Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16592

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 juni 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
NL26.21102
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 Vreemdelingenwet 2000Verordening (EU) nr. 604/2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij Dublinverordening

Eiser had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister niet in behandeling werd genomen op grond van de Dublinverordening, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag. De rechtbank behandelde het beroep op 9 juni 2026, waarbij eiser en zijn gemachtigde niet verschenen.

De minister meldde dat eiser op 1 mei 2026 met onbekende bestemming was vertrokken. De gemachtigde van eiser stelde dat er wel procesbelang was omdat eiser gevlucht was vanuit Duitsland vanwege familie die hem naar Syrië wilde terugsturen. De rechtbank overwoog dat bij vertrek met onbekende bestemming zonder mededeling van verblijfplaats, in beginsel wordt aangenomen dat eiser geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland.

Gezien het ontbreken van contact en het niet verschijnen ter zitting, concludeerde de rechtbank dat eiser geen rechtens te beschermen belang meer heeft bij beoordeling van het besluit. Daarom verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en deed geen inhoudelijke beoordeling. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang omdat eiser met onbekende bestemming is vertrokken.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.21102
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. V. Senczuk),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. R. van Dooren).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 14 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 9 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn de gemachtigde.
1.2.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak op het beroep gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Overwegingen

2. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
3. De minister heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard.
4. Op 11 mei 2026 heeft de minister de rechtbank bericht dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken op 1 mei 2026. In het bericht van 26 mei 2026 heeft de gemachtigde van eiser in reactie hierop aangegeven dat hun laatste contact op 26 april 2026 was via Whatsapp. Gemachtigde stelt wel dat sprake is van procesbelang, omdat eiser is gevlucht vanuit Duitsland voor zijn familie die hem terug willen sturen naar Syrië.
5. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of eiser nog procesbelang heeft bij het beroep. Uit vaste rechtspraak volgt dat, als de vreemdeling met onbekende bestemming vertrekt zonder aan de minister te laten weten waar hij verblijft, er in beginsel van dient te worden uitgegaan dat hij kennelijk geen prijs meer stelt op de door hem gezochte bescherming in Nederland. Dit is slechts anders als een vreemdeling laat weten dat hij contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus nog prijs stelt op deze bescherming. De rechtbank wijst daarbij op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 juli 2024. [1]
6. Gelet op wat onder 4. is overwogen en gelet op het feit dat eiser ook niet ter zitting is verschenen, neemt de rechtbank aan dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en dat hij geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Eiser heeft daarom geen rechtens te beschermen belang meer bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit.
7. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
15 juni 2026

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.