ECLI:NL:RBDHA:2026:16466

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
NL25.41920
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.L.M. Steinebach - de Wit
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30b VwArt. 28 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging terugkeerbesluit en inreisverbod voor Somalische asielzoeker met Griekse status

Eiser, een Somalische minderjarige van de Gabooye stam, verzocht om asiel in Nederland nadat hij internationale bescherming had gekregen in Griekenland. De minister wees zijn asielaanvraag af als kennelijk ongegrond vanwege tegenstrijdige verklaringen over zijn vader en rekrutering door Al Shabaab. Tevens vaardigde de minister een terugkeerbesluit en inreisverbod uit.

De rechtbank oordeelt dat de minister terecht de asielaanvraag afwees wegens inconsistenties, maar dat het terugkeerbesluit en inreisverbod onrechtmatig zijn omdat de minister de uitkomst van de Nederlandse beoordeling niet met de Griekse autoriteiten heeft gedeeld, noch heeft vernomen of zij de Griekse status willen intrekken.

De rechtbank vernietigt daarom het terugkeerbesluit en inreisverbod, laat de afwijzing van de asielaanvraag in stand, en draagt de minister op om contact op te nemen met Griekenland over de status. Tevens wordt de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Het terugkeerbesluit en inreisverbod worden vernietigd, de afwijzing van de asielaanvraag blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.41920

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. E. Ebes),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. G. Douma).

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag [1] van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag van eiser in stand kan blijven maar dat geen terugkeerbesluit en inreisverbod tegen eiser hadden mogen worden uitgevaardigd. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

Eiser heeft een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het besluit van 27 augustus 2025 (hierna: het bestreden besluit) deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 9 april 2026, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep [2] , op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Als tolk was S. Abdiqadir aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

Inleiding
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 2005 en stelt de Somalische nationaliteit te hebben. Hij heeft in april 2022 Somalië verlaten en is via Turkije naar Griekenland gegaan. Hij heeft daar op 1 juli 2022 een asielaanvraag ingediend. Op 17 juli 2022 hebben de Griekse autoriteiten hem internationale bescherming verleend. Op 1 december 2022 heeft eiser Griekenland verlaten en is hij via België naar Nederland gereisd. Op 3 december 2022 heeft hij hier een asielaanvraag ingediend.
Het asielrelaas
2. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser komt uit [plaats] en behoort tot de Gabooye, een minderheidsstam. Zijn vader is overleden toen hij nog heel jong was, in 2010. Omdat eiser tot de Gabooye behoort, is hij door andere kinderen gepest, buitengesloten en gediscrimineerd. Ook kreeg hij daarom geen toegang tot regulier onderwijs en medische zorg. Eiser heeft ook problemen gehad met Al Shabaab. Hij is twee keer door Al Shabaab ontvoerd vanuit de Koranschool. Bij de tweede keer hebben ze eiser meegedeeld dat hij zich binnen vijf dagen zou moeten melden om zich bij Al Shabaab aan te sluiten. Dit wilde eiser niet. Eiser heeft daarop met hulp van de werkgeefster van zijn moeder Somalië verlaten.
Het bestreden besluit
3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
- identiteit, nationaliteit en herkomst;
- de problemen vanwege het behoren tot de Gabooye stam;
- de problemen met Al Shabaab.
De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig, met uitzondering van de door eiser gestelde leeftijd. Dat eiser vanwege het behoren tot de Gabooye is gepest en bespuugd door anderen en dat hij dit als discriminerend heeft ervaren, heeft de minister geloofwaardig geacht. De minister acht echter niet geloofwaardig dat eiser is uitgesloten van onderwijs, medische zorg en sociale activiteiten omdat zijn verklaringen hierover geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. De minister acht de gestelde problemen met Al Shabaab eveneens ongeloofwaardig omdat ook die verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Daarnaast kan eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig worden beschouwd omdat hij tegenstrijdig heeft verklaard over zijn vader en de wijze van rekrutering door Al Shabaab.
