ECLI:NL:RBDHA:2026:16576
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige bewaring na afwijzing asielaanvraag wegens ontbrekend nader identiteitsonderzoek
De minister legde op 1 juni 2026 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, b en c, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit, dat tevens als verzoek om schadevergoeding werd aangemerkt. De rechtbank behandelde het beroep op 16 juni 2026.
De minister erkende dat de grondslag onder sub b (noodzaak voor beoordeling asielaanvraag) vanaf 12 juni 2026, de datum van de afwijzing van de asielaanvraag, niet langer kon worden gehandhaafd. Vanaf die datum was de bewaring uitsluitend gebaseerd op grondslag sub a (vaststelling identiteit of nationaliteit). Eiser voerde aan dat zijn identiteit en nationaliteit reeds door de Tunesische autoriteiten waren vastgesteld en dat een laissez-passer was afgegeven, waarmee zijn identiteit voldoende vaststond.
De rechtbank stelde vast dat de minister niet had gemotiveerd waarom na de afwijzing van de asielaanvraag nog nader onderzoek naar de identiteit en nationaliteit noodzakelijk was. Volgens vaste rechtspraak is een dergelijke motivering vereist. Omdat de minister deze niet had gegeven en de identiteit reeds was vastgesteld, was de bewaring vanaf 12 juni 2026 onrechtmatig.
De rechtbank beveelt de opheffing van de bewaring per 17 juni 2026 en kent eiser een schadevergoeding toe van €720 voor de onrechtmatige vrijheidsontneming. Tevens veroordeelt de rechtbank de minister in de proceskosten van €1868. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: De bewaring vanaf 12 juni 2026 is onrechtmatig verklaard en opgeheven, met toekenning van schadevergoeding en proceskosten aan eiser.