ECLI:NL:RBDHA:2026:16579

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
NL26.14472
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13 Verordening (EU) nr. 604/2013Art. 30 Vreemdelingenwet 2000Art. 4 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieArt. 3 EVRMArt. 8:57 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij Dublinbesluit over asielaanvraag

Eiser, met de Algerijnse nationaliteit, diende op 14 februari 2026 een asielaanvraag in Nederland in. Uit Eurodac-onderzoek bleek dat hij op 18 januari 2026 illegaal via Spanje het Dublingebied was binnengekomen, waardoor Spanje volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn aanvraag. Nederland verzocht Spanje om overname, wat Spanje op 10 maart 2026 aanvaardde.

De minister van Asiel en Migratie nam de aanvraag van eiser op 16 maart 2026 niet in behandeling op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat Spanje verantwoordelijk is. Eiser stelde dat hij bij overdracht aan Spanje een reëel risico liep op strijdige behandeling, maar verweerder vond dat niet aannemelijk gemaakt.

De rechtbank stelde vast dat eiser op 22 mei 2026 met onbekende bestemming was vertrokken en dat zijn gemachtigde geen contact meer met hem had. Hierdoor ontbrak het procesbelang voor het beroep tegen het niet-in-behandeling-nemen van de aanvraag. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk en behandelde de zaak niet inhoudelijk. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang omdat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en geen contact meer onderhoudt met zijn gemachtigde.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.14472

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam 1] , [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. M.R. van der Pol),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: [naam 2] .

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 16 maart 2026 niet in behandeling genomen omdat Spanje verantwoordelijk is voor de aanvraag.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De rechtbank heeft partijen gevraagd of toestemming wordt verleend voor afdoening van deze zaak zonder nadere zitting. Gemachtigde van eiser heeft aangegeven niet ter zitting te zullen verschijnen. Verweerder heeft toestemming verleend voor afdoening van deze zaak zonder nadere zitting. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op zitting. [1]

Overwegingen

Inleiding
1. Eiser stelt de Algerijnse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] . Hij heeft zijn asielaanvraag in Nederland op 14 februari 2026 ingediend.
2. Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser op 18 januari 2026 illegaal via Spanje het Dublingebied is binnen gereisd. Eiser deed dit binnen 12 maanden voordat hij in Nederland asiel heeft aangevraagd. Op grond van artikel 13, eerste lid, van de Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) is Spanje verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. Nederland heeft op 24 februari 2026 aan Spanje verzocht om eiser over te nemen. Spanje heeft dit verzoek op 10 maart 2026 aanvaard op grond van artikel 13, eerste lid, van de Dublinverordening.
Het bestreden besluit
3. Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser met toepassing van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) niet in behandeling genomen omdat Spanje op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht aan Spanje een reëel risico loopt op een met artikel 4 van Pro het handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) of artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) strijdige behandeling. Ook heeft eiser volgens verweerder geen andere redenen aannemelijk gemaakt die aanleiding geven om zijn asielaanvraag in Nederland in behandeling te nemen.
Beoordeling door de rechtbank
4. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of eiser nog procesbelang bij zijn beroep heeft.
5. Indien een vreemdeling die in Nederland bescherming heeft gevraagd met onbekende bestemming vertrekt zonder aan verweerder te laten weten waar hij verblijft, dient er in beginsel van uit te worden gegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Dit is slechts anders als een vreemdeling contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus nog prijs stelt op deze bescherming. Dit impliceert dat de gemachtigde weet waar een vreemdeling verblijft en met de vreemdeling contact heeft over de verdere voortgang van de procedure en de keuzes die in dit kader moeten worden genomen. De rechtbank wijst daarbij op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 1 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662.
6. Op 26 mei 2026 heeft verweerder de rechtbank laten weten dat eiser op 22 mei 2026 is geregistreerd als ‘met onbekende bestemming’ (MOB) vertrokken. Aan gemachtigde van eiser is een bericht verstuurd, waarin wordt gevraagd of gemachtigde nog contact onderhoudt met eiser en weet waar eiser verblijft. In reactie op dit bericht heeft de gemachtigde van eiser op 26 mei 2026 aangegeven dat het niet is gelukt om contact met eiser te krijgen en dat het hem niet bekend is of eiser nog in Nederland is.
7. Gezien het feit dat eiser staat geregistreerd als MOB vertrokken en de gemachtigde van eiser geen contact meer met hem onderhoudt, neemt de rechtbank aan dat eiser geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Eiser heeft daarom geen rechtens te beschermen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep tegen het bestreden besluit van 16 maart 2026.

Conclusie en gevolgen

8. Gezien het voorgaande is het beroep niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang. De rechtbank beoordeelt de zaak dus niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. E.P.S. Wessels, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dit mogelijk.