Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16528

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
C/09/694869 / FA RK 25-8747
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253r BWArt. 1:253q BWArt. 1:255 BWArt. 1:265b BWArt. 1:266 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging ouderlijk gezag en benoeming voogdij wegens verslavingsproblematiek en onvermogen ouders

De rechtbank Den Haag heeft op 19 mei 2026 een beschikking gegeven over het verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming tot beëindiging van het ouderlijk gezag van de vader en moeder over twee minderjarige kinderen, geboren in 2021 en 2023. De kinderen wonen sinds januari 2026 bij gezinshuisouders, nadat zij uit een zorgelijke thuissituatie zijn geplaatst vanwege ernstige verslavingsproblematiek en huiselijk geweld.

De ouders oefenen het gezag gezamenlijk uit, maar de rechtbank constateert dat ondanks eerdere kansen en hulpverlening de situatie niet is verbeterd. De ouders zijn onbereikbaar, tonen geen wezenlijke stappen richting herstel en hebben geen contact met de kinderen sinds de uithuisplaatsing. De moeder heeft weliswaar aangegeven een reële kans te willen krijgen, maar de rechtbank oordeelt dat het belang van de kinderen bij stabiliteit en duidelijkheid zwaarder weegt.

De rechtbank beëindigt daarom het ouderlijk gezag en benoemt de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering tot voogd, die de gezagsbeslissingen zal nemen en toezicht houdt op het welzijn van de kinderen. De ouders moeten verantwoording afleggen over het vermogen van de kinderen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en tegen deze beslissing is hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: Het ouderlijk gezag van de ouders wordt beëindigd en de gecertificeerde instelling benoemd tot voogd over de minderjarigen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/694869 / FA RK 25-8747
Datum uitspraak: 19 mei 2026
Beschikking van de meervoudige kamer over beëindiging van ouderlijk gezag en benoeming voogdij
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming 'sGravenhage,
hierna te noemen de Raad,
over de minderjarigen
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2021 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2023 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
bijgestaan door advocaat mr. T. Kocabas uit Zoetermeer,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
met een briefadres in [plaats] ,
en
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen de gecertificeerde instelling.
De rechtbank merkt
de gezinshuisoudersvan [minderjarige 1] en [minderjarige 2] als informanten aan.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
Op 18 november 2025 heeft de rechtbank het verzoekschrift ontvangen.
1.2.
Op 20 november 2025 heeft de rechtbank de bijlagen bij het verzoekschrift ontvangen, waaronder:
  • het rapport van de Raad van 19 november 2025 (beëindiging gezag);
  • de reactie van de ouders op het rapport van 19 november 2025;
  • de bereidverklaringen van de gecertificeerde instelling van 12 november 2025;
  • het rapport van de Raad van 21 augustus 2025 (ondertoezichtstelling);
  • het spoedverzoek tot voorlopige voogdij van 17 oktober 2025.
1.3.
De rechtbank heeft de Raad op 8 april 2026 verzocht om, indien mogelijk, een kort verslag met recente informatie over de kinderen en het verloop van de afgelopen periode te delen, alsmede de contactgegevens van de pleegouders (gezinshuisouders). De rechtbank heeft de gevraagde informatie niet van de Raad ontvangen.
1.4.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 21 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • [naam 1] namens de Raad;
  • de advocaat van de moeder;
- [naam 2] namens de gecertificeerde instelling.
1.5.
De moeder, de vader en de gezinshuisouders zijn niet ter zitting verschenen.
De advocaat van de moeder heeft het standpunt van de moeder naar voren gebracht. De rechtbank stelt vast dat de vader juist is opgeroepen, maar zonder bericht niet is verschenen. De rechtbank heeft op 8 april 2025 aan de Raad verzocht om de gezinshuisouders op de hoogte te stellen van de zitting, omdat hun gegevens bij de rechtbank niet bekend zijn.
1.6.
De advocaat van de moeder heeft ter zitting een pleitnotitie voorgedragen en overgelegd, waarbij hij in de eerste plaats heeft verzocht om het verzoek aan te houden tot de Raad het door de rechtbank gevraagde verslag met actuele informatie heeft ingebracht, zodat de moeder daarop kan reageren.
1.7
De rechtbank heeft het verzoek van de advocaat van de moeder tot aanhouding afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank is de verzochte actuele informatie over de kinderen en het verloop van de afgelopen periode tijdens de zitting afdoende toegelicht en onderbouwd door de Raad en de gecertificeerde instelling. Bovendien komt de informatie overeen met de verklaring van de moeder over de afgelopen periode. De rechtbank acht zich aldus voldoende voorgelicht om de zaak inhoudelijk in volle omvang te kunnen beoordelen. Dat deze informatie niet op voorhand schriftelijk is gedeeld, ook al is dat in het kader van een goede procesorde verzocht te doen (indien mogelijk), staat daaraan niet in de weg.