De geloofwaardig geachte motieven leiden volgens de minister niet tot vluchtelingschap. Evenmin bestaat voor eiser een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Somalië. In [plaats] is sprake van een relatief lager niveau van willekeurig geweld en eiser heeft niet met individuele omstandigheden aannemelijk gemaakt dat hij een verhoogd risico loopt op willekeurig geweld.
De minister heeft de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond omdat eiser kennelijk inconsequente en tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd.
Tot slot heeft de minister een terugkeerbesluit en een inreisverbod tegen eiser uitgevaardigd.
De gronden van beroep
4.1
Eiser heeft – samengevat – het volgende aangevoerd.
Hij stelt dat de minister zijn geboortedatum ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht.
Verder betoogt eiser dat het wel of niet overlijden van zijn vader niet relevant is voor de beoordeling van zijn asielmotieven. De kern van zijn asielrelaas ziet op zijn problemen vanwege zijn stamafkomst en de problemen met Al Shabaab. De vraag of zijn vader wel of niet is overleden, raakt die kern niet. Bovendien is het verschil in zijn verklaringen onder meer te wijten aan het verschil in de wijze waarop de gehoren in Griekenland zijn ingericht.
Ten aanzien van de problemen met Al Shabaab heeft de minister ten onrechte zijn verklaringen over de dood van zijn halfbroer ongeloofwaardig geacht. Eiser heeft zelf geen herinneringen aan deze broer;hij weet alleen uit verhalen dat zijn halfbroer door Al Shabaab is gedood. Ook heeft de minister ten onrechte ongeloofwaardig geacht dat Al Shabaab in zijn wijk aanwezig was.
Verder vreest eiser dat hij opnieuw door Al Shabaab zal worden benaderd om zich bij hen aan te sluiten. Hij is afkomstig uit [plaats] en de minister bestrijdt niet dat Al Shabaab daar aanwezig is. Volgens eiser vergroot het toegenomen willekeurig geweld in [plaats] en de grotere aanwezigheid van Al Shabaab daar, gelet op zijn profiel, het risico op ernstige schade. Gelet op de brief van VWN van 9 juli 2025 stelt de minister ten onrechte in het nieuwe landenbeleid dat sprake is van een relatief lager niveau willekeurig geweld in [plaats].
Gelet op alles wat eiser hiervoor heeft aangevoerd, volgt eiser niet dat de minister in redelijkheid kan stellen dat hij valse of onwaarschijnlijke verklaringen heeft afgelegd. De minister heeft de aanvraag dan ook ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond.
Bovendien verhoudt het uitvaardigen van een terugkeerbesluit en inreisverbod tegen eiser zich niet met het gegeven dat hij in Griekenland internationale bescherming heeft. Eiser verwijst hierbij naar het arrest QY van het HvJ-EU van 18 juni 2024. [3]
4.2
Bij de aanvullende gronden van beroep van 30 maart 2025 heeft eiser een kopie van een notariële verklaring van 29 maart 2026 overgelegd.
Het oordeel van de rechtbank
De asielprocedure in Griekenland
5.1
De Afdeling [4] heeft in een uitspraak van 2 juli 2025 [5] uiteengezet hoe de minister moet omgaan met asielaanvragen van personen die in Griekenland internationale bescherming hebben gekregen maar niet naar Griekenland kunnen terugkeren. Volgens de Afdeling is de minister in zo’n geval niet gebonden aan de door Griekenland verleende status. Dat betekent dat hij niet verplicht is om deze status automatisch te erkennen en over te nemen en dat hij de asielaanvraag inhoudelijk mag behandelen. Wel moet de minister ten volle rekening houden met de beslissing van de Griekse autoriteiten om de status toe te kennen en met de elementen waarop die beslissing is gebaseerd.
5.2
De rechtbank stelt vast dat de minister de Griekse autoriteiten heeft verzocht om informatie om vast te kunnen stellen waarop de beslissing om eiser een asielstatus te verlenen is gebaseerd. De rechtbank stelt verder vast dat de minister de van de Griekse autoriteiten verkregen stukken kenbaar bij de beoordeling heeft betrokken.
De verklaringen van eiser in Griekenland en in Nederland over zijn vader
6.1
De minister heeft niet geloofwaardig geacht dat eisers vader is overleden omdat eiser hierover tegenstrijdig heeft verklaard in Griekenland en in Nederland.
