Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16508

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
NL25.54330
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vw 2000Art. 29 Vw 2000Art. 31 Vw 2000Art. 3.37c VV 2000Art. 3.37d VV 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag alleenstaande Somalische vrouw met beschermingsalternatief Mogadishu

Eiseres, een Somalische vrouw behorend tot de Duduble-clan, verzocht om asiel vanwege bedreigingen door [persoon A] van Al Shabaab en de vermeende moord op haar partner [persoon B]. De minister wees haar aanvraag af omdat zij niet geloofwaardig als alleenstaande vrouw werd aangemerkt en omdat Mogadishu als een veilig beschermingsalternatief werd beschouwd.

De rechtbank oordeelt dat de minister de afwijzing deugdelijk heeft gemotiveerd. Hoewel de bedreigingen door [persoon A] deels geloofwaardig zijn, is het vermoeden van moord op [persoon B] onvoldoende onderbouwd. Eiseres kon in Mogadishu terugvallen op haar clangenoten, wat de minister aannemelijk heeft gemaakt.

Het beleid rondom alleenstaande vrouwen in Somalië en het beschermingsalternatief Mogadishu zijn uitgebreid besproken. De rechtbank volgt de minister in de beoordeling dat eiseres niet als alleenstaande vrouw in de zin van het beleid kan worden aangemerkt en dat het vestigingsalternatief Mogadishu redelijkerwijs van haar kan worden verwacht.

Het beroep wordt ongegrond verklaard en eiseres krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter W. Loof op 10 juni 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en de ministerlijke beslissing blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.54330

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juni 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , v-nummer: [nummer] , eiseres

(gemachtigde: mr. B.G. Smouter),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. C.D.G. van IJzendoorn).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft deugdelijk gemotiveerd waarom eiseres niet kan worden aangemerkt als alleenstaande vrouw en ook waarom aan haar een beschermings- en vestigingsalternatief voor de stad Mogadishu kan worden opgelegd. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in dit geding. Onder 3 staat het asielrelaas van eiseres en haar asielmotieven staan in overweging 4. In overweging 5 beantwoordt de rechtbank de vraag of de WI 2024/6 in strijd is met het Unierecht. De beoordeling door de rechtbank over de asielmotieven volgt vanaf 6.1. Daarbij gaat de rechtbank in op de vraag of eiseres vanwege de problemen met [persoon A] van Al Shabaab gevaar loopt. In overweging 8 gaat de rechtbank in op de vraag of eiseres door de minister als alleenstaande vrouw had moeten worden aangemerkt. Onder 10.1 en verder bespreekt de rechtbank of de minister aan eiseres een beschermings-en vestigingsalternatief voor Mogadishu kon opleggen. Aan het eind onder 11 staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eiseres heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 30 oktober 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 24 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiseres legt aan haar asielaanvraag ten grondslag dat zij de Somalische nationaliteit heeft, is geboren op [geboortedag] 1998 en dat zij behoort tot de Duduble bevolkingsgroep. Eiseres heeft verklaard dat [persoon A] van Al Shabaab bij haar kraampje langs is geweest en aan eiseres heeft gevraagd om met hem te trouwen. In eerste instantie is eiseres hiermee akkoord gegaan. Toen [persoon A] eiseres een paar dagen later belde om te vertellen dat hij de volgende ochtend klaar was om met haar te trouwen, heeft eiseres gezegd dat zij niet met hem kon trouwen omdat zij al een relatie had met [persoon B] . Eiseres is toen bedreigd door [persoon A] en zij is direct naar Mogadishu gevlucht. Na enkele dagen werd eiseres gebeld door [persoon A] waarbij hij vertelde dat hij [persoon B] had gedood. Na haar verblijf van tien dagen in Mogadishu heeft eiseres Somalië verlaten.
3.1.
Eiseres heeft geen documenten overgelegd ter onderbouwing van haar asielrelaas.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
- identiteit, nationaliteit en herkomst;
- problemen met [persoon A] van Al Shabaab omdat hij met eiseres wilde trouwen;
- dat eiseres een alleenstaande vrouw is in Somalië.
