Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16565

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
NL26.18354
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
artikel 17 Dublinverordeningartikel 30, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening en medische situatie

Eiser diende op 14 december 2025 een asielaanvraag in die door de minister op 31 maart 2026 niet in behandeling werd genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling volgens de Dublinverordening. Eiser betwist dit en voert aan dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet mag worden toegepast vanwege zijn medische situatie en persoonlijke omstandigheden.

De rechtbank stelt vast dat Nederland terecht mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor Frankrijk, aangezien er geen sprake is van structurele tekortkomingen in het Franse opvang- en zorgsysteem. De persoonlijke ervaringen van eiser rechtvaardigen geen afwijking van dit beginsel. Ook de medische situatie van eiser, waaronder PTSS en chronische pijnklachten, leidt niet tot de conclusie dat overdracht aan Frankrijk aanzienlijke en onomkeerbare gezondheidsgevolgen zal hebben.

Verder oordeelt de rechtbank dat de minister terecht geen toepassing heeft gegeven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening, omdat de medische zorg in Frankrijk beschikbaar en toegankelijk is en de regeling niet bedoeld is om verblijf bij een partner in Nederland mogelijk te maken. Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het besluit van de minister blijft in stand.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.18354

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. M. Grigorjan),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. C.R. Stoute).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister mag voor Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, had niet vanwege de medische situatie van eiser hoeven afzien van een overdracht aan Frankrijk en had geen toepassing hoeven geven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 14 december 2025 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 31 maart 2026 niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep, samen met de zaak NL26.18355, op 5 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader
3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [1] In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.
Mag de minister voor Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
4. Eiser betoogt dat de minister voor Frankrijk niet mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Zelfs als er geen sprake is van structurele tekortkomingen, moet de minister beoordelen of individuele omstandigheden van de vreemdeling maken dat hij bij terugkeer naar Frankrijk een reëel risico op een onmenselijke of vernederende behandeling loopt. De minister heeft dat met een enkele verwijzing naar vaste rechtspraak dat voor Frankrijk mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel onvoldoende gedaan en de persoonlijke omstandigheden van eiser onvoldoende in de besluitvorming betrokken. Eiser heeft verklaard dat hij tijdens zijn eerdere verblijf in Frankrijk geen toegang had tot opvang en dat hij feitelijk geen toegang had tot medische zorg, omdat hij de hem voorgeschreven medicatie niet kon betalen.
4.1.
Dit betoog slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat hij voor Frankrijk mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel betekent dat Nederland ervan uitgaat dat Frankrijk zich houdt aan zijn Unierechtelijke verplichtingen. Dat is anders als in Frankrijk sprake is van structurele tekortkomingen die maken dat de vreemdeling buiten zijn wil en persoonlijke keuzes om terecht zou komen in een situatie van “zeer verregaande materiële deprivatie”. [2] Eiser heeft, afgezien van zijn individuele omstandigheden, ook niet betoogd dat sprake is van structurele tekortkomingen. Hij heeft wel gewezen op wat hij eerder heeft meegemaakt in Frankrijk. Maar daarover heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat wat deze persoonlijke ervaringen niet maken dat zich in Frankrijk dergelijke structurele tekortkomingen voordoen. Daarbij heeft de minister mede in aanmerking genomen dat eiser medicijnen voorgeschreven heeft gekregen, zodat hij toegang heeft gekregen tot medische zorg voor zijn klachten. Het voorgaande heeft tot gevolg dat de minister ervan mag uitgaan dat eiser in Frankrijk toegang krijgt tot opvang en medische zorg, en dat in Frankrijk rekening wordt gehouden met zijn kwetsbaarheid en psychische problemen. Daarom bestaat geen aanleiding om aan te nemen dat eiser bij overdracht aan Frankrijk een reëel risico op een onmenselijke of vernederende behandeling loopt, zodat deze individuele omstandigheden niet leiden tot het oordeel dat de minister de asielaanvraag in behandeling had moeten nemen op de grond dat Frankrijk zich niet aan zijn Unierechtelijke verplichtingen houdt.