6.2
Eiser heeft aangevoerd dat het wel of niet overlijden van zijn vader niet relevant is voor de beoordeling van zijn asielmotieven. Die betreffen immers zijn afkomst en zijn problemen met Al Shabaab. Bovendien is het verschil in verklaringen te wijten aan de wijze waarop de gehoren in Griekenland zijn ingericht. Hierdoor heeft hij zijn volledige verhaal niet kunnen vertellen. Ook is het verschil in de verklaringen te wijten aan het feit dat hij bij het gehoor in Griekenland werd bijgestaan door een tolk met een dialect van Noord-Somalië terwijl hij zelf uit Zuid-Somalië komt. Bovendien was eiser op het moment dat hij werd gehoor een ongeschoolde zeventienjarige. Volgens eiser heeft hij in Nederland op een zodanige natuurlijke manier verklaard en zo gedetailleerd, dat daar niet zomaar aan voorbij mag worden gegaan.
6.3
De rechtbank stelt vast dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over zijn vader in Griekenland en in Nederland. In Griekenland heeft eiser immers verklaard dat Al Shabaab zijn vader heeft benaderd en hem heeft opgedragen een wapen voor eiser te kopen en ervoor te zorgen dat eiser zich bij hen aan zou sluiten. [6] Daarnaast heeft eiser verklaard dat zijn vader zijn reis uit Somalië heeft geregeld, waarna eiser in april 2022 uit Somalië is vertrokken. [7] Ook heeft eiser in Griekenland verklaard dat zijn vader in 2017 bij een bomaanslag verlamd is geraakt aan zijn benen. [8] In Nederland heeft eiser echter verklaard dat zijn vader is overleden toen hij nog heel jong was, in 2011.
6.4
Anders dan eiser heeft betoogd, is de rechtbank van oordeel dat de vraag of de vader van eiser is overleden wel de kern van zijn asielmotieven raakt. Immers de afwezigheid van eisers vader vormt een belangrijk onderdeel van eisers asielrelaas, zowel voor wat betreft de door eiser gestelde problemen met toegang tot onderwijs en medische zorg als de wijze waarop Al Shabaab eiser zou hebben gerekruteerd. De rechtbank komt daar hierna nog op terug. De rechtbank is verder van oordeel dat de door eiser aangevoerde omstandigheden voor deze tegenstrijdige verklaringen hieraan niet kunnen af doen. Dat de wijze waarop de gehoren in Griekenland zijn ingericht anders is dan in Nederland, dat eiser bij het gehoor in Griekenland is bijgestaan door een tolk met een ander dialect en dat eiser op het moment dat hij is daar gehoord een ongeschoolde zeventienjarige was, verklaren namelijk niet afdoende waarom eiser niet eenduidig heeft verklaard over zoiets belangrijks als het al dan niet overlijden van zijn vader. Ten aanzien van de stelling van eiser dat hij in Nederland op een zodanig natuurlijke manier heeft verklaard dat daaraan niet zomaar voorbij mag worden gegaan, wijst de rechtbank er op dat ook de Griekse autoriteiten zich op het standpunt hebben gesteld dat eiser daar duidelijk en nauwkeurig heeft verklaard over zijn asielmotieven en de indruk wekte van een persoon die zijn persoonlijke ervaringen omschreef. [9]
6.5
De minister heeft dan ook terecht aan eiser tegengeworpen dat eiser tegenstrijdige verklaringen over zijn vader heeft afgelegd en zich daarom niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat ongeloofwaardig is dat zijn vader is overleden. De rechtbank merkt hierbij nog op dat de door eiser op 30 maart 2026 overgelegde kopie van een notariële verklaring van 29 maart 2026, waarin wordt bevestigd dat de vader van eiser is overleden, niet aan haar oordeel af doet, alleen al omdat met zo’n verklaring niet kan worden aangetoond dat de vader van eiser daadwerkelijk is overleden.
De leeftijd van eiser
7. De gemachtigde van de minister heeft op zitting laten vallen dat de door eiser gestelde leeftijd ongeloofwaardig is. Wat eiser hiertegen heeft aangevoerd zal de rechtbank dan ook niet beoordelen.
