Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16599

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
NL26.30833
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b Vreemdelingenwet 2000Art. 5.3 VreemdelingenbesluitArt. 5.1b VreemdelingenbesluitArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet

De minister van Asiel en Migratie legde op 2 juni 2026 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser, een Somalische asielzoeker, stelde dat de minister de informatieplicht had geschonden door geen vertaling van de maatregel te verstrekken en dat een lichter middel had moeten worden toegepast vanwege zijn medische klachten en persoonlijke omstandigheden.

De rechtbank oordeelde dat de minister wel degelijk een Somalische vertaling had verstrekt en dat eiser in het bijzijn van een tolk was geïnformeerd. Daarnaast was de bewaring noodzakelijk vanwege het risico op onttrekking aan toezicht, het ontbreken van identificatiedocumenten en eerdere niet-naleving van terugkeerbesluiten. De medische omstandigheden van eiser maakten de bewaring niet onevenredig bezwarend.

Eiser voerde ook een beroep in op artikel 8 EVRM Pro vanwege zijn familieleven met vrouw en kind in Frankrijk, maar de rechtbank vond dit onvoldoende onderbouwd. De ambtshalve toetsing bevestigde dat de maatregel niet onrechtmatig was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.30833

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. S. Jankie),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. L. Verhaegh).

Procesverloop

Bij besluit van 2 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 15 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A.H. Hassan. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt dat hij de Somalische nationaliteit heeft en op [geboortedatum] 1995 is geboren.
Artikel 5.3 van het Vreemdelingenbesluit
2. Eiser voert aan dat de minister heeft gehandeld in strijd met de informatieplicht uit artikel 5.3, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb). De minister heeft nagelaten om eiser een schriftelijke vertaling van de maatregel van bewaring te overhandigen in een taal die hij begrijpt.
3. De rechtbank oordeelt dat uit het dossier niet blijkt dat de minister de voorschriften van artikel 5.3, eerste lid, van het Vb, niet in acht heeft genomen. In het dossier bevindt zich een Somalische vertaling van de maatregel van bewaring. Uit het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van het gehoor voorafgaand aan de maatregel van bewaring van 2 juni 2026 blijkt dat deze vertaling aan eiser is uitgereikt. Bovendien is eiser ook in het bijzijn van een tolk in de Somalische taal medegedeeld op welke gronden de maatregel zal worden opgelegd. Verder heeft eiser gebruik gemaakt van gratis rechtsbijstand en is namens hem tijdig beroep ingesteld. De beroepsgrond slaagt niet.
Bewaringsgronden
4. De minister heeft zich in de maatregel van bewaring op het standpunt gesteld dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5. Eiser betwist de zware gronden onder 3a en 3d. De rechtbank is echter van oordeel dat de overige niet-betwiste gronden feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen, omdat hieruit een risico op onttrekking aan het toezicht blijkt. De rechtbank laat de door eiser betwiste gronden om die reden verder onbesproken.
Lichter middel
6. Eiser stelt dat de minister had moeten volstaan met het opleggen van een lichter middel dan de maatregel van bewaring. Dit is de eerste keer dat eiser vastzit, hij is geen crimineel en heeft geen strafblad. Eiser heeft veel psychische en lichamelijke klachten, zoals een ernstige huidaandoening, hartklachten, astma en pijn aan zijn hoofd. Hierdoor is de detentie onevenredig bezwarend voor eiser en had kunnen worden volstaan met een lichter middel, zoals een meldplicht.
7. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat niet kan worden volstaan met een lichter middel. Uit de niet-betwiste gronden van de maatregel en de motivering blijkt al dat er een risico op onttrekking aan het toezicht bestaat. Verder heeft eiser al meerdere asielaanvragen ingediend die niet zijn ingewilligd, heeft hij eerder twee terugkeerbesluiten opgelegd gekregen waaraan hij niet heeft voldaan, heeft hij geen identificerende documenten en heeft hij geen vaste woon- of verblijfplaats. De aangevoerde medische omstandigheden maken niet dat de maatregel van bewaring onevenredig bezwarend is. In de maatregel van bewaring wordt er terecht op gewezen dat de beschikbare medische zorgverlening binnen het detentiecentrum gelijkwaardig is aan die in de vrije maatschappij. Uit de maatregel van bewaring blijkt dat de medische omstandigheden van eiser zijn meegenomen in de besluitvorming. De beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 8 van Pro het EVRM
8. Eiser voert aan dat hij een vrouw en kind in Frankrijk heeft en doet daarom een beroep op artikel 8 van Pro het EVRM. Hij is wettelijk getrouwd met zijn vrouw. Het is voor eiser erg moeilijk om contact te onderhouden met zijn vrouw en kind vanuit detentie.
9. De rechtbank oordeelt dat de minister in de maatregel van bewaring voldoende is ingegaan op het gestelde familieleven van eiser. De enkele niet-onderbouwde stelling van eiser dat hij een vrouw en kind in Frankrijk heeft, is onvoldoende voor een geslaagd beroep op artikel 8 van Pro het EVRM. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
10. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de
rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Janssen, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
17 juni 2026

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.