Eiser verzocht het college om tegemoetkoming in planschade en nadeelcompensatie vanwege beperkingen door een nieuw bestemmingsplan. Het college kende een tegemoetkoming in natura toe en een vergoeding voor deskundigenkosten, maar wees nadeelcompensatie af. Eiser stelde dat de berekening van de schade onjuist was en dat de compensatie niet volledig was.
De rechtbank oordeelde dat het college terecht nadeelcompensatie weigerde en dat er geen indirecte planschade was, maar dat eiser wel directe planschade had geleden. De berekening van de schade door SAOZ was onzorgvuldig omdat zij uitging van één woning per gebouw, terwijl meerdere woningen mogelijk waren. Ook was de compensatie in natura onvoldoende omdat het nieuwe bestemmingsplan een maximale bouwhoogte per bouwlaag introduceerde die niet bestond in het oude plan.
De vergoeding voor deskundigenkosten werd als redelijk beoordeeld, ondanks dat eiser hogere kosten had opgegeven zonder onderbouwing. De redelijke termijn voor de procedure was met 25 maanden overschreden, waardoor het college en de Staat een schadevergoeding moesten betalen. De rechtbank vernietigde het besluit voor zover het de directe planschade en tegemoetkoming in natura betreft en droeg het college op een nieuw besluit te nemen.