ECLI:NL:RBDHA:2026:16507

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
NL25.29388
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vw 2000Art. 30b, eerste lid, aanhef en onder g, h en j Vw 2000Art. 31, zesde lid, aanhef en onder a, c, d en e Vw 2000Art. 6:22 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag biseksuele Somalische vreemdeling wegens ongeloofwaardigheid en onvoldoende risico terugkeer

Eiser, een Somalische man die zich als biseksueel presenteert, verzocht om asiel in Nederland. De minister wees zijn aanvraag af wegens ongeloofwaardigheid van zijn seksuele gerichtheid en het ontbreken van een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Mogadishu. Eiser voerde onder meer aan dat de minister onvoldoende rekening had gehouden met zijn referentiekader en dat hij een verhoogd risico liep vanwege zijn afkomst en persoonlijke omstandigheden.

De rechtbank constateerde een motiveringsgebrek in de besluitvorming over het referentiekader, maar passeerde dit gebrek op grond van artikel 6:22 Awb Pro omdat eiser niet concreet had gemaakt waarop de minister meer rekening had moeten houden. De rechtbank oordeelde dat de minister terecht twijfels had bij de geloofwaardigheid van eisers asielmotief, mede vanwege wisselende en oppervlakkige verklaringen over zijn seksuele gerichtheid en relaties.

Verder concludeerde de rechtbank dat de minister terecht uitging van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in Mogadishu en dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij persoonlijk een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer. De aanvraag werd daarom terecht kennelijk ongegrond verklaard. De rechtbank wees het beroep af en veroordeelde de minister in de proceskosten van eiser.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van de asielaanvraag wegens ongeloofwaardigheid en onvoldoende risico op ernstige schade bij terugkeer.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.29388

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. D.W.M. van Erp),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. N.N. Mikolajczyk).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De rechtbank komt tot het oordeel dat de minister de gestelde biseksuele gerichtheid van eiser niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft bevonden, en dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Mogadishu een reëel risico loopt op ernstige schade door willekeurig geweld
.Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 30 juni 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 11 maart 2026 samen met zaak NL25.29389 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Hij is van Somalische nationaliteit en is geboren op [geboortedag] 1985. Eiser heeft in vanaf 21 januari 2009 verblijfsrecht in Nederland. Dit verblijfsrecht is bij besluit van 4 februari 2016 ingetrokken op grond van de openbare orde, omdat eiser strafbare feiten heeft gepleegd. Tegen deze intrekking is geen rechtsmiddel gericht. Eiser verklaart – kort gezegd – dat hij er in Nederland achter is gekomen dat hij biseksueel is en dat hij (ook) op mannen valt. Eiser heeft verklaard dat hij een relatie heeft gehad met en man ([persoon A]) en ook op dit moment een relatie heeft met een man ([persoon B]). Eiser heeft verklaard dat hij vanwege zijn seksuele gerichtheid niet terug kan naar Somalië, omdat hij dan bang is dat hij de doodstraf zal krijgen.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
  • Identiteit, nationaliteit en herkomst;
  • Eisers seksuele gerichtheid.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig zijn. De minister stelt zich verder op het standpunt dat eiser zijn tweede asielmotief niet met documenten heeft onderbouwd [1] en dat het asielmotief niet alsnog geloofwaardig is omdat eiser geen oprechte inspanning heeft geleverd om zijn aanvraag te staven, hij daarover niet samenhangend en aannemelijk heeft verklaard, zijn verklaringen niet op grote lijnen als geloofwaardig zijn aan te merken en omdat hij zijn aanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend. [2] De minister komt tot de conclusie dat eisers identiteit, nationaliteit en herkomst onvoldoende zijn om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag moet worden afgewezen.
Heeft de minister voldoende rekening gehouden met het referentiekader van eiser?
5. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte niet heeft gemotiveerd hoe hij rekening heeft gehouden met het referentiekader van eiser. Eiser wijst erop dat hij een laag opgeleide Somaliër is die pas in Nederland achter zijn seksuele gerichtheid is gekomen. De minister had volgens eiser moeten motiveren hoe met deze elementen rekening is gehouden in de besluitvorming. [3] Volgens eiser is daarom sprake van een zorgvuldigheids- en een motiveringsgebrek.
5.1.
