Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16561

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
NL25.56003
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vw 2000Art. 31 lid 6 sub c Vw 2000Art. 64 Vw 2000Vluchtelingenverdrag
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardigheid van verklaringen over politieke vervolging in Georgië

Eiser heeft een asielaanvraag ingediend op grond van vermeende vervolging in Georgië vanwege zijn lidmaatschap van de Verenigde Nationale Beweging (VNB), problemen met politie en schuldeisers, en deelname aan protesten. De minister heeft de aanvraag afgewezen wegens ongeloofwaardigheid van de identiteit en de asielmotieven.

De rechtbank heeft het beroep behandeld en geoordeeld dat eiser onvoldoende objectieve documenten heeft overgelegd om zijn identiteit te onderbouwen. De verklaringen over zijn lidmaatschap van de VNB, deelname aan protesten, problemen met politie en schuldeisers zijn summier, algemeen en onsamenhangend, waardoor de minister deze terecht ongeloofwaardig mocht achten.

Ook heeft eiser onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer in Georgië een gegronde vrees voor vervolging heeft. De rechtbank concludeert dat het bestreden besluit terecht in stand blijft en verklaart het beroep ongegrond. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.56003

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. A. Alkir),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. R.M. Koning).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft de door eiser gestelde problemen als gevolg van zijn lidmaatschap bij de Verenigde Nationale Beweging (VNB), de problemen met de politie en de problemen met de schuldeisers ongeloofwaardig mogen achten. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in dit geding. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. Onder 4 staat een samenvatting van het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 5. Daarbij gaat de rechtbank in op de vragen of de minister de identiteit van eiser ongeloofwaardig mocht achten, of de minister de problemen van eiser door zijn lidmaatschap van de VNB ongeloofwaardig mocht achten, of de minister de problemen met de politie ongeloofwaardig mocht achten en of de minister de problemen met de schuldeisers ongeloofwaardig mocht achten. Tenslotte gaat de rechtbank in op de vraag of de minister het asielrelaas van eiser onvoldoende zwaarwegend mocht achten. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 14 november 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 19 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft in Georgië problemen gehad met de politie, schuldeisers en straatcriminelen. Eiser is bedreigd en mishandeld door de politie en bedreigd en geïntimideerd door de straatcriminelen. De schuldeisers hebben eiser ontvoerd en mishandeld. Eiser heeft deelgenomen aan protesten omdat hij het niet eens is met de regering. Bij terugkeer naar Georgië vreest eiser dat de politie, de straatcriminelen of de schuldeisers hem iets aan zullen doen.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. sympathisant van de VNB
3. problemen met de politie
4. problemen met de schuldeisers
4.1.
De minister acht de nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. De identiteit van eiser is niet geloofwaardig. De minister acht het verder geloofwaardig dat eiser sympathisant is van de VNB. Het lidmaatschap van eiser bij de jongerentak van deze beweging, de deelname aan protesten en de problemen vanwege zijn politieke mening, de problemen met de politie de problemen met de schuldeisers zijn niet geloofwaardig. Tenslotte heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij vanwege zijn politieke overtuiging in Georgië te vrezen heeft voor vervolging, zodat hij niet als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag kan worden aangemerkt.
Mocht de minister de identiteit van eiser ongeloofwaardig achten?
5. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij zijn identiteit niet voldoende met documenten heeft onderbouwd. De enkele stelling dat een kopie van een paspoort onvoldoende is om de identiteit vast te stellen is hiervoor niet genoeg. Hierbij is de minister niet ingegaan op de kopie van het paspoort dat door eiser is overgelegd. Volgens eiser moet aan dit document, als kopie van een officieel identiteitsbewijs, zwaar gewicht worden toegekend.
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank stelt minister zich terecht op het standpunt dat eiser zijn identiteit niet volledig heeft onderbouwd. Eiser heeft geen objectieve documenten heeft overgelegd om zijn identiteit te onderbouwen. De door eiser overgelegde kopie van zijn paspoort heeft overgelegd heeft niet de gewenste bewijswaarde, omdat van een kopie de authenticiteit niet kan worden vastgesteld. [1]
Heeft de minister de problemen van eiser vanwege zijn lidmaatschap van de VNB ten onrechte ongeloofwaardig geacht?