2.De feiten

2.1.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn erkend door de vader.
2.2.
Uit de aantekening in het gezagsregister volgt dat de vader en de moeder gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen over [minderjarige 1] . De vader en de moeder zijn van rechtswege gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 2] .
2.3.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen sinds januari 2026 bij de gezinshuisouders. Daarvoor woonden zij bij een pleegmoeder.
2.4.
Bij beschikking van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 27 november 2025 is de gecertificeerde instelling belast met de voorlopige voogdij over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Daarbij is vastgesteld dat de voorlopige voogdijmaatregel doorloopt tot op het onderhavige verzoek tot beëindiging van het gezag – dat destijds al bij de rechtbank was ingediend – is beslist.

3.Het verzoek van de Raad

3.1.
De Raad verzoekt primair om het gezag van de vader en de moeder te beëindigen en de gecertificeerde instelling te benoemen tot voogd over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . [1] Subsidiair verzoekt de Raad om de gecertificeerde instelling tot voogd te benoemen omdat de ouders al dan niet tijdelijk in de onmogelijkheid verkeren het gezag uit te oefenen, dan wel omdat het bestaan of de verblijfplaats van de ouder(s) onbekend is. [2] Tertiair verzoekt de Raad om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen en een machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van een jaar. [3] De Raad vraagt om de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
Ter zitting is onder meer toegelicht dat er na indiening van het verzoekschrift geen veranderingen of ontwikkelingen hebben plaatsgevonden die leiden tot heroverweging of een andere conclusie dan uit het rapport van 19 november 2025.

4.De standpunten van de belanghebbenden

4.1.
De moeder is het oneens met beëindiging van haar ouderlijk gezag. Zij vindt dat zij de afgelopen periode voorzichtige concreet waarneembare stappen heeft gezet richting haar herstel. Omdat zij eerder heeft bewezen te kunnen herstellen en dan voor de kinderen te kunnen zorgen, moet haar nog een reële kans worden geboden om te laten zien dat zij het weer kan. Tegen het verzoek tot ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing verzet de moeder zich op dit moment niet.
4.2.
De gecertificeerde instelling onderschrijft het verzoek tot beëindiging van het gezag en heeft zich (nogmaals) bereid verklaard de voogdij over de [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te aanvaarden. Ter zitting is onder meer toegelicht dat de kinderen sinds januari 2026 in een gezinshuis wonen in plaats van bij de pleegmoeder die in de stukken wordt genoemd.