Het betoog slaagt. De minister heeft onvoldoende inzichtelijk gemaakt tot in hoeverre met eisers referentiekader rekening is gehouden in de besluitvorming. De minister wijst erop dat het referentiekader van iedere vreemdeling als deel van de procedure wordt meegenomen in de beoordeling, zoals ook volgt uit de toepasselijke werkinstructie. [4] De minister miskent daarmee echter dat uit WI 2024/06 ook volgt dat in beginsel kenbaar rekening moet gehouden worden met wat in zijn algemeenheid van de vreemdeling mag worden verlangd. Daar hoort naar het oordeel van de rechtbank dan ook bij, dat de minister in de besluitvorming inzichtelijk maakt wat het referentiekader van de vreemdeling is en hoe hij daarmee is omgesprongen. Dat waarborgt ook de mogelijkheid van de vreemdeling om op dit referentiekader te reageren en daar eventueel gronden tegen te kunnen richten. Dat maakt dat sprake is van een motiveringsgebrek. De rechtbank is echter van oordeel dat het gebrek kan worden gepasseerd op grond van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daarbij is van belang dat eiser weliswaar heeft betoogd dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn referentiekader, maar dat hij niet concreet heeft gemaakt op welke punten in het gehoor of de besluitvorming de minister hiermee meer rekening had moeten houden. Een algemene verwijzing naar de omstandigheid dat eiser laagopgeleid is en pas in Nederland achter zijn biseksualiteit is gekomen maakt niet zonder meer inzichtelijk waarom eiser naar eigen zeggen niet goed zou kunnen verklaren over de relatie met [persoon B], over zijn gevoelens en dat hij voor zijn doen juist veel zou hebben verklaard over de situatie van LHBTI’ers in Somalië. Dat de minister het door hem gehanteerde referentiekader niet expliciet in de besluitvorming heeft opgenomen maakt immers niet dat van eiser niet verwacht kan worden dat hij aangeeft op welke punten de minister in de besluitvorming onvoldoende rekening heeft gehouden met het referentiekader zoals eiser dat zelf voor zich ziet. De rechtbank volgt gezien voorgaande niet de verwijzing van eiser naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 15 mei 2025. [5] In die zaak heeft de vreemdeling kennelijk wel gewezen op concrete (summiere) verklaringen of tegenstrijdigheden die door de minister ten onrechte zouden zijn tegengeworpen gezien het referentiekader van die vreemdeling. Dat heeft eiser in deze zaak niet gedaan.
Heeft de minister de seksuele gerichtheid ongeloofwaardig mogen vinden?
6. Tussen partijen is niet in geding dat eiser dit asielmotief niet met objectieve documenten heeft onderbouwd. Daarom heeft de minister beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dat is volgens de minister niet het geval, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, onder a, c, d en e van de Vw 2000. De rechtbank bespreekt de besluitvorming hieronder aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
Eiser heeft geen oprechte inspanning geleverd om zijn aanvraag te staven [6]
7. Eiser heeft tijdens het gehoor opvolgende aanvraag van 5 juni 2025 aangegeven zijn aanvraag te willen intrekken. In de correcties en aanvullingen van 6 juni 2025 heeft eiser deze verklaring genuanceerd en aangegeven slechts een andere gemachtigde te willen. Vervolgens heeft op 20 juni 2025 een tweede gehoor opvolgende aanvraag plaatsgevonden. Op basis van dit gehoor is de onderhavige besluitvorming tot stand gekomen.
8. Eiser betoogt dat de minister hem ten onrechte heeft tegengeworpen dat hij geen oprechte inspanning heeft geleverd om zijn aanvraag te staven. Eiser betoogt dat hij het recht heeft om zijn verklaringen middels correcties en aanvullingen recht te zetten, en dat hij dat heeft gedaan. Hij heeft verder verklaard dat zijn verklaring dat hij zijn aanvraag wilde intrekken impulsief was, en te maken had met verwardheid en stress. Eiser wijst op de verklaringen die hij daarover heeft gedaan in het tweede gehoor opvolgende aanvraag. Gezien deze context had de minister niet aan eiser mogen tegenwerpen dat hij geen oprechte inspanning heeft geleverd om zijn aanvraag te staven.
8.1.