6. Niet in geschil is dat eiser zijn verklaringen over deze problemen niet heeft onderbouwd met (objectieve) documenten die dit asielmotief volledig onderbouwen. Daarom heeft de minister beoordeeld of het asielmotief, gelet op eisers verklaringen, alsnog geloofwaardig is. Dat is volgens de minister niet het geval, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder c van de Vw 2000.
Verklaringen over het lidmaatschap bij de VNB zijn summier en algemeen
6.1.
Eiser betoogt dat hij wel degelijk gedetailleerd heeft verklaard over zijn lidmaatschap van de VNB en over zijn werkzaamheden hiervoor. De werkzaamheden van eiser bestonden uit het verspreiden van posters, het organiseren van bijeenkomsten en het vasthouden van partijvlaggen.
6.2.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich niet ten onrechte op het standpunt dat eisers verklaringen over zijn problemen vanwege zijn lidmaatschap van de VNB summier en algemeen zijn. Eiser kon in het nader gehoor niet aangeven vanaf wanneer tot wanneer hij lid was van de VNB. De verklaringen van eiser over zijn activiteiten voor de VNB, zoals het vasthouden van de partijvlag, zijn bovendien, zoals de minister terecht stelt, summier en weinig specifiek, dit ondanks dat eiser naar eigen zeggen van 2004 tot 2013 politiek actief was. Daar komt bij dat eiser ook over zijn beweegredenen om lid te worden van de VNB alsmede over de doelen van de VNB slechts zeer summier verklaart.
Verklaringen over de deelname aan de protesten zijn summier
6.3.
Eiser betoogt dat hij ook uitgebreid heeft verklaard over zijn deelname aan de protesten van de VNB tegen de regering in Georgië. Deze verklaringen zijn, anders dan de minister stelt, niet oppervlakkig, maar geven juist blijk van zijn kennis en daadwerkelijke politieke betrokkenheid. In Georgië zijn de termen ‘democratie’ en ‘rechtsstaat’ juist kernpunten van de politieke strijd. Dit heeft de minister ten onrechte niet erkend. Eiser wil actief deelnemen aan demonstraties, waardoor hij problemen zal krijgen met de autoriteiten in Georgië.
6.4.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich niet ten onrechte op het standpunt dat de verklaringen van eiser over zijn deelname aan de protesten summier zijn. De enkele verklaring van eiser dat hij zes keer heeft deelgenomen aan protesten maakt dit niet anders. Eiser heeft verklaard dat hij deelnam aan de protesten uit overtuiging voor democratie en rechtvaardigheid. De minister stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat dit enkel algemene termen zijn, waarmee eiser zijn deelname aan de protesten niet aannemelijk heeft gemaakt. De minister heeft daarbij terecht in aanmerking genomen dat eiser ook niet bij benadering kon aangeven wanneer hij aan de protesten heeft deelgenomen, maar enkel kon verklaren dat het voor zijn vertrek uit Georgië was.
Conclusie
6.5.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de problemen van eiser naar aanleiding van zijn lidmaatschap bij de VNB ongeloofwaardig mogen achten.
Heeft de minister de problemen van eiser met de politie ten onrechte ongeloofwaardig geacht?
7. Eiser betoogt dat hij in het nader gehoor consistent heeft verklaard over de bedreigingen en mishandelingen door de politie. Hierbij is het incident in Gidani van belang, omdat eiser daarbij op zijn hoofd is geslagen en er schoten zijn gelost. Volgens eiser betreft dit een concreet en ernstig voorbeeld van politiegeweld dat moet worden bezien tegen de achtergrond van de bredere context van corruptie en politieke druk in Georgië. De minister heeft de verklaringen van eiser ten onrechte niet in onderlinge samenhang bezien. De verklaringen van eiser over de dreiging van de politie met detentie, het aanbod om als informant te werken en de uitoefening van druk om eiser te laten stemmen op de regeringspartij, wijst op structurele intimidatie en machtsmisbruik. Dit versterkt de geloofwaardigheid van dit asielmotief van eiser.
7.1.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich niet ten onrechte op het standpunt dat de problemen van eiser met de politie ongeloofwaardig zijn. De minister stelt immers niet ten onrechte dat eiser onsamenhangend heeft verklaard over zijn problemen met de politie. Eiser heeft drie verschillende redenen gegeven waardoor hij problemen heeft met de politie: de politie heeft hem onder valse voorwendselen bedreigd met detentie vanwege drugsbezit, de problemen kwamen voort uit de betrokkenheid van eiser bij de VNB en de politie heeft eiser bedreigd en mishandeld toen de politie hem tegenkwam op een parkeerplaats. Deze redenen verschillen niet enkel op detailniveau maar ook op hoofdlijnen van elkaar. Hierdoor blijft het onduidelijk wat de aanleiding van de problemen met de politie is geweest. Dit is van belang omdat eiser heeft verklaard dat het probleem met de politie de reden was voor zijn vertrek uit Georgië. Omdat dit een belangrijk onderdeel van het asielmotief is, mocht de minister van eiser verwachten dat hij hier concreet over kan verklaren. Hier is eiser niet in geslaagd.
