Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16465

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
NL26.11843 en NL26.11844
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens vertrek met onbekende bestemming in asielprocedure

De minister van Asiel en Migratie stelde de asielaanvraag van eiser buiten behandeling en legde een terugkeerbesluit op. Eiser, van Oekraïense nationaliteit, stelde hiertegen beroep in en verzocht om een voorlopige voorziening. Tijdens de zitting op 18 juni 2026 was de gemachtigde van eiser aanwezig, maar eiser zelf was met onbekende bestemming vertrokken en had geen contact meer met zijn gemachtigde.

De rechtbank overwoog dat uit vaste rechtspraak volgt dat een vreemdeling die zonder mededeling van verblijfplaats vertrekt, geacht wordt geen prijs meer te stellen op bescherming in Nederland, tenzij hij nog contact onderhoudt met zijn gemachtigde. Nu eiser geen contact meer had en de minister had vastgesteld dat hij met onbekende bestemming was vertrokken, werd aangenomen dat hij geen belang meer had bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep.

Het standpunt van eiser dat hij door toedoen van de Dienst Terugkeer en Vertrek met onbekende bestemming was vertrokken, maakte dit niet anders. De rechtbank wees het beroep daarom niet-ontvankelijk en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens vertrek met onbekende bestemming zonder contact met gemachtigde.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.11843 en NL26.11844
proces-verbaal van de mondeling uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 18 juni 2026 in de zaak tussen

[naam], eiser,

geboren op [geboortedatum],
van Oekraïense nationaliteit,
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. W. Spijkstra),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. B.W. Zagers).

Inleiding

1. Op 24 februari 2026 heeft de minister de asielaanvraag van eiser buiten behandeling gesteld. Ook is aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening, op 18 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister deelgenomen.
1.2.
Na afloop van de behandeling van de zaak op zitting is onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Overwegingen

2. De minister heeft in het voornemen en in het bestreden besluit aangegeven dat uit informatie van het COa [1] blijkt dat eiser op 3 juli 2025 met onbekende bestemming is vertrokken.
2.1.
De gemachtigde van eiser heeft de rechtbank desgevraagd op 15 juni 2026 bericht dat hij geen contact meer heeft met eiser. Daarbij is gesteld dat eiser belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep omdat eiser door toedoen van de DT&V [2] met onbekende bestemming is vertrokken. De familieleden van eiser hebben namelijk aan de gemachtigde aangegeven dat zij een gesprek hebben gehad met DT&V waarin nadrukkelijk werd medegedeeld dat zij, ondanks een toegewezen voorlopige voorziening bij de Afdeling [3] , onmiddellijk moesten vertrekken. De familieleden zijn naar aanleiding hiervan vertrokken omdat zij vreesden opnieuw in bewaring te worden gesteld. Eiser is met hen meegegaan.
3. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of eiser nog een concreet en reëel belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep.
3.1.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat wanneer een vreemdeling, die een asielaanvraag heeft ingediend, met onbekende bestemming vertrekt zonder aan de minister te laten weten waar hij verblijft, er in principe vanuit wordt gegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem in eerste instantie gezochte bescherming in Nederland. Dit is alleen anders als een vreemdeling nog contact met zijn gemachtigde onderhoudt. [4]
3.2.
In dit geval heeft eiser de opvang verlaten, de minister en de gemachtigde niet op de hoogte gesteld van zijn verblijfsplaats en heeft hij ook geen contact meer met zijn gemachtigde. Dit maakt dat de rechtbank ervan uitgaat dat eiser geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland of een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Het standpunt van eiser dat hij door toedoen van de DT&V met onbekende bestemming zou zijn vertrokken maakt dit niet anders. De minister heeft op 4 juni 2025 medegedeeld dat de asielaanvraag van eiser verder behandeld zou worden in de nationale procedure. Eiser is daarna vertrokken. De minister heeft terecht overwogen dat het voor eigen rekening en risico van eiser komt dat hij zijn asielprocedure niet in Nederland heeft afgewacht maar ervoor heeft gekozen om met zijn familieleden mee te gaan.
4. Gelet op het voorgaande is het beroep niet-ontvankelijk. Eiser krijgt daarom geen vergoeding van zijn proceskosten.
5. Omdat op het beroep is beslist, is geen voorlopige voorziening meer nodig. Het verzoek daartoe wordt afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
6. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Deze uitspraak is uitsproken is het openbaar op 18 juni 2026 door mr. A. Sibma, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. V. Vegter, griffier, en gepubliceerd door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
binnen één weekna de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Centraal Orgaan opvang asielzoekers.
2.Dienst Terugkeer en Vertrek.
3.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
4.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662.