Het betoog slaagt niet. Het feit dat eiser bij het gehoor op 5 juni 2025 zijn aanvraag wilde intrekken en pas op een later moment van gedachten is veranderd, roept bij de minister niet ten onrechte twijfels op over de oprechtheid en overtuiging waarmee eiser zijn asielaanvraag heeft gedaan. Dat eiser daarop in de correcties en aanvullingen is teruggekomen maakt dat niet anders. De minister mag van eiser verwachten dat hij vanaf het begin duidelijk, volledig en gemotiveerd zijn asielmotieven uiteenzet. Eisers handelwijze wijst niet op een consistente en serieuze inspanning om bescherming te verkrijgen. De omstandigheid dat de aanvraag werd ingetrokken door stress, zoals eiser in beroep aanvoert, merkt de minister niet ten onrechte niet aan als een verschonende verklaring.
Eisers verklaringen vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel [7]
Eiser heeft wisselend verklaard over het moment dat hij erachter kwam dat hij(ook) op mannen valt
9. Eiser betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij wisselend heeft verklaard over het moment waarop hij erachter kwam dat hij ook op mannen valt. Eiser heeft weliswaar verklaard dat dat tien jaar geleden was, [8] maar hij heeft deze verklaring gecorrigeerd naar vijf jaar in de correcties en aanvullingen. Eiser wijst op het gehoor opvolgende aanvraag waarin eiser verklaart over vijf jaar. [9]
9.1.
Het betoog slaagt niet. De minister stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat eiser wisselend heeft verklaard over wanneer hij erachter kwam dat hij op mannen viel. De minister wijst erop dat eiser eerst verklaart dat hij de afgelopen tien jaar wist dat hij op mannen viel, [10] maar dat hij het niemand vertelde en voor zichzelf hield, terwijl hij later in datzelfde gehoor verklaart dat hij ‘sinds de laatste vijf jaar’ op mannen viel maar het altijd geheim heeft gehouden. [11] Vervolgens verklaart eiser dat hij zich vijf jaar geleden voor het eerst aangetrokken voelde tot een man. [12] In de correcties en aanvullingen verklaart eiser vervolgens dat hij niet tien, maar ongeveer vijf jaar geleden merkte dat hij op mannen viel. Eiser heeft daarmee niet verduidelijkt waarom hij heeft verklaard dingen binnen en geheim te hebben gehouden, terwijl het moment waarop hij naar eigen zeggen voor het eerst ontdekte dat hij op mannen viel, samenviel met het moment waarop eiser voor het eerst een relatie zou hebben gehad met een man.
Eiser heeft wisselend verklaard over wie er op de hoogte waren van zijn seksuele gerichtheid
9.2.
Eiser betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij wisselend heeft verklaard over wie er op de hoogte zou zijn van zijn seksuele gerichtheid. Volgens eiser blijkt uit pagina vier van het gehoor opvolgende aanvraag niet dat hij zijn gerichtheid altijd voor iedereen geheim heeft willen houden. Eiser verklaart daar op de vraag van de hoormedewerker waarom hij niet eerder heeft verteld dat hij biseksueel is “
Het is iets nieuws. Ik ontdekte pas in de laatste tien jaar dat ik zowel op mannen als op vrouwen val. Ik heb het niemand verteld en ik hield het voor mezelf.”Eiser wijst op pagina zeven, waar staat: “
U bent de eerste persoon die ik mijn verhaal vertel. De advocaat en aan u.” Dit ziet volgens eiser op zijn verhaal, en niet zozeer zijn seksuele gerichtheid an sich. Op pagina 12 verklaart eiser dat hij zijn seksuele gerichtheid heeft verteld aan [persoon C] twee of drie jaar geleden en dat ook zijn vriendin het weet. Dat hoeft niet in strijd te zijn met zijn eerdere verklaring op pagina vier omdat volgens eiser uit die verklaring niet volgt of hij het tot op heden aan niemand heeft verteld.
9.3.