Conclusie
7.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de problemen van eiser met de politie ongeloofwaardig mogen achten.
Mocht de minister de problemen van eiser met de schuldeisers ongeloofwaardig achten?
Summiere verklaringen over de schuldeisers
8. Eiser betoogt dat hij consistent heeft verklaard dat hij een lening van €5000-€6000,- heeft afgesloten bij een particuliere organisatie om een werkplaats op te zetten. Deze schulden zijn door een faillissement en de hoge rente opgelopen tot €16000,-. Dit is een logische verklaring die past binnen de economische situatie in Georgië, omdat in Georgië veel microfinancieringsorganisaties actief zijn. In de zienswijze heeft eiser de naam van de organisatie genoemd.
8.1.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich niet ten onrechte op het standpunt dat de problemen van eiser met de schuldeisers ongeloofwaardig zijn. Eiser heeft niet nader toegelicht waarom hij de naam van de organisatie in de zienswijze plots wel kon noemen, maar niet eerder in de procedure. Daar komt bij dat eiser niet precies heeft aangegeven wie achter hem aankwam toen hij de lening niet terug kon betalen. Hij verklaart namelijk niet te weten wie deze mensen waren. Dat er mensen door schuldeisers achter hem aan zijn gestuurd en dat zij contact hadden met de autoriteiten en afwisten van zijn inzet voor de VNB betreft, naar de minister niet ten onrechte heeft overwogen, slechts een aanname van de kant van eiser die hij niet heeft onderbouwd met concrete feiten of omstandigheden.
Oppervlakkige verklaringen over de ontvoering
8.2.
Eiser betoogt dat hij gedetailleerd heeft verklaard over de ontvoering en mishandeling. Zijn verklaring over dit incident wordt door de minister ten onrechte afgedaan als ‘oppervlakkig’. Door de geheugenproblemen van eiser en zijn medische en psychische situatie is het verklaarbaar dat eiser geen exacte data kan noemen. Deze problemen van eiser moeten worden gezien in een context van corruptie en straffeloosheid, waarbij schuldeisers opereren in nauwe samenwerking met de overheid. Dit vergroot het risico op vervolging en ernstige schade.
8.3.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich niet ten onrechte op het standpunt dat eiser oppervlakkig heeft verklaard over de gestelde ontvoering. Hierbij verwacht de minister niet van eiser dat hij exacte data kan noemen. Er wordt wel van hem verwacht dat hij bij benadering kan aangeven wanneer de ontvoering heeft plaatsgevonden aangezien dit een ingrijpende gebeurtenis is geweest voor eiser. Dit is een belangrijk onderdeel van het asielrelaas van eiser, zodat van hem mag worden verwacht dat hij hierover gedetailleerd kan verklaren. Eiser is daar niet in geslaagd.
Conclusie
8.4.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mocht de minister de problemen van eiser met de schuldeisers ongeloofwaardig achten.
Heeft de minister het asielrelaas van eiser terecht onvoldoende zwaarwegend geacht?
9. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser bij terugkeer naar Georgië geen gegronde vrees voor vervolging heeft. Hierbij is van belang dat eiser in Georgië wil deelnemen aan demonstraties, waardoor hij problemen gaat krijgen met de autoriteiten. Eiser loopt het risico om hierdoor aangehouden te worden en in de gevangenis het slachtoffer te worden van mishandelingen en mensonterende omstandigheden. Eiser verwijst hierbij naar documenten van de Europese Commissie en van Amnesty International, waaruit blijkt dat demonstranten op gewelddadige wijze worden aangehouden in Georgië. Ook blijkt uit deze documenten dat er sprake is van buitensporig geweld tegen demonstranten.
9.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat eiser niet als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag gezien hoeft te worden. Eiser heeft zijn stelling dat hij bij terugkeer naar Georgië moet vrezen voor vervolging omdat hij daar wil demonstreren, niet onderbouwd. Ook heeft eiser in de zienswijze niet gereageerd op alle overwegingen uit het voornemen, waardoor in het geval van eiser geen sprake is van een gegronde vrees voor vervolging. Eiser heeft niet nader onderbouwd waarom in zijn geval sprake is van een reëel risico op ernstige schade.
Had de minister uitstel van vertrek moeten verlenen aan eiser op grond van artikel 64 van Pro de Vw?
10. Ter zitting heeft eiser de grond die ziet op artikel 64 van Pro de Vw 2000 laten vallen. Deze grond behoeft om die reden geen verdere bespreking.

Conclusie en gevolgen

11. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Loof, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E. Brokke, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Rb. Den Haag (zp Arnhem) 8 september 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:16613, onder 7.1.3.