De problemen vanwege het behoren tot de Gabooyestam
Uitsluiting van onderwijs
8.1
Gelet op wat hiervoor ten aanzien van het overlijden van eisers vader is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de minister zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat de verklaringen van eiser dat hij was uitgesloten van onderwijs evenmin geloofwaardig zijn. Eiser heeft immers verklaard dat de reden van de uitsluiting was dat er geen mannelijk gezinslid was om hem naar school te brengen omdat zijn vader was overleden en hij alleen nog zijn moeder had. Aan de omstandigheid dat uit het EUAA-rapport [10] blijkt dat leden van minderheidsstammen beperkt toegang tot onderwijs hebben, komt daarom geen doorslaggevende betekenis toe.
Uitsluiting van medisch zorg
8.2.1
De rechtbank is van oordeel dat de minister de verklaringen van eiser over de toegang tot medische zorg op goede gronden ongeloofwaardig heeft geacht. Eiser heeft immers tijdens het nader gehoor verklaard dat hij in het ziekenhuis niet werd behandeld voor maagklachten vanwege de afwezigheid van een mannelijke begeleider. Zoals hiervoor is overwogen, heeft de minister terecht ongeloofwaardig geacht dat eisers vader is overleden. Dat eiser geen toegang tot zorg kreeg vanwege de afwezigheid van een mannelijke begeleider heeft de minister dan ook ongeloofwaardig kunnen achten.
8.2.2.
Daarnaast is de rechtbank, anders dan eiser heeft gesteld, van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser ook over de toegang tot medische zorg in Griekenland en in Nederland tegenstrijdig heeft verklaard. In Griekenland heeft eiser immers verklaard dat hij nooit medische ziekenhuiszorg nodig heeft gehad en dat je als Gabooye wel toegang tot het ziekenhuis hebt, maar dat je als laatste wordt behandeld [11] , terwijl hij in Nederland verklaard heeft dat hem ziekenhuiszorg werd geweigerd.
Uitsluiting van sociale activiteiten
8.3
Anders dan de minister, acht de rechtbank het niet onaannemelijk dat eiser vanwege zijn stamafkomst met enige regelmaat zou zijn buitengesloten van sociale activiteiten als het meedoen met voetbal. De rechtbank overweegt hierbij dat van eiser niet kon worden verwacht dat hij hierover uit eigen beweging zou verklaren in Griekenland. Bovendien vindt de rechtbank het opmerkelijk dat de minister wel geloofwaardig acht dat eiser werd gepest en bespuugd vanwege zijn stamafkomst maar het niet aannemelijk vindt dat eiser niet mee mocht doen met voetballen. Ook volgt de rechtbank niet dat eiser wisselend heeft verklaard over het wel of niet mogen meedoen aan voetballen. Het is zeer wel te volgen dat eiser bij sommige momenten werd buitengesloten van voetbal en bij andere momenten mocht meevoetballen maar daarbij werd gepest. Dit is echter niet van doorslaggevende betekenis in het licht van wat hiervoor ten aanzien van de uitsluiting van onderwijs en de uitsluiting van medische zorg is geoordeeld.
8.4
De rechtbank is dan ook van oordeel dat de minister zich voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de verklaringen van eiser over de problemen vanwege het behoren tot de Gabooye stam geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen.
De problemen met Al Shabaab
9.1
De rechtbank is van oordeel dat de minister de door eiser gestelde problemen met Al Shabaab niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht omdat eiser tegenstrijdig heeft verklaard in Griekenland en in Nederland over de wijze waarop Al Shabaab hem zou hebben gerekruteerd. Zoals hiervoor onder 6.4 is overwogen, bestaat er geen aanleiding om van de verklaringen die eiser in Nederland heeft afgelegd voor de waar te houden.
9.2
De rechtbank is ook van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij problemen heeft ondervonden met Al Shabaab in zijn wijk omdat eiser hierover summier en algemeen heeft verklaard. Hoewel eiser in dit verband terecht heeft aangevoerd dat de minister ook van zijn verklaringen in het aanvullende gehoor moet uitgaan als hij ervoor kiest eiser aanvullend te horen, stelt de rechtbank vast dat de minister ook van deze aanvullende verklaringen van eiser heeft opgemerkt dat die algemeen zijn. Dit heeft eiser niet bestreden.
