ECLI:NL:RBDHA:2026:16481

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
NL26.30334
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a VwVreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring op grond van artikel 59a Vreemdelingenwet

De minister van Asiel en Migratie legde op 28 mei 2026 aan eiser een maatregel van bewaring op op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet. Eiser stelde hiertegen op 1 juni 2026 beroep in, dat tevens als verzoek om schadevergoeding werd aangemerkt. De rechtbank behandelde het beroep op 12 juni 2026 via telehoren en heropende het onderzoek op 16 juni 2026 om aanvullende informatie over de voortvarendheid van de minister te verkrijgen.

De minister baseerde de bewaring op zware gronden, waaronder het niet naleven van het toezicht en het niet meewerken aan een overdracht op grond van de Dublinverordening, en lichte gronden zoals het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats en onvoldoende middelen van bestaan. De rechtbank oordeelde dat eiser terecht onder artikel 59a valt en dat de gronden voor bewaring juist en voldoende gemotiveerd zijn. De stelling van eiser dat hij niet kon meewerken vanwege detentie en lopende beroepsprocedures werd verworpen.

De rechtbank vond dat de minister geen minder dwingende maatregel kon toepassen gezien het significante risico op onttrekking aan het toezicht. Ook werd vastgesteld dat de minister voortvarend handelt om de overdracht te realiseren. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.30334

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

v-nummer: [v-nummer] ,
(gemachtigde: mr. M. Rasul),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. Ö. Sari).

Inleiding

1. De minister heeft op 28 mei 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw [1] opgelegd.
1.1.
Eiser heeft op 1 juni 2026 tegen de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 12 juni 2026, met behulp van telehoren, op zitting behandeld. Eiser is verschenen op het detentiecentrum in Rotterdam. De gemachtigde van eiser is verschenen op de rechtbank in Groningen. Ook is een tolk verschenen. De minister heeft zich op de rechtbank laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
1.3.
Na sluiting van het onderzoek op de zitting heeft de rechtbank het onderzoek op 16 juni 2026 heropend en de minister gevraagd inzicht te geven in de verrichte handelingen in het kader van de voortvarendheid. De minister heeft de gevraagde informatie op 17 juni 2026 in het dossier geplaatst, waarop eiser op 18 juni 2026 heeft gereageerd. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank.

2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:
(zware gronden)
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
(lichte gronden)4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
2.1.
De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister gemotiveerd waarom een minder dwingende maatregel (lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.
2.2.
Hierna beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de maatregel van bewaring. Daarbij bespreekt zij de beroepsgronden en toetst zij de rechtmatigheid van de bewaring ambtshalve.
Voortraject
3. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.
Grondslag
4. De rechtbank is van oordeel dat eiser valt onder de in artikel 59a van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. Er bestaat een concreet aanknopingspunt voor een overdracht zoals bedoeld in de Dublinverordening. Op 7 april 2026 heeft Oostenrijk namelijk akkoord gegeven op het door Nederland ingediende claimverzoek.
Gronden
5. Anders dan eiser stelt, zijn de in de maatregel genoemde zware en lichte gronden terecht aan de maatregel ten grondslag gelegd. Eiser voert aan dat hem niet kan worden tegengeworpen dat hij zich niet aan de meldplicht heeft gehouden gedurende zijn detentie (grond 3b). De minister heeft ter zitting benadrukt dat de kern van de tegengeworpen grond is gelegen in het feit dat eiser geen gevolg heeft gegeven aan het terugkeerbesluit. Nu eiser op 16 februari 2023 een negatieve beschikking met een terugkeerbesluit heeft ontvangen en niet is gebleken dat eiser hieraan gehoor heeft gegeven, is grond 3b terecht aan de maatregel ten grondslag gelegd.
5.1.
Ten aanzien van zware grond 3k stelt eiser zich op het standpunt dat hij tijdens zijn detentie niet kon meewerken aan terugkeer, zodat dit niet van hem verlangd kon worden. Verder kan van hem niet worden verlangd dat hij meewerkt aan zijn overdracht omdat hij nog rechtmatig verblijf heeft vanwege een lopende beroepsprocedure. De rechtbank stelt vast dat eiser een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en vooralsnog geen medewerking heeft verleend aan de overdracht naar Oostenrijk. De omstandigheid dat eiser vanwege zijn detentie niet heeft kunnen meewerken aan zijn overdracht komt in beginsel voor eigen rekening en risico van eiser. Daarnaast heeft eiser verklaard niet te willen meewerken aan een overdracht naar Oostenrijk, zodat de grond terecht aan de maatregel ten grondslag is gelegd. Het enkele feit dat eiser nadien een asielaanvraag heeft ingediend en daardoor rechtmatig verblijf heeft verkregen, kan hieraan niet afdoen.
6. Eiser stelt verder dat de lichte gronden 4b, 4c en 4d hem ten onrechte zijn tegengeworpen. Volgens eiser is grond 4b ten onrechte tegengeworpen omdat hij slechts één keer een asielaanvraag en één keer een reguliere aanvraag heeft ingediend. De reguliere aanvraag is daarnaast buiten behandeling gesteld omdat eiser de leges niet heeft betaald. Eiser stelt verder dat niet van hem kan worden verwacht dat hij na detentie direct een woning heeft en dat hij bovendien bij vrienden in Apeldoorn kan verblijven, zodat grond 4c ten onrechte is tegengeworpen. Ten aanzien van grond 4d stelt eiser dat hij een eigen bedrijf heeft en hier weer inkomsten uit wil genereren.
7. De rechtbank is van oordeel dat de minister de lichte gronden 4b, 4c en 4d terecht aan de maatregel ten grondslag heeft gelegd. Ten aanzien van 4b is door de minister toegelicht dat eiser twee reguliere aanvragen heeft ingediend en in beide gevallen de leges niet heeft betaald. Eiser heeft vervolgens een asielaanvraag ingediend. Door de minister is het onttrekkingsrisico afdoende gemotiveerd. Verder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij een vaste woon- of verblijfplaats heeft (grond 4c). Ook heeft eiser verklaard niet over inkomsten te beschikken (grond 4d). Dat eiser bij vrienden in Apeldoorn zou kunnen verblijven en inkomsten wil genereren met zijn bedrijf kan hieraan niet afdoen. De minister heeft ook voor deze gronden de relevantie voor het risico op onttrekking aan het toezicht gemotiveerd.
Lichter middel
8. Eiser is van mening dat er ten onrechte niet is gekozen voor een lichter middel. Hij voert aan zijn leven te willen beteren en zijn bedrijf te willen voorzetten. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Gelet op de hiervoor genoemde dragende gronden en de toelichting op die gronden bestaat er een significant risico op onttrekking aan het toezicht.
Voortvarendheid en zicht op overdracht
9. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de overdracht van eiser en dat zicht op overdracht niet ontbreekt. De minister heeft op 1 juni 2026 bij het Openbaar Ministerie geïnformeerd of er bezwaar bestaat tegen uitzetting. Het Openbaar Ministerie heeft de minister op 3 juni 2026 laten weten dat daarvan geen sprake is. Daarnaast heeft de minister op 1 juni 2026 en op de dag van de zitting de rechtbank verzocht de lopende voorlopige voorziening naar voren te halen. De rechtbank is van oordeel dat de minister hiermee voldoende voortvarend handelt.

Conclusie en gevolgen

10. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel onrechtmatig is. [2]
11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Wetterauw, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Zie ook de arresten Adrar van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647) en Aroja van het Hof van 5 maart 2026 (ECLI:EU:C:2026:148).