronen, voorhanden heeft gehad.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 66 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit om – in geval van een veroordeling – een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, dan wel een gevangenisstraf van hoogstens 36 maanden, op te leggen.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich ten eerste schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van grote hoeveelheden heroïne en cocaïne. De verspreiding van en handel in harddrugs gaan gepaard met vele andere vormen van zware en ondermijnende criminaliteit. De grootschalige (internationale) handel in verdovende middelen heeft een ontwrichtende invloed op de samenleving. Er gaan in deze handel grote sommen geld om, waardoor de financiële belangen van de daders vaak groot zijn. Van de georganiseerde drugshandel gaat bovendien in toenemende mate een ondermijnend en corrumperend effect uit, zoals het omkopen van douanebeambten of haven- of transportmedewerkers. Boven- en onderwereld raken zodoende steeds meer met elkaar verweven. Deze vormen van corruptie tasten het onderlinge vertrouwen binnen de samenleving in hoge mate aan en ondermijnen daarmee onze democratische rechtsstaat. Verder is het algemeen bekend dat verdovende middelen een schadelijke en verslavende werking voor de gebruikers daarvan kunnen hebben.
Om financiële belangen te beschermen, wordt (extreem) geweld in het criminele circuit vaak niet geschuwd. Vrijwel alle liquidaties die in dit milieu worden gepleegd, zijn direct of indirect het gevolg van conflicten in de onderwereld met betrekking tot deze drugshandel. Die link met (vuurwapen)geweld kan ook in deze zaak worden gelegd, aangezien in de woning van de verdachte twee werkende vuurwapens en bijbehorende munitie zijn aangetroffen. Het ongecontroleerde bezit van wapens brengt in zijn algemeenheid een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich en leidt tot gevoelens van onveiligheid in de maatschappij.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 10 maart 2026, waaruit blijkt dat hij ook in 2023 en 2020 voor drugsgerelateerde strafbare feiten is veroordeeld. De rechtbank zal hier in strafverzwarende zin rekening mee houden.
Persoon van de verdachte
De verdachte heeft op de terechtzitting verklaard dat hij als laadpaaltechnicus werkte en dit werk direct weer kan oppakken als hij in vrijheid wordt gesteld. Daarnaast is de verdachte door zijn detentie zijn huurwoning kwijtgeraakt.
LOVS-oriëntatiepunten
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Als uitgangspunt geldt bij het aanwezig hebben van meer dan twintig kilogram aan harddrugs in organisatorisch verband een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van minimaal vier jaar. Uit het dossier kan worden afgeleid dat het handelen van de verdachte op een veelvoud van deze hoeveelheid betrekking heeft. Daarnaast gelden bij het voorhanden hebben van een vuurwapen in een woning als uitgangspunten voor een wapen van categorie III, onder 1, een gevangenisstraf van vier maanden en voor een wapen van categorie II, onder 2, een gevangenisstraf van één jaar.
De op te leggen straf
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Alles afwegende acht de rechtbank in beginsel een gevangenisstraf van zes jaar passend en geboden. De rechtbank zal echter, gelet op het eerder geconstateerde vormverzuim, strafvermindering van een half jaar toepassen en de duur van de gevangenisstraf matigen tot 66 maanden, met aftrek van het aantal dagen dat de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.

7.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
- 47 en 57, van het Wetboek van Strafrecht;
- 2 en 10 van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst I;
- 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

8. De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod;
ten aanzien van feit 2:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod;
ten aanzien van feit 3:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
ten aanzien van feit 4:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een
gevangenisstrafvoor de duur van
66 (ZESENZESTIG) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J. Schaaf, voorzitter,
mr. L.K. van Zaltbommel, rechter,
mr. J.L.E. Bakels, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. F. Aksu, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 juni 2026.