Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16487

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
NL26.5605
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 KwalificatierichtlijnArt. 8:72 AwbVreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende motivering veiligheidssituatie Syrië

Eiser heeft op 21 februari 2024 een verblijfsvergunning asiel aangevraagd, welke door de minister op 27 januari 2026 werd afgewezen. De rechtbank oordeelt dat de minister zijn standpunt over de veiligheidssituatie in Syrië onvoldoende heeft gemotiveerd, waardoor onduidelijk blijft of eiser een reëel risico op ernstige schade loopt bij terugkeer.

De minister baseerde zijn afwijzing op het Algemeen Ambtsbericht Syrië van januari 2026, waarin een dalende trend in geweldsincidenten wordt geschetst. Eiser stelde dat hij vanwege zijn minder strenge religieuze opvattingen en verwestering risico loopt, maar dit werd niet concreet onderbouwd en het overgelegde rapport was niet van toepassing.

De rechtbank sluit zich aan bij eerdere uitspraken waarin is geoordeeld dat humanitaire omstandigheden en willekeurig geweld in Syrië onvoldoende zijn betrokken bij de beoordeling. De minister heeft onvoldoende rekening gehouden met deze omstandigheden en moet een nieuw besluit nemen.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, draagt de minister op binnen acht weken een nieuw besluit te nemen en veroordeelt de minister tot betaling van proceskosten aan eiser.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de afwijzing van de asielaanvraag wegens onvoldoende motivering van de veiligheidssituatie in Syrië en draagt de minister op een nieuw besluit te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.5605

