Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16490

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
NL25.62089
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 64 Vreemdelingenwet 2000artikel 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen buiten behandeling stelling aanvraag uitstel van vertrek wegens onvolledige medische gegevens

Eiser heeft meerdere keren uitstel van vertrek aangevraagd op grond van zijn medische situatie, waaronder een ernstige nieraandoening en HIV. De minister heeft deze aanvragen herhaaldelijk buiten behandeling gesteld vanwege het ontbreken van volledige medische informatie die noodzakelijk is voor een inhoudelijke beoordeling door het Bureau Medische Advisering (BMA).

De rechtbank oordeelt dat het aan eiser is om alle benodigde medische gegevens te overleggen, waaronder antwoorden op zes vragen van het BMA van drie behandelaars. Eiser heeft onvoldoende informatie aangeleverd; sommige documenten ontbraken namen of ondertekeningen, en van twee behandelaars ontving de minister slechts een diagnoseformulier, wat niet volstaat.

Hoewel eiser stelt dat de minister te formalistisch is geweest en dat het BMA op basis van de beschikbare informatie een advies had kunnen uitbrengen, volgt de rechtbank dit niet. Het BMA heeft meer gedetailleerde informatie nodig over de aard van de behandeling en medicatie. De stelling van eiser dat hij de informatie niet kon verkrijgen wegens verlies door het ziekenhuis is onvoldoende onderbouwd.

De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt dat de minister de aanvraag terecht buiten behandeling heeft gesteld. Eiser krijgt geen griffierecht terug en geen proceskostenvergoeding. Het staat eiser vrij een nieuwe, volledige aanvraag in te dienen.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat de minister de aanvraag om uitstel van vertrek terecht buiten behandeling heeft gesteld wegens onvolledige medische gegevens.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.62089

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. E.J.P. Cats),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. F. Reidinga).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de buiten behandeling stelling van eisers aanvraag om uitstel van vertrek op grond van zijn medische situatie. Eiser is het hiermee niet eens en heeft daarom beroep ingesteld. De rechtbank beoordeelt het beroep mede aan de hand van de beroepsgronden.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de buiten behandeling stelling van de aanvraag in stand kan blijven, omdat eiser niet alle gegevens die nodig zijn om de aanvraag te beoordelen aan de minister heeft overgelegd. Het beroep van eiser is dus ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 31 juli 2025 uitstel van vertrek aangevraagd vanwege zijn medische situatie. [1] De minister heeft deze aanvraag op 22 september 2025 niet in behandeling genomen. Eiser heeft tegen het besluit van de minister bezwaar gemaakt en de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
3. Met het bestreden besluit van 21 november 2025 is de minister bij de buiten behandeling stelling van eisers aanvraag gebleven. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
4. De rechtbank heeft het beroep op 9 juni 2026 op zitting behandeld, samen met het verzoek om voorlopige voorziening. [2] Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister.

Voorgeschiedenis

5. Eiser heeft op 10 april 2022 en op 26 december 2022 in Nederland asiel aangevraagd. De minister heeft beide aanvragen afgewezen.
6. De minister heeft eiser op 17 juli 2023 ambtshalve uitstel van vertrek verleend van 10 mei 2023 tot 10 mei 2024 op grond van zijn medische situatie. Uit het advies van het BMA [3] is namelijk gebleken dat bij het uitblijven van de medische behandeling een medische noodsituatie binnen een indicatieve termijn van drie tot zes maanden wordt verwacht en dat de noodzakelijke medische behandeling in Moldavië niet beschikbaar is.
7. Eiser heeft op 7 mei 2024 een aanvraag om (verlenging van) uitstel van vertrek op grond van zijn medische situatie gedaan. De minister heeft deze aanvraag buiten behandeling gesteld, omdat de aanvraag niet compleet was. De minister heeft het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser geen gronden heeft ingediend.
8. Eiser heeft op 16 januari 2025 opnieuw uitstel van vertrek op grond van zijn medische situatie aangevraagd. De minister heeft deze aanvraag buiten behandeling gesteld, omdat de aanvraag niet compleet was. De minister heeft het bezwaar van eiser ongegrond verklaard, waarna eiser beroep heeft ingesteld en dit beroep vervolgens heeft ingetrokken.
9. Eiser heeft daarna op 31 juli 2025 de onderhavige aanvraag ingediend. De minister heeft deze aanvraag buiten behandeling gesteld, omdat de medische informatie niet compleet is. De minister kan daardoor het BMA niet om een inhoudelijk advies vragen.
10. Met het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en is hij bij de buiten behandeling stelling van de aanvraag gebleven. Eiser heeft namelijk - ook in bezwaar - niet alle medische informatie van zijn behandelaars opgestuurd. Eiser moest van zijn drie behandelaars medische informatie opsturen, waarbij de behandelaars de zes vragen van het BMA moesten beantwoorden. Op de medische informatie die eiser wel heeft opgestuurd, staat de naam van de behandelaar niet, waardoor niet duidelijk is van wie de informatie is. Van de andere twee behandelaars heeft eiser alleen een formulier met daarop de diagnose opgestuurd en dat is volgens de minister niet genoeg. Het is volgens de minister de verantwoordelijkheid van eiser om de benodigde gegevens aan te leveren.