De minister stelt zich op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres geloofwaardig zijn. Dat eiseres problemen heeft gehad met [persoon A] van Al Shabaab omdat hij met eiseres wilde trouwen en zij niet met hem, wordt door de minister deels geloofwaardig geacht. Dat eiseres in Somalië een alleenstaande vrouw is acht de minister ongeloofwaardig. De (deels) geloofwaardige asielmotieven zijn onvoldoende om eiseres aan te merken als een vluchteling zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag. Dat eiseres uit Somalië komt is op zichzelf niet genoeg om een vluchteling te zijn. Ook valt eiseres niet onder het risicoprofiel ‘alleenstaande vrouwen’ ten aanzien van Zuid- en Centraal- Somalië conform paragraaf C2/2.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000). Dat eiseres uit Somalië komt is op zichzelf evenmin genoeg om aan te nemen dat eiseres een reëel risico loopt op ernstige schade. Eiseres komt uit Ceel Lahelay wat onder controle staat van Al Shabaab. De minister acht daarom wel aannemelijk dat eiseres bij terugkeer naar Ceel Lahelay een reëel risico loopt op ernstige schade. Voor eiseres is echter een vestigingsalternatief beschikbaar, zij kan volgens de minister terugkeren naar Mogadishu. De minister stelt zich vervolgens op het standpunt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in Mogadishu vanwege [persoon A] ook gevaar zal lopen.
4.1.
Op voorhand stelt de rechtbank vast dat de minister geloofwaardig acht dat eiseres is benaderd door [persoon A] van Al Shabaab omdat hij met haar wilde trouwen. Ook twijfelt de minister niet aan de verklaringen van eiseres dat [persoon A] haar heeft bedreigd en heeft gezegd dat hij [persoon B] (de vriend van eiseres) heeft vermoord. De minister volgt eiseres echter niet in haar verklaringen dat [persoon B] daadwerkelijk vermoord zou zijn. In het bestreden besluit verlangt de minister niet langer dat eiseres een overlijdensakte van [persoon B] overlegt. Aan eiseres wordt wel tegengeworpen dat zij onsamenhangend en onaannemelijk heeft verklaard over het overlijden van [persoon B] .
Strijdigheid met het Unierecht
5. Dat de door de minister toegepaste, en in de Werkinstructie 2024/6 opgenomen geloofwaardigheidsbeoordeling in strijd is met het Unierecht, zoals eisers heeft betoogd, volgt de rechtbank niet. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraken van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 25 juni 2025 [1] en van 8 september 2025 [2] . De beroepsgrond slaagt niet.
Acht de minister ten onrechte de problemen met [persoon A] van Al Shabaab ongeloofwaardig?
6. Eiseres betoogt dat zij bij terugkeer naar Somalië gevaar loopt vanwege de problemen met [persoon A] van Al Shabaab. In de eerste plaats is volgens eiseres niet relevant of zij de moord op [persoon B] aannemelijk heeft gemaakt, omdat eiseres met haar andere verklaringen aannemelijk heeft gemaakt dat [persoon A] en Al Shabaab haar hebben bedreigd. Daarnaast betoogt eiseres dat de minister ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat de moord op [persoon B] ongeloofwaardig is. Onder verwijzing naar het beleid in paragraaf C1/4.3.2.3. van de Vc 2000 betoogt eiseres dat de minister niet stelt dat de verklaringen van eiseres tegenstrijdig zijn of in strijd zijn met de beschikbare algemene en specifieke informatie die relevant is voor de aanvraag. De minister stelt enkel dat eiseres over de moord op [persoon B] heeft gehoord van [persoon A] en dat zij dit niet van anderen heeft gehoord of heeft nagevraagd. Dit is volgens eiseres onvoldoende voor het standpunt dat haar verklaringen niet samenhangend en aannemelijk zijn. Eiseres heeft van [persoon A] zelf vernomen dat [persoon B] is vermoord en zij heeft geprobeerd om contact te krijgen met [persoon C] (de buurvrouw uit haar dorp) en de vrouw die haar in Mogadishu heeft geholpen. De minister stelt zich daarom ten onrechte op het standpunt dat van eiseres verwacht mag worden dat zij hierover navraag heeft gedaan bij anderen. Ook heeft de minister dit ten onrechte niet in het nader gehoor uitgevraagd of in het voornemen tegengeworpen. Daarbij komt dat de minister heeft erkend dat eiseres tot een vrij grote clan behoort, zodat niet valt in te zien hoe eiseres kon verifiëren dat [persoon B] daadwerkelijk was overleden. Zij verbleef ook maar kort in Mogadishu.