Het betoog slaagt niet. Uit de verklaringen van eiser aan het begin van het gehoor opvolgende aanvraag [13] heeft de minister niet ten onrechte afgeleid dat eiser zijn seksuele gerichtheid geheim heeft willen houden. De latere verklaring van eiser dat de hoormedewerker de eerste is die hij ‘zijn verhaal’ vertelt en dat zijn vriendin er ook achter kwam [14] is daarom niet goed te rijmen met de nog weer latere verklaring van eiser dat hij het ook aan [persoon C] heeft verteld. [15] In de omstandigheid dat eiser de woorden ‘mijn verhaal’ gebruikt en het niet specifiek heeft over zijn seksuele gerichtheid heeft de minister geen aanleiding hoeven zien om te veronderstellen dat hij dus niet zijn seksuele gerichtheid bedoelde, zeker nu eiser in het nader gehoor duidelijk verklaart dat zijn advocaat, zijn vriendin en [persoon C] van zijn biseksuele gerichtheid wisten. [16]
Eiser heeft oppervlakkig, summier en ontwijkend verklaard over zijn relaties met [persoon A] en [persoon B]
10. Eiser betoogt dat de minister hem niet heeft mogen tegenwerpen dat hij weinig weet te verklaren over [persoon A] nu eiser ook heeft verklaard dat het een relatie betrof die louter was gebaseerd op lust. Eiser kan niet verklaren over gevoelens die hij niet had. Met betrekking tot [persoon B] betoogt eiser dat de minister niet voldoende heeft gemotiveerd waarom eisers verklaringen volgens hem oppervlakkig en niet persoonlijk genoeg zijn.
10.1.
Het betoog slaagt niet. De minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser zeer weinig weet te verklaren over [persoon A]. Dat eiser naar eigen zeggen slechts een relatie had met hem op basis van lust maakt dat niet anders. De minister wijst er bijvoorbeeld op dat eiser niet eens de achternaam van [persoon A] weet. Eiser verklaart slechts dat zijn achternaam misschien ‘[achternaam]’ is. Verder verklaart eiser in zeer algemene termen over de relatie die hij met [persoon A] had. Zo verklaart eiser dat [persoon A] leuk en fijn voor hem was en dat hij geen slecht mens was. De minister wijst er niet ten onrechte op dat eiser heeft verklaard dat [persoon A] de eerste man was met wie hij een relatie had en dat van hem meer mocht worden verwacht. Met betrekking tot [persoon B] heeft de minister uitgebreid gemotiveerd waarom hij zich op het standpunt stelt dat eiser oppervlakkig en niet voldoende persoonlijk verklaart over die relatie. [17] Eiser concretiseert zijn betoog verder niet, zodat het mede daarom niet kan slagen.
Eiser antwoordt ontwijkend op algemene vragen over zijn relaties met mannen
11. Eiser wijst op zijn zienswijze, waarin volgens hem uitgebreid is verklaard over eisers verklaringen op algemene vragen over relaties met mannen. Nu eiser echter geen gronden heeft gericht tegen het bestreden besluit op dit punt, kan dit betoog niet slagen. Het slechts verwijzen naar de zienswijze maakt immers niet duidelijk op welke punten eiser het niet eens is met de beslissing van de minister.
Eiser draagt zijn seksuele gerichtheid als asielmotief gedurende het gehoor steeds laat aan
12. Eiser betoogt dat de minister hem niet mag tegenwerpen dat hij het asielmotief seksuele gerichtheid pas laat in het gehoor opvolgende aanvraag aandraagt. Eiser wijst op het aanvraagformulier waarop zijn seksuele gerichtheid ook staat aangegeven. De minister mag deze constatering niet aan eiser tegenwerpen.
12.1.
Het betoog slaagt niet. De minister stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat eiser het asielmotief seksuele gerichtheid tweemaal pas naar aanleiding van doorvragen aandraagt en dat uit die omstandigheid niet volgt dat het motief de primaire reden is voor eiser om asiel in Nederland te willen. Pas als aan eiser gevraagd wordt of dat alle redenen zijn dat hij niet terug kan keren, benoemt eiser dat hij bang is een probleem te krijgen vanwege zijn gerichtheid. Dit is het geval zowel op de eerste dag als op de tweede dag van het gehoor opvolgende aanvraag [18] De minister werpt eiser niet ten onrechte tegen dat de omstandigheid dat eiser pas na doorvragen zijn seksuele gerichtheid noemt als asielmotief afbreuk aan de geloofwaardigheid daarvan. De minister werpt eiser verder niet ten onrechte tegen dat hij pas in de correcties en aanvullingen verklaart dat zijn seksuele gerichtheid zijn primaire asielmotief is en dat eiser dat al in het gehoor opvolgende aanvraag had moeten doen.