5.De beoordeling van de rechtbank

Verzoek tot beëindiging gezag
5.1.
Het doel van een kinderbeschermingsmaatregel, zoals beëindiging van het gezag, is de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarigen weg te nemen als de ouders daartoe niet in staat zijn. Het gevolg van het beëindigen van het gezag moet in een redelijke verhouding staan tot dat doel. Als de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarigen kan worden weggenomen met een lichtere maatregel dan gezagsbeëindiging, dan beëindigt de rechtbank het gezag niet. Omdat beëindiging van het gezag ingrijpt in het privé- en gezinsleven van de ouders en de minderjarigen beoordeelt de rechtbank ook of de maatregel niet onnodig ingrijpend is. De belangen van de minderjarigen staan voor de rechtbank bij haar beslissing voorop. De rechtbank weegt deze belangen zorgvuldig af tegen de belangen van de ouders. [4]
5.2.
De rechtbank overweegt in dit geval als volgt. Het is bijna een jaar geleden dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vanuit een zeer zorgelijke situatie uit huis zijn geplaatst. Daarbij werd opnieuw duidelijk dat de ouders kampen met complexe problematiek, waaronder verslaving aan alcohol en harddrugs, waar hardnekkige patronen van huiselijk geweld en dwangmatig gebruik uit voortvloeien. Tot kort daarvoor waren de kinderen ruim vier jaar onder toezicht gesteld, maar de maatregel was recent beëindigd en de hulpverlening was met een positief vooruitzicht overgedragen aan het vrijwillige kader. Niet voorzien was dat nadien de situatie zo snel en zo ernstig zou verslechteren, ondanks de bekende en blijvende risico’s van forse verslavingsproblematiek. Zoals reeds overwogen in de voorgaande beschikkingen, is de ontwikkeling, gezondheid en veiligheid van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ernstig geschaad door het gedrag en handelen van de ouders.
5.3.
Als de rechtbank voor de beoordeling van dit verzoek kijkt naar de periode sinds de uithuisplaatsing, dan komt zij tot de conclusie dat de situatie van de ouders niet is verbeterd en onvoldoende is veranderd. In het bijzonder verwijst de rechtbank naar de beschikking van de kinderrechter van 29 augustus 2025, waar de ouders expliciet een kans is gegeven om op korte termijn te laten zien dat zij bereid zijn om aan zichzelf te werken. Vanuit zowel de Raad als de kinderrechter is aan de ouders tijd en vertrouwen gegeven om de hulp aan te nemen en het roer (weer) om te gooien. De kinderrechter heeft daarbij meegewogen dat de moeder jarenlang heeft laten zien dat zij van haar verslaving kan herstellen en kan groeien in haar ouderschap. Ook de rechtbank weegt die omstandigheid mee, maar kan niet anders dan concluderen dat het de moeder (en de vader) niet is gelukt de gevraagde bereidheid te tonen. In plaats van een positieve ontwikkeling volgde de voorlopige voogdijmaatregel om belangrijke beslissingen over de kinderen te kunnen nemen, omdat de ouders onbereikbaar waren. Ook gedurende het onderzoek van de Raad naar de noodzaak tot beëindiging van hun gezag waren de ouders afwezig. Over de periode daarna hebben de gecertificeerde instelling en de Raad tijdens de zitting een beeld geschetst dat vergelijkbaar is met de omstandigheden in augustus 2025. Behalve de (veelal eenzijdige) wekelijkse updates heeft er geen contact met de ouders plaatsgevonden. Andere pogingen tot het maken van afspraken zijn niet gelukt. De verdrietige omstandigheid is ook dat er geen contact is geweest tussen de kinderen en de ouders sinds de uithuisplaatsing. Voorgaande wordt door de moeder niet betwist. Zij geeft aan dat het contact met de gecertificeerde instelling haar moeite kost en dat zij bang is voor de confrontatie met haar kinderen. In het licht van de gebeurtenissen begrijpt de rechtbank dat stress en schaamte de overhand kunnen krijgen, maar feit is dat er maanden verstreken zijn waarin geen enkele vooruitgang is geboekt. Door de hulpverlening zijn handreikingen gedaan, bijvoorbeeld via de geplande omgangsmomenten, maar daar kwamen de ouders niet opdagen. De acties die de moeder wel zou hebben ondernomen volgens haar advocaat, zoals het contact met [instantie] (op aansporen van [instantie] ), contact met de wijkagent voor het regelen van verslavingszorg en het opknappen van de woning, beschouwt de rechtbank niet als wezenlijke veranderingen. De noodzakelijke stap richting verslavingszorg is feitelijk niet gezet. Bovendien merkt de rechtbank op dat de ouders kennelijk de wens hebben om samen te (blijven) wonen in de woning die zij aan het opknappen zijn. Zoals in eerdere uitspraken al is geconcludeerd vormt de relatie tussen de ouders een groot veiligheidsrisico voor de kinderen, omdat het zeer aannemelijk is dat de (destijds) actuele verslaving van de vader van directe invloed is geweest op de terugval van de moeder in haar middelengebruik, met alle gevolgen van dien.
5.4.
Het uitblijven van positieve verandering bij de ouders illustreert hun onmacht om het belang van de kinderen voorop te zetten. Kijkend naar de belangen van de kinderen is de rechtbank van oordeel dat de aanvaardbare termijn voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] om onzekerheid te ervaren over hun toekomstperspectief is verstreken. Met name bij [minderjarige 1] was ten tijde van het onderzoek door de Raad al merkbaar dat hij veel behoefte heeft aan duidelijkheid en nabijheid. Ook heeft hij moeite met slapen en zijn er zindelijkheidsproblemen. [minderjarige 2] stelt veel vragen en laat soms ingewikkeld gedrag zien. Het zijn allemaal signalen waaruit blijkt dat het voor de kinderen een bijzonder moeilijke tijd is geweest. Niet alleen zijn zij slachtoffer geworden van een onveilige en verwaarloosde thuissituatie bij de ouders, ook is plots het contact met de ouders verbroken en hebben zij onlangs ook afscheid moeten nemen van de pleegmoeder. De rechtbank gunt de kinderen rust en ruimte om alle gebeurtenissen te verwerken.