6.1.
Niet in geschil is dat eiseres het asielmotief identiteit, nationaliteit en herkomst niet heeft onderbouwd met (objectieve) documenten die dit asielmotief volledig onderbouwen. Daarom heeft de minister beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dat is volgens de minister niet het geval, omdat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder b en c, van de Vw 2000.
Verklaringen zijn niet samenhangend en aannemelijk (voorwaarde c)
6.2.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich niet ten onrechte op het standpunt dat eiseres met haar verklaringen niet aannemelijk heeft gemaakt dat [persoon B] door [persoon A] van Al Shabaab is vermoord. Dat [persoon B] door [persoon A] is vermoord is, zoals de minister terecht stelt, is enkel een niet nader onderbouwd vermoeden. Daar komt bij dat eiseres naar Mogadishu is gevlucht met behulp van haar buurvrouw die behoort tot dezelfde clan als eiseres, en in Mogadishu heeft verbleven bij de vriendin van haar moeder, die eveneens bij dezelfde clan hoort Nu eiseres dus in contact was met mensen uit haar clan en [persoon B] daartoe ook behoorde, valt, zoals de minister niet ten onterechte heeft overwogen, niet in te zien dat eiseres op geen enkele manier kon verifiëren dat [persoon B] daadwerkelijk was vermoord. Nu de moord op [persoon B] ten grondslag ligt aan het asielmotief van eiseres mag de minister van haar verwachten dat zij dit motief onderbouwt, bijvoorbeeld door het doen van navraag bij haar buren. De enkele verklaring van [persoon A] , die er baat bij heeft dat eiseres naar hem luistert, maakt niet dat daadwerkelijk moet worden gevolgd dat [persoon A] [persoon B] heeft vermoord. Daar komt bij dat de minister heeft mogen meewegen dat onduidelijk is gebleven hoe [persoon A] wist wie [persoon B] was, nu de verklaring van eiseres dat het een klein dorp is en dat [persoon A] [persoon B] mogelijk bij haar kraampje zou hebben gezien enkel een vermoeden is. De beroepsgrond slaagt niet.
Merkt de minister eiseres ten onrechte niet aan als een alleenstaande vrouw?
Beleid
7. Volgens paragraaf C7/30.3.2 van de Vc 2000 worden alleenstaande vrouwen in Somalië door de minister aangemerkt als risicogroep. Dit beleid is verder uitgewerkt in paragraaf C7/30.3.2.2. van de Vc 2000, waarin uiteen wordt gezet wanneer een vrouw wordt aangemerkt als alleenstaande vrouw in Somalië en wat de gevolgen daarvan zijn. Hierin is opgenomen dat de minister in de regel een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a van de Vw 2000, verleent aan alleenstaande vrouwen uit Somalië. Bij de beoordeling of een vrouw in Somalië als een alleenstaande vrouw wordt gezien en daarom bescherming nodig heeft, wordt gekeken of deze vrouw in de eerste plaats in Somalië geen echtgenoot heeft of een persoon met wie zij een duurzame relatie heeft en mee kan samenwonen. Verder beoordeelt de minister of er geen grootfamilie of een plaatselijke meerderheidsclan is waar de vrouw, gelet op haar individuele omstandigheden, voor opvang en bescherming op terug kan vallen. De minister verleent vervolgens geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aan een alleenstaande vrouw als op grond van haar individuele asielrelaas aannemelijk is dat zij geen bescherming op grond van haar alleenstaande status nodig heeft. Hierbij weegt mee of en hoe zij zich voorheen in het dagelijks leven in Somalië zelfstandig kon handhaven.
7.1.