Eisers verklaringen over zijn gevoelens blijven oppervlakkig en weinig persoonlijk
13. Eiser betoogt dat de minister niet voldoende heeft gemotiveerd waarom zijn verklaringen over zijn gevoelens over zijn gestelde biseksuele gerichtheid volgens hem oppervlakkig en weinig persoonlijk zijn. De minister heeft op pagina zeven van het voornemen en op pagina vier van het bestreden besluit echter gemotiveerd waarom hij zich op dit standpunt stelt. Nu eiser zijn betoog niet verder heeft geconcretiseerd is het de rechtbank niet duidelijk waarom deze motivering volgens eiser niet voldoet. Het betoog slaagt daarom niet.
Beperkte kennis van LHBTI-situatie in Nederland en Somalië
14. Eiser betoogt dat afwezigheid van de kennis van de LHBTI-situatie in Nederland niet meteen maakt dat het asielmotief ongeloofwaardig is. Eiser wijst erop dat de minister in het voornemen erkent dat hij wel basale kennis heeft van de LHBTI-situatie in Nederland. Verder wijst eiser erop dat hij regelmatig koffiedrinkt met LHBTI’ers. Ook wijst eiser erop dat hij in Nederland achter zijn gerichtheid is gekomen en dat daarom, gelet op dit referentiekader, eiser juist veel weet te vertellen over de positie van LHBTI’ers in Somalië en dat deze informatie overeenkomt met bronnen die hij heeft aangedragen.
14.1.
Het betoog slaagt niet. De minister stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat van eiser meer mag worden verwacht op het gebied van kennis over de LHBTI-gemeenschap in Nederland als in Somalië. De minister wijst er niet ten onrechte op dat eiser zegt al (minstens) vijf jaar bewust biseksueel te zijn en dat hij, nu hij toegang heeft tot internet, gedurende deze tijd informatie had kunnen opzoeken. De minister wijst er ook op dat eiser inmiddels al sinds 2008 in Nederland is. Dat eiser desondanks weinig weet te verklaren over de situatie van LHBTI’ers in Nederland doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van eisers verklaringen. Zo weet eiser naar eigen zeggen wel dat LHBTI’ers in Nederland zijn geaccepteerd, maar weet hij niet welke rechten zij hebben. Eiser verklaart ook zich daarin niet te hebben verdiept. Hij stelt dat hij tv kijkt en dat hij weet dat homoseksuelen hier rechten hebben en vrij zijn. Eiser weet verder geen LHBTI-organisaties te noemen die in Nederland actief zijn. Eiser verklaart zelf geen onderzoek te hebben gedaan omdat hij met andere dingen bezig was. De minister mag eiser verder tegenwerpen dat hij, vanuit zijn gestelde biseksuele gerichtheid, enige kennis had moeten hebben van de situatie van LHBTI’ers in Somalië. Eiser heeft echter slechts verklaard dat hij niet weet of het bij wet verboden is, maar dat het wordt gezien als doodzonde en dat niemand erover praat. Ook verklaart hij geen onderzoek te hebben gedaan maar dat hij denkt dat er de doodstraf op staat. Dat eiser naar eigen zeggen in Nederland pas achter zijn seksuele gerichtheid kwam maakt dit niet anders. Eiser weet, anders dat hij betoogt, nagenoeg niets over de situatie van LHBTI’ers in Somalië te vertellen terwijl, ondanks zijn referentiekader, door de minister wel van hem verwacht had mogen worden dat hij daarover iets kon verklaren. De minister wijst er in het verlengde hiervan niet ten onrechte op dat het zwaartepunt van de beoordeling conform WI 2019/17 ligt bij de eigen verklaringen van eiser over zijn ervaringen en persoonlijke belevingen.
Eisers overige verklaringen leiden niet tot een ander oordeel
15. Eiser betoogt dat de minister hem niet mag tegenwerpen dat zijn overige verklaringen niet leiden tot een ander oordeel, omdat de minister niet heeft uiteengezet welke verklaringen het betreft.
15.1.
Het betoog slaagt niet. De minister heeft in het voornemen [19] onder het kopje ‘overige verklaringen’ uiteengezet dat eiser weliswaar iets weet te vertellen over de situatie van LHBTI’ers in Nederland, maar dat het hierbij gaat om eenvoudig te verkrijgen en tot op
zekere hoogte algemeen bekende informatie. Daarbij stelt de minister dat eiser ook geen persoonlijke betekenis geeft aan hetgeen hij heeft verklaard. De minister wijst verder op
WI 2019/17 waaruit volgt dat het zwaartepunt van de beoordeling ligt bij
eisers verklaringen over zijn eigen ervaringen en persoonlijke belevingen. Eiser heeft inhoudelijk geen gronden gericht tegen deze motivering van de minister.