9.3
De rechtbank volgt de minister niet zijn standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn halfbroer [naam] door Al Shabaab is gedood. Eiser heeft immers verklaard dat [naam] een veel oudere halfbroer is van een andere moeder, waarmee hij niet is opgegroeid en dat hij over hem en dat hij is gedood door Al Shabaab alleen weet uit verhalen. Dat eiser niet meer weet te vertellen over de dood van [naam] vindt de rechtbank dan ook niet onaannemelijk. Dit betekent echter niet dat geloofwaardig is dat eiser zelf problemen met Al Shabaab zou hebben gehad.
9.4
Gelet op het voorgaande heeft de minister zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat eisers verklaringen over zijn problemen met Al Shabaab geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen.
9.5
De rechtbank is daarnaast van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eisers relaas in grote lijnen als ongeloofwaardig kan worden beschouwd omdat eiser tegenstrijdig heeft verklaard in Griekenland en in Nederland over zijn vader en over de wijze waarop Al Shabaab hem gerekruteerd zou hebben.
Vluchtelingschap
10. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor vluchtelingschap. Het enkel behoren tot de Gabooye is hiervoor niet voldoende. Hoewel uit openbare bronnen [12] en ook het Algemeen ambtsbericht Somalië van 1 april 2025 [13] blijkt dat leden van een minderheidsclan als de Gabooye te maken kunnen hebben met discriminatie en achterstelling op gebieden als het vinden van werk, toegang tot onderwijs, gezondheidszorg en een sociaal netwerk, volgt hieruit niet dat sprake is van discriminatie die een dusdanig ernstige beperking van de bestaansmogelijkheden oplevert dat het voor hen onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied te functioneren in Somalië. Dit is naar het oordeel van de rechtbank ook niet gebleken uit de geloofwaardig geachte verklaringen van eiser. Ten overvloede merkt de rechtbank wel op dat de minister met de overwegingen dat eiser inkomsten heeft kunnen genereren uit zijn werk als schoenenpoetser en huisvesting had in een hutje weinig recht heeft gedaan aan de situatie waarin eiser verkeerde.
Reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar [plaats]
11.1
De rechtbank begrijpt eisers betoog zo dat hij meent dat de minister, gelet op de informatie uit de door hem ingebrachte brief van VWN van 9 juli 2025, nader onderzoek moet doen naar de veiligheidssituatie in [plaats] (en de wijk waaruit eiser afkomstig is) als gevolg van het offensief van Al Shabaab van eind maart 2025. Volgens eiser stelt de minister ten onrechte in het nieuwe landenbeleid dat sprake is van een lager niveau van willekeurig geweld in [plaats]. Eiser stelt ook dat zijn profiel onvoldoende is betrokken in de beoordeling van de veiligheidssituatie in [plaats]. Als jonge Somalier die terugkeert uit het Westen loopt hij een verhoogd risico te worden gerekruteerd door Al Shabaab.
11.2
De rechtbank is van oordeel dat wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding geeft om van een hoger niveau van willekeurig geweld uit te gaan dan waarvan de minister in het landenbeleid voor [plaats] is uitgegaan. De rechtbank betrekt hierbij dat zowel uit het Algemeen ambtsbericht Somalië van 1 april 2025 als ook het EUAA-rapport van mei 2025, dat als één van de bronnen is opgenomen in de brief van VWN van 9 juli 2025, blijkt dat sprake is van een dalende trend in het aantal geweldincidenten in de regio, dat slechts een minderheid van het aantal geweldsincidenten incidenten met burgers betreft, terwijl het aantal incidenten met burgers gelijk blijft dan wel omlaag gaat. [14] De overige bronnen genoemd in de brief van VWN die dateren van na de verslagperiode van het ambtsbericht van 2025 geven geen ander beeld.