Eiseres betoogt dat de minister ten onrechte stelt dat zij geen alleenstaande vrouw is en dat daarom het alleenstaande vrouwenbeleid voor Somalië niet op haar van toepassing is. Eiseres betoogt dat uit het beleid volgt dat in de regel een asielvergunning wordt verleend aan een alleenstaande vrouw uit Somalië. Hiermee erkent de minister dat de situatie voor alleenstaande vrouwen, ook in Mogadishu, dusdanig slecht is dat deze vrouwen worden aangemerkt als vluchteling. Gelet daarop is het essentieel dat de minister concreet maakt dat eiseres terug kan vallen op haar clangenoten om ernstige schade te voorkomen. Dit heeft de minister niet gedaan. Eiseres heeft namelijk aangegeven dat zij verder niemand kent in Mogadishu en dat de enige vrouw die haar heeft geholpen een vriendin van haar moeder was. Deze hulp duurde tien dagen, waarbij duidelijk is gemaakt dat de hulp niet langer zou kunnen duren. Het behoort niet tot de verantwoordelijkheid van eiseres om aannemelijk te maken dat zij niet kan terugvallen op haar clangenoten, het is aan de minister om gelet op de individuele omstandigheden van eiseres aannemelijk te maken dat eiseres dit wél kan. In het bestreden besluit is de minister evenmin ingegaan op het EHRM arrest R.H. t. Zweden [3] en de stelling dat het relevant is of een vrouw bescherming kan inroepen van mannelijke familieleden. Ook stelt de minister ten onrechte dat eiseres bij de Hawiye clan leden terecht zou kunnen, dit is echter niet mogelijk omdat eiseres bij een niet dominante subclan van de Hawiye behoort.
7.2.
In de tweede plaats stelt de minister zich, aldus eiseres, ten onrechte op het subsidiaire standpunt dat in het geval eiseres wel als alleenstaande vrouw wordt aangemerkt, geen bescherming aan haar verleend hoeft te worden omdat eiseres zich in het verleden zelfstandig kon handhaven in Somalië. Uit de bewoordingen in het bestreden besluit blijkt dat de minister heeft getoetst aan de laatste alinea van het geldende beleid. Echter is dit volgens eiseres ondeugdelijk gemotiveerd. Van belang is namelijk hoe de situatie in Mogadishu was, omdat wordt verwacht dat eiseres daarnaar terugkeert. Zij kon zich in Mogadishu niet zelfstandig handhaven omdat zij daar onderdook. Het beleid van de minister dat alleenstaande vrouwen die zich in het verleden konden handhaven en daarom geen bescherming behoeven, vindt geen steun in openbare landeninformatie en is ook niet toepasbaar op de situatie van eiseres die moet terugkeren naar een andere plek dan het dorp waar zij woonde.
8. Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eiseres niet kan worden aangemerkt als een alleenstaande vrouw als bedoeld in het voor Somalië geldende beleid. De minister heeft op zitting erkend dat de bewijslast om aannemelijk te maken dat eiseres voor bescherming terug kan vallen op haar clangenoten, bij de minister ligt. De minister heeft zich vervolgens terecht op het standpunt gesteld dat uit openbare informatie volgt dat eiseres op haar meerderheidsclan kan terugvallen voor opvang en bescherming. Uit die informatie blijkt immers dat de Duduble-clan onderdeel is van de Hawiye-clan, die een van de vier grootste clanfamilies in Somalië is en in Mogadishu de dominante clanfamilie, terwijl uit de openbare informatie blijkt dat steun aan een clangenoot een vanzelfsprekendheid is in de Somalische samenleving. [4] Eiseres is in het verleden, zoals de minister terecht aanvoert, ook daadwerkelijk op haar clannetwerk teruggevallen. Eiseres heeft immers tien dagen verbleven bij een vriendin van haar moeder, tevens clangenoot, in Mogadishu. Ook heeft deze vriendin de reis van eiseres, waaronder begrepen haar vliegticket, bekostigd. Daarnaast heeft eiseres steun ontvangen van haar buurvrouw [persoon C] die ook tot dezelfde clan behoort. Dat [persoon D] een vriendin van de moeder van eiseres is doet geen afbreuk aan het feit dat eiseres is geholpen en bescherming heeft gehad vanuit haar clannetwerk. Ook de stelling van eiseres dat de Duduble geen dominante subclan zou zijn en dat relevant is of bescherming van mannelijke familieleden kan worden ingeroepen, leidt niet tot een ander oordeel. Nog daargelaten dat eiseres niet heeft onderbouwd dat de Duduble een niet-dominante of gemarginaliseerde subclan is, staat immers vast dat eiseres de opvang en bescherming van clangenoten daadwerkelijk en effectief heeft kunnen inroepen.