Had de minister op grond van de medische situatie van eiser moeten afzien van een overdracht aan Frankrijk?
5. Eiser betoogt dat de minister op grond van zijn medische situatie had moeten afzien van een overdracht aan Frankrijk. [3] Eiser heeft zowel lichamelijke als psychische klachten (waaronder PTSS en hallucinaties), voortkomend uit het ernstige geweld dat hij vanwege zijn seksuele gerichtheid heeft ondervonden. [4] Eiser is vanwege deze klachten bijzonder kwetsbaar. Een overdracht aan Frankrijk zal leiden tot een verslechtering van zijn medische situatie, juist vanwege het feit dat hij in Frankrijk geen opvang zal krijgen en de benodigde medische zorg – ondanks de feitelijke beschikbaarheid van die zorg – niet zal kunnen betalen. Om die reden zal eiser in Frankrijk niet de stabiele leefomgeving krijgen die hij vanwege zijn medische klachten nodig heeft en die hij in Nederland – onder meer door vrijwilligerswerk te doen – nu wel heeft. Gelet hierop had de minister de overgelegde medische stukken niet terzijde mogen schuiven om de enkele reden dat hieruit niet volgt wat de gevolgen van een overdracht aan Frankrijk voor de gezondheidstoestand van eiser zijn en had de minister reden moeten zien om eiser niet aan Frankrijk over te dragen, of om op zijn minst het Bureau Medische Advisering (BMA) om een advies te vragen.
5.1.
Dit betoog slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat hij niet heeft hoeven afzien van een overdracht aan Frankrijk. De minister moet van een overdracht aan Frankrijk afzien als deze kan leiden tot aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen voor de (bijzonder ernstige) gezondheidstoestand van eiser. [5] Uit de overgelegde medische stukken volgt dat eiser PTSS en chronische pijnklachten heeft, en dat hij daarvoor in Nederland wordt behandeld. Maar uit deze stukken volgt niet of en, zo ja, welke invloed een overdracht aan Frankrijk op deze klachten heeft. De minister wijst er daarnaast, mede gelet op wat onder 4.1 is overwogen, terecht op dat Nederland mag verwachten dat eiser ook in Frankrijk voor zijn klachten kan worden behandeld. De minister had daarom geen reden hoeven zien om de overdracht aan Frankrijk achterwege te laten of het BMA om advies te vragen.
Had de minister toepassing moeten geven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening?
6. Eiser betoogt dat de minister toepassing had moeten geven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Eiser wijst in dit verband op zijn medische klachten en het ontbreken van (toegankelijke) medische zorg voor die klachten in Frankrijk, en op het feit dat hij in Nederland een partner heeft die hem emotionele steun geeft die voor eiser van groot belang is. De minister had dat niet terzijde mogen schuiven met de enkele stelling dat eiser voor een eventuele gezinshereniging een daartoe strekkende aanvraag kan indienen.
6.1.
Dit betoog slaagt niet. De minister stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat hij geen toepassing heeft hoeven geven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening. De minister maakt (onder meer) van deze bepaling gebruik als bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van eiser aan Frankrijk van onevenredige hardheid getuigt. [6] De minister stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat daarvan in het geval van eiser niet is gebleken. In het kader van het interstatelijk vertrouwensbeginsel heeft de minister beoordeeld of de vereiste medische zorg voor eiser in Frankrijk beschikbaar en toegankelijk is. Die vraag heeft de minister bevestigend beantwoord en de rechtbank kan dat standpunt, gelet op wat onder 4.1 is overwogen, volgen. Daarom heeft de minister de medische situatie van eiser niet ook nog hoeven betrekken bij de vraag of hij toepassing had moeten geven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening. [7] Verder mocht de minister erop wijzen dat de Dublinverordening niet is bedoeld om verblijf bij de (gestelde) Nederlandse partner van eiser mogelijk te maken en dat eiser, als hij verblijf bij zijn partner beoogt, een daartoe strekkende aanvraag om een (reguliere) verblijfsvergunning kan indienen.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag in stand blijft. De minister hoeft de proceskosten van eiser daarom niet te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J.B. ter Beke, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
2.Vergelijk HvJEU 19 maart 2019, C-163/17, ECLI:EU:C:2019:218 (
3.Eiser wijst in dit verband op HvJEU 16 februari 2017, C-578/16, ECLI:EU:C:2017:127 (
4.Eiser heeft zijn medische situatie onderbouwd met een overzicht van zijn huisartsendossier en een brief van Kleur GGZ van 2 maart 2026.
5.HvJEU 16 februari 2017, C-578/16, ECLI:EU:C:2017:127 (
6.Zie paragraaf C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000.
7.Vergelijk ABRvS 16 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1431, r.o. 4.4; ABRvS 25 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:717, r.o. 7.