Eiser heeft zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk ingediend en heeft
daarvoor geen goede verklaring [20]
16. Eiser betoogt dat het niet tijdig indienen van zijn asielaanvraag niet kan leiden tot ongeloofwaardigheid van dit asielmotief. Eiser wijst op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 7 januari 2025. [21]
16.1.
Het betoog slaagt niet. De rechtbank wijst op de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 15 juni 2025 waarin – kort gezegd – is geoordeeld dat de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000 moeten worden opgevat als cumulatieve voorwaarden, en dat deze onder omstandigheden afzonderlijk kunnen worden tegengeworpen en ook afzonderlijk reden kunnen zijn voor de minister om aan een vreemdeling niet het voordeel van de twijfel te geven over de geloofwaardigheid van een asielmotief. In de uitspraak staat verder dat uit de tekst van de Kwalificatierichtlijn en uit jurisprudentie van het Hof van Justitie ook volgt dat de minister een asielaanvraag altijd op individuele basis moet beoordelen, met inachtneming van alle omstandigheden van het geval en rekening houdend met alle relevante feiten. [22] De minister heeft in deze zaak niet alleen tegengeworpen dat eiser zijn asielaanvraag te laat heeft ingediend, maar heeft eiser ook niet ten onrechte tegengeworpen dat op andere criteria van artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000 geen reden bestaat om eiser het voordeel van de twijfel te geven. De rechtbank wijst op voorgaande overwegingen.
Eiser kan in grote lijnen niet als geloofwaardig worden beschouwd [23]
17. Eiser heeft tegen deze tegenwerping van de minister geen gronden gericht, zodat de rechtbank moet uitgaan van deze tegenwerping van de minister.
18. Uit voorgaande volgt dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de gestelde biseksuele gerichtheid van eiser ongeloofwaardig is.
Loopt eiser vanwege zijn afkomst en individuele kenmerken een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Somalië?
Mag de minister uitgaan van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in Mogadishu?
19. Eiser betoogt dat de minister ten aanzien van Mogadishu ten onrechte uitgaat van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Eiser wijst op de meest recente Country Guidance: Somalia van het European Agency for Asylum (EUAA) uit oktober 2025 (Country Guidance 2025). [24] Daar wordt, in tegenstelling tot het Nederlandse beleid, uitgegaan van een 'hoge mate' van willekeurig geweld in de regio Benadir en de stad Mogadishu.
19.1.
Het betoog slaagt niet. De minister baseert zijn conclusie dat ten aanzien van Mogadishu wordt uitgegaan van een relatief lager niveau van willekeurig geweld op een verscheidenheid aan landeninformatie, die is samengevat in algemeen ambtsbericht Somalië van april 2025 (het ambtsbericht). De minister heeft zich ter zitting terecht op het standpunt gesteld dat de gevaarinschatting van de EUAA in de Country Guidance 2025 weliswaar verschilt met die van de minister, maar dat zowel het EUAA en de minister uiteindelijk tot de conclusie komen dat in de provincie Benadir en de stad Mogadishu geen sprake is van het hoogste niveau van willekeurig geweld, en dat de omstandigheid dat het EUAA een andere afweging heeft gemaakt op zichzelf onvoldoende is om niet langer uit te gaan van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in Benadir en Mogadishu. [25] De rechtbank wijst er in het verlengde van haar oordeel op dat het EUAA ook in de Country Guidance 2023 al een hoger niveau van willekeurig geweld indiceerde in Benadir en Mogadishu, zodat moet worden aangenomen dat zich volgens het EUAA ten aanzien van het willekeurig geweld in Benadir en Mogadishu geen wezenlijke verandering heeft voorgedaan ten opzichte van 2023. [26] In die zin biedt de Country Guidance 2025 ook geen informatie die niet al bij de minister bekend was ten tijde van de totstandkoming van het ambtsbericht.
Heeft de minister bij de beoordeling van eiser persoonlijke risico op ernstige schade voldoende rekening gehouden met zijn individuele omstandigheden?