8.1.
De minister heeft zich in zijn besluit kennelijk ook op het standpunt gesteld dat in het geval eiseres wel als alleenstaande vrouw wordt aangemerkt, geen bescherming aan haar verleend hoeft te worden omdat eiseres zich in het verleden zelfstandig kon handhaven in Somalië. Nu de rechtbank tot het oordeel is gekomen dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres niet kan worden aangemerkt als een alleenstaande vrouw, en dus het alleenstaandenbeleid terecht niet van toepassing heeft geacht, ziet de rechtbank geen noodzaak of belang om op dit punt in te gaan.
Mag de minister Mogadishu voor eiseres aanmerken als beschermingsalternatief?
Beleid
9. In paragraaf C2/3.4 van de Vc 2000 staat het beleid rondom het aannemen van een binnenlands beschermingsalternatief opgenomen. Bij de beantwoording van de vraag of een vreemdeling in Nederland bescherming nodig heeft beoordeelt de minister namelijk of in het land van herkomst een beschermingsalternatief [5] aanwezig is in een ander gebied zodat de vreemdeling zich aan de dreiging zoals bedoeld in artikel 29 eerste Pro lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, kan onttrekken. De minister neemt aan dat een ander gebied in het land van herkomst op grond van artikel 3.37d van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV 2000), voldoet als vlucht- of vestigingsalternatief als aan alle voorwaarden is voldaan. In de eerste plaats gaat het om een gebied in het land van herkomst waar de vreemdeling geen risico loopt op vervolging als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag of voor daden als bedoeld in artikel 29 eerste Pro lid, aanhef en onder b van de Vw 2000 óf toegang heeft tot bescherming als bedoeld in artikel 3.37c van het VV 2000. In de tweede plaats moet de vreemdeling op een veilige en wettige wijze kunnen reizen naar en toegang kunnen verkrijgen tot dat gebied in het land van herkomst. In de derde plaats moet van de vreemdeling redelijkerwijs verwacht kunnen worden dat hij zich in dat deel van het land vestigt.
9.1.
In paragraaf C7/30.5.2. van de Vc 2000 is het landgebonden beleid voor een binnenlands beschermingsalternatief voor Somalië opgenomen. In dit beleid staat opgenomen dat de minister conform paragraaf C2/3.4 van de Vc 2000 toetst of gelet op de individuele omstandigheden, een binnenlands beschermingsalternatief kan worden tegengeworpen. Bij deze beoordeling moeten als aanknopingspunten worden betrokken of de vreemdeling eerder heeft verbleven in het gebied buiten het gebied van herkomst en of er grootfamilie aanwezig is.
10. Eiseres betoogt dat de minister ten onrechte stelt dat Mogadishu een binnenlands beschermingsalternatief is voor eiseres. Bij de vraag of er een beschermingsalternatief is moet de minister betrekken of eiseres in Mogadishu grootfamilie heeft, hetgeen niet het geval is. Daarbij komt dat eiseres geen noemenswaardige periode in Mogadishu heeft verbleven. Het is niet redelijk om haar een beschermingsalternatief tegen te werpen. Uit pagina 43 van het Algemeen Ambtsbericht Somalië 2023 volgt dat alleen in uitzonderlijke gevallen Mogadishu als vestigingsalternatief mag worden tegengeworpen en dat dit niet geldt voor vrouwen. De minister verwijst ten onrechte naar de ondersteuning van clanleden. Daarnaast betoogt eiseres dat zij wel degelijk aannemelijk heeft gemaakt dat zij in Mogadishu te vrezen heeft voor geweldpleging. Door de minister wordt ten onrechte een onderscheid gemaakt tussen [persoon A] en Al Shabaab. Dit terwijl Al Shabaab ook in Mogadishu een groot netwerk heeft.