5.5.
De rechtbank is zich ervan bewust dat de ouders gebukt gaan onder hun verslavingsproblemen en dat zij als gevolg daarvan de kinderen niet op de eerste plek kunnen zetten en onmachtig zijn de verantwoordelijkheid voor de opvoeding te dragen.
Dat neemt niet weg dat het de verantwoordelijkheid is van de ouders om hun verslavingsproblematiek onder controle te krijgen. Gebleken is dat in de afgelopen periode dat niet alleen niet is gebeurd, maar dat ook de eerste stap daartoe – het inschakelen van verslavingszorg – niet is gezet. Het is een wrange constatering dat het positieve vooruitzicht waarmee de ondertoezichtstelling vorig jaar is afgesloten een tegengestelde wending heeft gekregen. De moeder heeft eerder en bij deze zitting middels haar advocaat nogmaals aangegeven dat zij een reële kans moet krijgen om te laten zien dat ze het kan, zoals zij voorgaande jaren heeft bewezen. De rechtbank is van oordeel dat haar die kans meermaals is geboden en dat het wachten op het moment dat zij de kans pakt niet ten koste mag gaan van het welzijn van de kinderen. Het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij stabiliteit en duidelijkheid weegt zwaarder dan het belang van de moeder om weer voor te kinderen te zorgen. Ten aanzien van de vader is de rechtbank van oordeel dat hij zijn ouderlijk gezag feitelijk al veel langer niet uitoefent en dat nergens uit blijkt dat hij de wens heeft dat te doen. Voor zover er informatie over de vader beschikbaar is, volgt daaruit dat hij de verzorging en opvoeding van de kinderen aan de moeder heeft overgelaten.
5.6.
Voorgaande leidt tot het oordeel van de rechtbank dat de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ernstig wordt bedreigd en de vader en de moeder de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de kinderen niet binnen een aanvaardbare termijn kunnen dragen. [5] Dat betekent dat aan de wettelijke vereisten voor beëindiging van het gezag van de vader en de moeder is voldaan. De rechtbank zal het verzoek daarom toewijzen.
5.7.
Ten overvloede overweegt de rechtbank dat de moeder heeft verklaard een stap richting contactherstel met de kinderen te willen zetten als zij daar klaar voor is. De beslissing van de rechtbank over het gezag neemt niet weg dat zowel de kinderen als de moeder en ook de vader het recht hebben en houden om contact met elkaar te hebben. Zij zullen altijd belangrijk blijven in elkaars leven. Voor de mogelijkheden tot contactherstel zullen de belangen van de kinderen altijd leidend zijn.
Benoeming voogdij
5.8.
Door de beëindiging van het gezag van de vader en de moeder is er niemand meer om gezagsbeslissingen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te nemen. De rechtbank benoemt daarom een voogd over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] die voortaan de gezagsbeslissingen neemt. [6] De gecertificeerde instelling heeft verklaard dat te willen doen. De rechtbank is van oordeel dat de gecertificeerde instelling de voogdij moet krijgen. Omdat de kinderen pas kort in het gezinshuis wonen is pleegoudervoogdij nog niet aangewezen. De gecertificeerde instelling kan zowel de gezinshuisouders als de ouders blijven ondersteunen en zicht houden op de belangen van de kinderen.
5.9.
De rechtbank zal bepalen dat de vader en de moeder aan de gecertificeerde instelling die tot voogd wordt benoemd rekening en verantwoording moeten afleggen over het door hen gevoerde bewind over het vermogen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . [7] Dit betekent dat zij de gecertificeerde instelling op de hoogte moeten stellen van alle geldzaken die over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gaan, zodat de gecertificeerde instelling vanaf nu de geldzaken kan regelen.
5.10.
De beslissing tot beëindiging van het gezag en benoeming van de voogdij wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [8]
5.11.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat betekent dat de beslissing blijft gelden als iemand het er niet mee eens is en in hoger beroep gaat.
5.12.
Omdat de rechtbank een beslissing neemt op het primaire verzoek van de Raad, blijft de beoordeling van het secundaire en tertiaire verzoek van de Raad achterwege.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
beëindigt het ouderlijk gezag van
-
[de vader], geboren op [geboortedatum 3] 1992 te [land] ;
-
[de moeder], geboren op [geboortedatum 4] 1990 in [geboorteplaats] ,
over de minderjarigen
-
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2021 in
[geboorteplaats]
-
[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2023 in [geboorteplaats] ;
6.2.
benoemt tot voogd over voornoemde minderjarigen
-
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
6.3.
bepaalt dat de vader en de moeder rekening en verantwoording moeten afleggen over het door hen gevoerde bewind over het vermogen van genoemde minderjarigen;
6.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven op 19 mei 2026 door mr. R. van Zeijst-Repelaer van Driel,
mr. T.E.F. Reijnders en mr. N.B. Haverhoek, kinderrechters, in aanwezigheid van
mr. S.T. Viezee als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikelen 1:266 en 1:275 Burgerlijk Wetboek (BW).
2.Artikel 1:253r in samenhang met 1:253q BW.
3.Artikelen 1:255 en 1:265b BW.
4.Artikel 8 EVRM Pro en artikel 3 IVRK Pro.
5.Artikel 1:266, eerste lid, onder a, BW.
6.Artikel 1:275, eerste lid, BW.
7.Artikel 1:276, eerste lid, BW.
8.Artikel 2 Besluit Pro gezagsregisters.