Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16482

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
NL26.32404
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 5.1b derde lid VbArt. 5.1b vierde lid VbRichtlijn 2004/38/EGArt. 6 lid 1 Verblijfsrichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring in vreemdelingenrecht

Eiseres, een Belgische staatsburger, werd op 10 juni 2026 de maatregel van bewaring opgelegd wegens het ontbreken van rechtmatig verblijf in Nederland en het risico dat zij zich aan het toezicht zou onttrekken. De maatregel is gebaseerd op zware gronden zoals het onrechtmatig binnenkomen, het onttrekken aan toezicht en het niet vrijwillig opvolgen van een vertrekplicht.

Eiseres betwistte deze gronden, maar de rechtbank stelde vast dat zij na haar uitzetting in 2024 naar België in februari 2025 terugkeerde naar Nederland zonder haar verblijf daadwerkelijk te beëindigen. Dit betekent dat het eerdere verwijderingsbesluit nog steeds van kracht is en dat zij onrechtmatig verblijft.

De rechtbank oordeelde dat de maatregel van bewaring proportioneel en noodzakelijk is, mede gelet op het reële risico van onttrekking aan toezicht. Medische omstandigheden, zoals diabetes, rechtvaardigen geen lichter middel omdat de zorg in detentie gelijkwaardig is aan die in de vrije maatschappij.

Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.32404

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. R.E. Temmen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 10 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiseres de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Eiseres heeft zich akkoord verklaard met schriftelijke afdoening van het beroep. Eiseres heeft op 12 juni 2026 gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft op 15 juni 2026 een reactie op de beroepsgronden ingediend. De rechtbank heeft het onderzoek op 18 juni 2026 gesloten.

Overwegingen

1. Eiseres stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1979 en de Belgische nationaliteit te hebben.
Maatregel van bewaring
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiseres zich aan het toezicht zal onttrekken en eiseres de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft als zware gronden [2] vermeld dat eiseres:
- 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;- 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;- 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en zij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
en als lichte gronden [3] vermeld dat eiseres:
- 4a. zich niet aan een of meer andere voor haar geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;- 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;- 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiseres betwist alle zware en lichte gronden. Eiseres is in 2024 op grond van een beschikking uitgezet naar België. Wat betreft zware grond 3a en 3b voert eiseres aan in de veronderstelling te zijn geweest dat de beschikking zijn werking is verloren doordat eiseres Nederland heeft verlaten. Ten aanzien van zware grond 3c voert eiseres tevens aan uitvoering te hebben gegeven aan de plicht Nederland te verlaten door haar gedwongen uitzetting naar België.
4. Verweerder mag bij het tegenwerpen van de zware gronden 3a, 3b en 3c volstaan met een toelichting waaruit blijkt dat deze gronden zich feitelijk voordoen.
5. Het Hof [4] heeft in het arrest FS [5] geoordeeld dat, om opnieuw in aanmerking te komen voor een verblijfsrecht op hetzelfde grondgebied krachtens artikel 6, eerste lid, van de Verblijfsrichtlijn [6] , de burger van de Unie ten aanzien van wie een verwijderingsbesluit is genomen, het grondgebied van het gastland niet alleen fysiek moet hebben verlaten, maar ook zijn verblijf op dat grondgebied daadwerkelijk en effectief moet hebben beëindigd, zodat bij zijn terugkeer naar dat grondgebied niet kan worden aangenomen dat zijn verblijf in werkelijkheid een voortzetting is van zijn eerdere verblijf op dat grondgebied.
6. Bij besluit van 1 mei 2024, uitgereikt aan eiseres op 4 juni 2024, heeft verweerder vastgesteld dat eiseres geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland op grond van het Unierecht en dat zij het grondgebied binnen een maand moet verlaten. De rechtbank stelt vast dat eiseres op 5 augustus 2024 is uitgezet naar België, maar dat zij in elk geval op 13 februari 2025 terug in Nederland is aangetroffen. Niet is gebleken dat eiseres haar verblijf daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd, zij heeft geen omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat zij in België heeft geprobeerd een leven op te bouwen. De terugkeer van eiseres is daarmee een voortzetting van haar eerdere verblijf in Nederland. Dit betekent dan ook dat geen nieuwe vrije termijn is gaan lopen en het besluit van 1 mei 2024 nog steeds werking heeft. Nu vaststaat dat op eiseres een vertrekplicht rust en zij geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland, is verweerder op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw bevoegd tot het opleggen van de maatregel van bewaring. Dit betekent ook dat de zware gronden 3a, 3b en 3c terecht aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd. Eiseres is immers na haar laatste verwijdering onrechtmatig en op onregelmatige wijze naar Nederland teruggekeerd. De door eiseres gestelde reden van haar reis naar Nederland doet niet af aan de feitelijke juistheid van de zware grond 3a. Eiseres heeft haar illegale verblijf na terugkeer niet gemeld bij de autoriteiten. Eiseres heeft zich dan ook onttrokken aan het toezicht en de zware grond 3b is daarmee feitelijk juist. Gelet op het feit dat eiseres niet zelfstandig gevolg heeft gegeven aan de beschikking van 1 mei 2024 is de zware grond 3c ook feitelijk juist. Deze hiervoor genoemde zware gronden zijn voldoende om de maatregel van bewaring te dragen. Verweerder heeft op grond hiervan terecht een risico aangenomen dat eiseres zich aan het toezicht zal onttrekken. Wat eiseres voor het overige heeft aangevoerd over de lichte gronden behoeft geen nadere bespreking, omdat dit niet kan leiden tot de conclusie dat de bewaring onrechtmatig is.
Lichter middel
7. De rechtbank oordeelt dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat niet kan worden volstaan met een lichter middel, omdat het risico dat eiser zich bij het opleggen van een lichter middel aan het toezicht onttrekt, reëel is. Uit de gronden van de maatregel van bewaring en de motivering blijkt dat er een risico op onttrekking aan toezicht bestaat.
Verweerder heeft de medische omstandigheden van eiseres kenbaar meegewogen in de maatregel van bewaring. Dat eiseres lijdt aan diabetes is als zodanig geen reden om een lichter middel toe te passen. Verweerder heeft daartoe in de maatregel van bewaring terecht overwogen dat de medische zorgverlening binnen het detentiecentrum gelijkwaardig is aan de medische zorg in de vrije maatschappij. Niet is gebleken van feiten en omstandigheden die de bewaring voor eiseres onevenredig bezwarend maken en waarin verweerder aanleiding had moeten zien een lichter middel dan bewaring op te leggen.
Ambtshalve toets
8. Ook overigens is niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan de maatregel van bewaring onrechtmatig is.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 18 juni 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Verberne, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
3.Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
4.Het Hof van Justitie van de Europese Unie.
5.Arrest van 22 juni 2021, zaak C-719/19, ECLI:EU:C:2021:506.
6.Richtlijn 2004/38/EG.