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. C.T.W. van Dijk),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. S. de Vries).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag [1] van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij heeft daarom beroep ingesteld.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 21 februari 2024 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aangevraagd. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 27 januari 2026 in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
3. De rechtbank heeft het beroep op 9 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. M.E. Buijsse als waarnemer van de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit
4. Het relaas van eiser bestaat volgens de minister uit één relevant asielmotief, namelijk identiteit, nationaliteit en herkomst
5. De minister vindt dit asielmotief geloofwaardig. De minister vindt verder dat eiser geen vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag is en dat eiser bij terugkeer naar Syrië geen reëel risico op ernstige schade loopt. De minister volgt niet eisers standpunt dat hij bij terugkeer naar Syrië te vrezen heeft omdat hij anders tegen religie aankijkt dan de machthebbers. Eiser heeft niet uitgelegd waarom hij daardoor te vrezen zou hebben. De minister vindt dat eiser bij terugkeer naar Syrië geen reëel risico loopt op ernstige schade vanwege de algemene (veiligheids)situatie. Volgens de minister is in heel Syrië sprake van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. De minister heeft in het verweerschrift gewezen op het Algemeen Ambtsbericht Syrië van januari 2026. Daaruit blijkt volgens de minister een dalende trend in het aantal geweldsincidenten, ook in Idlib, waar eiser vandaan komt. Eiser heeft volgens de minister geen individuele, risico-verhogende omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan in zijn situatie wel sprake zou zijn van een reëel risico op ernstige schade. De minister wijst om al die redenen eisers asielaanvraag af als ongegrond.
Religie en verwestering
6. Eiser voert aan dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat hij bij terugkeer naar Syrië niet te vrezen heeft. Eiser heeft een andere, minder strenge opvatting over religie dan de huidige machthebbers. Eiser verwijst naar het Algemeen ambtsbericht Syrië van januari 2026, waaruit blijkt dat Idlib bekend staat als conservatief en waarin een beeld wordt geschetst van verdergaande islamisering in Idlib. Eiser zal met zijn minder extreem religieus gedachtegoed opvallen en sneller in conflict raken. Verder stelt eiser dat hij bij terugkeer naar Syrië zal worden gezien als verwesterd. Eiser heeft ter onderbouwing een rapport van dr. Lena Richter, onderzoeker van atheïsme in islamitische landen, van 23 maart 2026 over de situatie van afvalligen en atheïsten in Syrië overgelegd.
7. Deze beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich op goede gronden en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij door zijn opvatting over het geloof of door zijn verblijf in Europa in Syrië gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico op ernstige schade loopt. De enkele stelling dat eiser anders aankijkt tegen religie dan de huidige machthebbers is daarvoor niet voldoende. Eiser heeft zijn stellingen daarover als ook zijn stelling dat hij is verwesterd, niet nader concreet gemaakt of onderbouwd. Bovendien blijkt eisers stelling ook niet uit het Algemeen ambtsbericht Syrië. Verder leidt ook het rapport van Lena Richter dat eiser heeft overgelegd, niet tot een ander oordeel. Daargelaten het feit dat niet duidelijk is op welke bronnen de onderzoeker zich in het rapport baseert, heeft eiser op de zitting verklaard dat hij geen afvallige of atheïst is, zodat het rapport al daarom niet van toepassing is op de situatie van eiser.
Algemene situatie in Syrië
8. Eiser vindt dat in Syrië sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. [2] De minister heeft volgens eiser onvoldoende gemotiveerd waarom geen sprake is van een hogere gradatie van willekeurig geweld in Syrië en dat de humanitaire omstandigheden ten onrechte niet kenbaar zijn betrokken bij de besluitvorming. Volgens eiser moeten humanitaire omstandigheden als relevante omstandigheden bij de beoordeling in het kader van artikel 15-c worden betrokken, als die omstandigheden direct of indirect het gevolg zijn van het handelen en/of nalaten van een conflictpartij. [3] Verder wijst eiser erop dat uit het Algemeen Ambtsbericht van januari 2026 blijkt dat in Syrië nog altijd sprake is van een groot gebrek aan stabiliteit en aanhoudende geweldsdelicten, waaronder geweld tegen burgers en dat daaruit ook blijkt dat met name in Idlib veel incidenten plaatsvinden door ontplofbare oorlogsresten. Ook blijkt uit het ambtsbericht dat zich in Idlib de grootste concentratie van binnenlandse ontheemden in ontheemdenkampen bevindt.
9. De rechtbank is van oordeel dat de beroepsgrond slaagt en overweegt hierover het volgende.
10. Op 11 december 2025 [4] heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem geoordeeld dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat in Syrië op dit moment sprake is van de laagste gradatie van willekeurig geweld. De rechtbank heeft in die uitspraak geoordeeld dat ook humanitaire omstandigheden die direct of indirect het gevolg zijn van het handelen of nalaten van een actor die partij is geweest bij een gewapend conflict, moeten worden betrokken in de beoordeling. Dit oordeel is herhaald in meer uitspraken van deze rechtbank, waaronder die van 4 februari 2026 [5] en 25 maart 2026 [6] .
11. De rechtbank ziet in deze zaak geen aanleiding om anders te oordelen over het standpunt van de minister over willekeurig geweld in Syrië dan in de uitspraak van 11 december 2025. Hoewel een deel van die uitspraak is gewijd aan de regio Homs, is het merendeel van de uitspraak van toepassing op de algemene veiligheidssituatie in heel Syrië. De uitspraak is dus ook van toepassing op Idlib, waar eiser naar zou moeten terugkeren. De minister heeft daarom naar het oordeel van de rechtbank zijn standpunt over de veiligheidssituatie in Syrië onvoldoende gemotiveerd. Daardoor is onvoldoende duidelijk of eiser een risico op ernstige schade loopt bij terugkeer naar Syrië. De rechtbank kan zonder een goed gemotiveerd standpunt over de veiligheidssituatie in Syrië ook niet beoordelen welke individuele omstandigheden een reëel risico op ernstige schade kunnen meebrengen. De verwijzing van de minister naar het Algemeen Ambtsbericht Syrië van januari 2026 leidt niet tot een ander oordeel. De minister is met deze verwijzing namelijk ook niet of onvoldoende kenbaar ingegaan op alle omstandigheden die de rechtbank gelet op de eerdergenoemde uitspraak van 11 december 2025 van belang vindt in het kader van de beoordeling van de algemene veiligheidssituatie in Syrië. Dat de minister hoger beroep heeft ingesteld tegen de uitspraak van 11 december 2025 leidt ook niet tot een ander oordeel, omdat nog geen uitspraak op het hoger beroep is gedaan.

Conclusie en gevolgen

12. De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als ongegrond. Het beroep is gegrond omdat de minister het bestreden besluit niet deugdelijk heeft gemotiveerd. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
12.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor acht weken.
12.2.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.
De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 27 januari 2026;
- draagt de minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.C. Drenten - Boon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Richtlijn 2011/95/EU.
3.Eiser verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153.