10.1.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eiseres in het gebied van het vestigingsalternatief, namelijk Mogadishu, geen risico loopt of vervolging of ernstige schade. De minister heeft zich in dat kader terecht op het standpunt gesteld dat in Mogadishu de overheid en niet Al Shabaab aan de macht is en niet ten onrechte gesteld dat eiseres niet met haar verklaringen aannemelijk heeft gemaakt dat ze in Mogadishu een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Daarbij heeft de minister van belang mogen achten dat eiseres terug kan vallen op de bescherming en ondersteuning van haar clan, zoals zij in het verleden ook heeft gedaan. De minister heeft vervolgens terecht overwogen dat eiseres weliswaar problemen had met [persoon A] , maar niet met de organisatie Al-Shabaab, zoals eisers zelf ook heeft verklaard in het nader gehoor. [6] De problemen met [persoon A] hebben zich bovendien reeds meer dan twee jaar geleden voorgedaan, zodat niet aannemelijk is dat [persoon A] twee jaar later nog altijd naar haar op zoek zou zijn. Eiseres heeft zelf ook verklaard dat zij niet weet of [persoon A] nog naar haar op zoek is. [7]
10.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres op een veilige en wettige manier naar Mogadishu zou kunnen reizen. Dan resteert dus de vraag of van eiseres redelijkerwijs kan worden verwacht dat zij zich daar vestigt. Zoals hierboven reeds overwogen, dient de minister conform het beleid ten aanzien van beschermingsalternatieven voor Somalië bij deze toets als aanknopingspunten te betrekken of de vreemdeling eerder heeft verbleven in Mogadishu en of daar grootfamilie aanwezig is. De minister heeft ter zitting aangegeven dat het korte verblijf van eiseres in Mogadishu niet kan worden gezien als een eerder verblijf zoals bedoeld in de aanknopingspunten en dat ook geen sprake is van aanwezigheid van grootfamilie in Mogadishu. De minister heeft niettemin, en naar het oordeel van de rechtbank terecht, gesteld dat redelijkerwijs van eiseres kan worden verwacht dat zij zich daar vestigt. Daarbij heeft de minister van belang mogen achten dat eisers wel kort in Mogadishu heeft verbleven, en dat zij daar een sociaal netwerk heeft nu zij immers bij een clangenoot en vriendin van haar moeder heeft verbleven, die ook haar reis heeft betaald zonder tegenprestatie. Bovendien heeft eiseres in Ceel Lahelay gewerkt en heeft zij daar gedurende twee jaar een kraampje gehad, terwijl zij voor haar zusje zorgde. Eiseres heeft bovendien, zoals de minister terecht overweegt, verklaard dat, als Al-Shabaab er niet zou zijn, zij zichzelf opnieuw staande zou kunnen houden. [8] Eiseres heeft betoogd dat zij alleen heeft willen zeggen dat zij zich in Ceel Lahelay staande zou kunnen houden, het dorp waar zij vandaan komt, en waar zij ook bovendien door de buurvrouw werd geholpen, maar niet in Mogadishu. De minister heeft echter terecht geoordeeld dat niet kan worden ingezien dat als zij zich in Ceel Lahelay staande kan houden – zonder (groot)familie maar met behulp van de buurvrouw – niet kan worden ingezien waarom zij zich niet in Mogadishu, met behulp van haar netwerk, staande zou kunnen houden. Ook het gegeven dat uit pagina 43 van het Algemeen Ambtsbericht Somalië 2023 volgt dat alleen in uitzonderlijke gevallen Mogadishu als vestigingsalternatief mag worden tegengeworpen, leidt naar het oordeel van de rechtbank, gezien bovengenoemde omstandigheden, niet tot een andere conclusie. De grond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Loof, rechter, in aanwezigheid van F. Metz, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Rb. Den Haag, zp. Arnhem 25 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:11149.
2.Rb. Den Haag, zp. Arnhem 8 september 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:16613.
3.EHRM 10 september 2015, R.H. t. Zweden, nr. 4601/14.
4.Pagina 31-33 en 98 van het Algemeen Ambtsbericht Somalië 2025.
5.De term beschermingsalternatief is een verzamelterm voor het vlucht-of vestigingsalternatief. Bepalend voor het gebruik van deze termen is de dreiging waartegen deze alternatieven voor de vreemdeling bescherming bieden. De term vluchtalternatief wordt gebruikt bij bescherming van de vreemdeling tegen een dreigende vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. De term vestigingsalternatief gebruikt de minister bij bescherming van de vreemdeling tegen daden als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.
6.Pagina 17 van het nader gehoor.
7.Pagina 19 van het nader gehoor.
8.Pagina 18 van het nader gehoor.