20. Eiser wijst erop dat voor de deelstaat Mogadishu wordt aangenomen dat er sprake is van een relatief lager risico op willekeurig geweld. Hij wijst op WI 2025/3 waaruit dit volgt. Volgens eiser is sprake van individuele omstandigheden die maken dat eiser persoonlijk een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Eiser wijst erop dat hij nu ongeveer zestien jaar weg is uit Somalië en dat hij daarom zal worden herkend als iemand die in het westen heeft verbleven. Onder verwijzing naar de uitgangspunten van het rapport van het EUAA in de Country Guidance 2023 [27] blijkt volgens eiser dat, omdat hij al lang weg is uit Somalië, hij om die reden de risico’s in het gebied minder goed zal kunnen inschatten en zich niet zal kunnen aanpassen, waardoor hij gevaar loopt. Eiser wijst verder op het ambtsbericht waaruit volgens eiser volgt dat hij moeite zal hebben te integreren bij terugkeer naar Somalië. [28] Ook blijkt uit het ambtsbericht dat toegang tot een duurzaam bestaan in Mogadishu afhangt van persoonlijke netwerken, familiestructuren en clanbanden met sterke clans. Terugkeerders die niet in staat zijn om zich bij hun familie te voegen, worden vaak ontheemden, wat volgens eiser een risico verhogende factor kan zijn. Eiser wijst er verder op dat het UK Home Office vermeldt dat de steun van clans en families belangrijk is voor terugkeerders en ontheemden om zich in Mogadishu te vestigen en dat in die gevallen een zorgvuldige afweging noodzakelijk is. [29] Tot slot wijst eiser op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem van 5 februari 2026. [30] Daaruit volgt volgens eiser dat de minister rekening heeft moeten houden met de omstandigheid dat eiser geen sociaal netwerk meer heeft in Somalië en als terugkeerder die lang in Nederland is makkelijk herkenbaar zal zijn.
21. Het betoog slaagt niet. Eiser is afkomstig uit de stad Mogadishu. Hij heeft daar tot aan zijn vertrek gewoond in de wijk [naam wijk]. Bij terugkeer naar Somalië gaat de minister er daarom van uit dat hij naar Mogadishu zal terugkeren. Zoals onder 20.1. is geoordeeld heeft de minister ten aanzien van de provincie Benadir en in het bijzonder de stad Mogadishu mogen uitgaan van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Het is in dat geval aan eiser om door middel van zijn persoonlijke omstandigheden aannemelijk te maken dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. [31]
21.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is eiser daarin niet geslaagd. Uit de door eiser aangehaalde landeninformatie volgt – kort samengevat – dat terugkeerders problemen kunnen ondervinden met het integreren in de Somalische samenleving omdat hij geen aansluiting zal kunnen vinden bij familie of clanverbanden en dat hij makkelijk kan worden herkend als zijnde afkomstig uit het westen. Verder volgt uit de door eiser aangehaalde informatie dat een gebrekkige kennis van de omgeving en de samenleving er in algemene zin toe kan leiden dat eiser bepaalde risico’s niet goed zal weten in te schatten en dat hij daarom een groter risico loopt op willekeurig geweld. Hoewel uit de door eiser aangehaalde landeninformatie dus blijkt dat de situatie na terugkeer op punten moeilijk zal zijn, blijkt daaruit onvoldoende dat eiser door zijn persoonlijke situatie daadwerkelijk een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. De door eiser aangehaalde landeninformatie biedt daarvoor te weinig aanknopingspunten. Dat eiser makkelijk herkenbaar zal zijn als westerling, zich niet goed zal kunnen integreren en dat een gebrek aan kennis van de omgeving gevaarlijk kan zijn is niet voldoende, en niet voldoende toegespitst op eiser als individu. Deze situatie geldt immers voor iedere terugkeerder die langere tijd in Europa heeft verbleven. De rechtbank volgt tot slot niet de verwijzing van eiser naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem van 5 februari 2026. Die uitspraak betrof een jonge vreemdeling waarvan vaststond dat hij geen familie of clanverbanden meer had in Somalië, terwijl eiser ouder is en dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in Somalië niet nog aanspraak kan maken op clanverbanden of daar nog familie heeft.
