Verzoeker heeft een aanvraag voor een verblijfsvergunning met het verblijfsdoel 'humanitair tijdelijk' ingediend, welke door de minister op 5 maart 2026 is afgewezen. Hiertegen is bezwaar gemaakt en tevens is een verzoek om voorlopige voorziening ingediend om uitzetting te voorkomen totdat het bezwaar is behandeld.
De minister heeft op 21 mei 2026 laten weten zich niet te verzetten tegen het verzoek om voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter ziet geen beletselen om het verzoek toe te wijzen en bepaalt dat de minister verzoeker niet mag uitzetten zolang het bezwaar nog niet is beslist.
Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van verzoeker, vastgesteld op respectievelijk € 200,- en € 934,-. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.