Beoordeling door de rechtbank

Griffierecht
11. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van het griffierecht. De rechtbank wijst dit verzoek toe. Eiser hoeft dus geen griffierecht te betalen.
De buiten behandeling stelling
12. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte in het kader van zijn aanvraag om uitstel van vertrek vanwege medische omstandigheden niet heeft beoordeeld of uitzetting een schending van artikel 3 van Pro het EVRM kan opleveren. Eiser leidt aan HIV en heeft een ernstige nieraandoening, waarvoor hij onder behandeling staat. Eiser kan in Moldavië geen adequate medische behandeling en medicatie krijgen en komt bij terugkeer in een levensbedreigende situatie terecht. Uit de overgelegde medische informatie van de behandelend nefroloog en de behandeld internist blijkt welke medische klachten eiser heeft. Eiser heeft verder een brief met nadere medische informatie en het formulier “Bewijs omtrent medische informatie vreemdeling” van de uroloog in één pakket aan de minister gemaild, waardoor duidelijk was dat het om medische informatie van de uroloog ging, ook al ontbreekt op de brief de naam en ondertekening. Het BMA had volgens eiser op grond van de wel beschikbare informatie een advies kunnen uitbrengen of nadere informatie kunnen vragen aan de behandelaars. Eiser vindt dat de minister veel te formalistisch is geweest.
13. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser, naar daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, niet alle gevraagde medische informatie heeft overgelegd. Partijen zijn verdeeld over de vraag of de minister te formalistisch is geweest en of hij op basis van de medische informatie die eiser wel heeft overgelegd het BMA om advies had kunnen vragen en een besluit had kunnen nemen.
13.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de aanvraag van eiser terecht buiten behandeling gesteld. De rechtbank volgt niet de stelling van eiser dat de minister in zijn situatie te formalistisch is geweest. De rechtbank vindt daartoe allereerst van belang dat het aan de aanvrager is om bij een aanvraag om toepassing van artikel 64 van Pro de Vw alle bewijsmiddelen als genoemd in paragraaf A3/7.2.4. van de Vreemdelingencirculaire 2000 te overleggen. Dat heeft eiser niet gedaan, waardoor de minister geen BMA-onderzoek kon laten opstarten en niet beoordeeld kon worden of eiser bij uitzetting naar Moldavië in een medische noodsituatie terecht zal komen en een reëel risico op ernstige schade zal lopen. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State ontbreekt het de minister aan de deskundigheid om daarover zelf een oordeel te vellen en dient de minister het BMA om advies te vragen. Bovendien doet de mogelijkheid van de minister of het BMA om met gebruikmaking van de toestemmingsverklaring nadere informatie aan de behandelaars te vragen niet af aan het feit dat uit het beleid volgt dat eiser zelf de informatie van de behandelaars moet overleggen. [4]
13.2.
De rechtbank volgt niet de suggestie van de gemachtigde dat de minister een BMA-advies had kunnen vragen op grond van de wel beschikbare informatie. Hoewel uit het eerdere BMA-advies en de medische informatie die eiser bij de onderhavige aanvraag heeft overgelegd de aard van eisers klachten en een levenslange behandelingsduur blijkt, kon de minister zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt stellen dat dat niet voldoende is om het BMA om een advies te vragen. Het BMA heeft namelijk niet alleen informatie nodig over het ziektebeeld en de duur van de behandeling, maar ook over de aard van de benodigde behandeling en de noodzakelijke medicatie.
13.3.
Eisers stelling op de zitting dat het hem herhaaldelijk niet is gelukt om de informatie van het ziekenhuis te krijgen omdat men het daar is kwijtgeraakt, leidt niet tot een ander oordeel. Eiser heeft dit pas op de zitting kenbaar gemaakt en heeft de stelling niet onderbouwd. Daarom is niet gebleken dat sprake is van een situatie waarin eiser in bewijsnood verkeert.

Conclusie en gevolgen

14. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de aanvraag van eiser niet compleet was. De minister heeft de aanvraag daarom terecht buiten behandeling gesteld. De rechtbank merkt daarbij op dat het eiser vrij staat om een nieuwe aanvraag om uitstel van vertrek vanwege zijn medische situatie in te dienen.
15. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de minister het bezwaar van eiser terecht heeft afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.C. Drenten - Boon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Deze datum staat hierboven. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000.
2.Zaaknummer NL25.46415.
3.Bureau Medische Advisering.
4.Zie de uitspraak van 15 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2248.