11.3
Bovendien, ook in het geval zou moeten worden uitgegaan van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld in [plaats], blijft het aan eiser om aan de hand van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden aannemelijk te maken dat hij daardoor een verhoogd risico loopt op willekeurig geweld. De rechtbank is van oordeel dat eiser hierin niet is geslaagd. De door eiser gestelde problemen met Al Shabaab zijn ongeloofwaardig geacht. Daarnaast heeft eiser niet onderbouwd dat hij vanwege het enkele feit dat hij jong is en terugkeert uit het Westen een verhoogd risico op willekeurig geweld in [plaats] loopt.
Kennelijk ongegrond
12. Omdat eiser in Griekenland en in Nederland tegenstrijdig heeft verklaard over zijn vader, de toegang tot onderwijs en medische zorg in [plaats] en de wijze waarop Al Shabaab hem zou hebben gerekruteerd, heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser kennelijk inconsistent en tegenstrijdig heeft verklaard. De minister heeft de asielaanvraag van eiser dan ook op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw als kennelijk ongegrond kunnen afwijzen.
Het terugkeerbesluit en het inreisverbod
13.1
De rechtbank is van oordeel dat uit de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling van 2 juli 2025 ook volgt dat de minister geen terugkeerbesluit kan uitvaardigen in zaken van Griekse statushouders voordat hij de uitkomst van zijn beoordeling of de vreemdeling in aanmerking komt voor een asielstatus heeft gedeeld met de Griekse autoriteiten en de Griekse autoriteiten in reactie hierop hebben aangegeven of zij aanleiding zien om de verleende asielstatus in te trekken.
13.2
Desgevraagd heeft de gemachtigde van de minister tijdens de zitting geantwoord dat zij aan de hand van de haar ter beschikking staande gegevens niet kan zien of de Griekse autoriteiten over de uitkomst van de Nederlandse asielprocedure zijn geïnformeerd maar dat dit volgens haar ook geen zin heeft omdat de autoriteiten van Griekenland toch niet zullen reageren.
13.3
Nu ook uit de besluitvorming niet blijkt dat de minister de uitkomst van de beoordeling van eisers asielaanvraag met de Griekse autoriteiten heeft gedeeld en heeft vernomen of dit aanleiding is voor de Griekse autoriteiten om de verleende asielstatus in te trekken, heeft de minister ten onrechte al een terugkeerbesluit tegen eiser uitgevaardigd. Onder deze omstandigheden heeft de minister ook nog geen inreisverbod tegen eiser kunnen uitvaardigen. Om deze reden is het beroep gegrond.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit omdat de minister geen terugkeerbesluit en inreisverbod tegen eiser heeft kunnen uitvaardigen. De rechtbank ziet aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten voor zover dit de afwijzing van de asielaanvraag van eiser betreft. De rechtbank draagt de minister op bij de Griekse autoriteiten na te vragen of de beoordeling van eisers asielaanvraag in Nederland aanleiding is om de door hen aan eiser verleende asielstatus in te trekken om daarna te beoordelen wat dit betekent voor een eventueel te nemen terugkeerbesluit.
15. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende bijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting; met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven voor zover dit de afwijzing van de asielaanvraag betreft;
- draagt de minister op bij de Griekse autoriteiten na te vragen wat de beoordeling van de minister betekent voor de aldaar verleende asielstatus en vervolgens te beoordelen wat dit betekent voor een eventueel te nemen terugkeerbesluit;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.L.M. Steinebach - de Wit, rechter, in aanwezigheid van A. Kanis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Met zaaknummer NL25.42921.
3.ECLI:EU:C:2024:524.
4.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
6.Zie p. 4 vertaling Griekse gehoor van 14 juli 2022.
7.Zie p. 8 vertaling Griekse gehoor van 14 juli 2022.
8.Zie p. 4 vertaling Griekse gehoor van 14 juli 2022.
9.Zie p. 4 vertaling Griekse besluit van 19 juli 2025.
10.EUAA oktober 2025
11.Zie p. 8 vertaling Grieks gehoor van 14 juli 2025.
12.EUAA Somalia Country Focus van mei 2025, p. 51 en p. 52.
13.paragraaf 4.2
14.Zie p. 36 Algemeen ambtsbericht Somalië van 1 april 2025 en p. 92 van EUAA, Country of Origine Information. Somalia: Security Situation van mei 2025.