Verzoeker heeft een aanvraag ingediend om in Nederland te verblijven onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming, welke door de minister van Asiel en Migratie op 9 maart 2026 is afgewezen. Hiertegen maakte verzoeker bezwaar en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen, zodat hij het besluit op bezwaar in Nederland kan afwachten met recht op opvang.
De minister heeft op 20 mei 2026 laten weten zich niet te verzetten tegen de toewijzing van deze voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter oordeelt dat op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onverwijlde spoed bestaat om de voorziening toe te wijzen.
De voorzieningenrechter beveelt dat de minister zich onthoudt van uitzetting of voorbereidingen daartoe en dat verzoeker recht heeft op opvang totdat op het bezwaar is beslist. Tevens wordt de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van € 934,-. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.