Heeft de minister de aanvraag van eiser kennelijk ongegrond mogen verklaren? [32]
22. Eiser betoogt dat de minister de aanvraag van eiser ten onrechte kennelijk-ongegrond heeft verklaard en dat de minister ten aanzien van dit punt ten onrechte geen aandacht heeft besteed aan wat eiser daarover in de zienswijze heeft betoogd. Eiser betoogt dat hem ten onrechte is tegengeworpen dat hij zijn aanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend en dat de aanvraag mede om die reden niet als kennelijk ongegrond had mogen worden afgedaan. [33]
22.1.
Het betoog slaag niet. De minister heeft de aanvraag van eiser kennelijk ongegrond mogen verklaren op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, h en j, van de Vw 2000. Niet in geding is dat de aanvraag van eiser een opvolgende aanvraag betreft, zodat de minister de aanvraag terecht kennelijk ongegrond heeft verklaard op grond van de voorwaarde onder g. Met betrekking tot het betoog van eiser dat de minister hem ten onrechte heeft tegengeworpen dat hij zij aanvraag te laat heeft ingediend (voorwaarde h) constateert de rechtbank dat eiser weliswaar gronden heeft aangevoerd tegen de wijze waarop het pas laat indienen van de aanvraag aan eiser is tegengeworpen in de geloofwaardigheidsbeoordeling, maar dat eiser nergens heeft bestreden dat hij zijn aanvraag eerder had kunnen indienen, nu hij naar eigen zeggen al jaren op de hoogte was van zijn gestelde biseksuele gerichtheid. De minister heeft de aanvraag van eiser op die grond kennelijk ongegrond mogen verklaren. Tot slot heeft de minister in het voornemen voldoende gemotiveerd waarom eiser volgens hem een gevaar is voor de openbare orde (voorwaarde j). Eiser heeft verder geen inhoudelijke gronden gericht tegen dit standpunt zodat de rechtbank dit standpunt van de minister volgt.
22.2.
Gezien voorgaande heeft de minister aan eiser ook een terugkeerbesluit en een inreisverbod mogen opleggen. Eiser heeft tegen deze besluitonderdelen geen afzonderlijke gronden gericht.

Conclusie en gevolgen

23. Er is sprake van een motiveringsgebrek. De rechtbank ziet echter aanleiding het gebrek te passeren op grond van artikel 6:22 van Pro de Awb. Het beroep is daarom ongegrond. De rechtbank wijst daarbij op het onder 5.1. overwogene. Dat betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag van eiser in stand blijft.
23.1.
Omdat sprake was van een motiveringsgebrek krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) vast op € 1.868 (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op zitting, met een waarde per punt van € 934 en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas, rechter, in aanwezigheid van mr. R.C. Lubbers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 31, zesde lid, aanhef van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
2.Artikel 31, zesde lid, onder a, c, d en e van de Vw 2000.
3.Eiser wijst op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen van 15 mei 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:8541.
4.Werkinstructie (WI) 2024/06, onderdeel 4.2. onder e.
6.Artikel 31, zesde lid, onder a van de Vw 2000.
7.Artikel 31, zesde lid, onder c van de Vw 2000.
8.Gehoor opvolgende aanvraag, pagina 10.
9.Gehoor opvolgende aanvraag, pagina’s 6 en 9.
10.Gehoor opvolgende aanvraag, pagina 4.
11.Gehoor opvolgende aanvraag, pagina 6.
12.Gehoor opvolgende aanvraag, pagina 7.
13.Gehoor opvolgende aanvraag, pagina 4.
14.Gehoor opvolgende aanvraag, pagina 7.
15.Gehoor opvolgende aanvraag, pagina 12.
16.Gehoor opvolgende aanvraag, pagina 12.
17.Pagina’s 5 en 6 van het voornemen en pagina 4 van het bestreden besluit.
18.Gehoor opvolgende aanvraag, pagina’s 4 en 6.
19.Voornemen, pagina 8.
20.Artikel 31, zesde lid, onder d van de Vw 2000.
22.Zie de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 15 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:11149, rechtsoverweging 9.1.
23.Artikel 31, zesde lid onder e Vw 2000.
24.Pagina’s 85 t/m 87.
25.Pagina 88.
26.Pagina 173.
27.Pagina’s 203 en 204.
28.AAB 2025, pagina 116.
29.Eiser wijst op de rapportage van het UK home Office, “
31.Dat volgt uit paragraaf C2/3.3.3.3 van de Vc 2000.
32.Artikel 31 eerste Pro lid en artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g van de Vw 2000.
33.Artikel 30b, eerste lid, onder h van de w 2000.