De minister van Asiel en Migratie heeft verzet aangetekend tegen de uitspraak van 31 maart 2026, waarin de rechtbank het beroep van een asielzoeker gegrond verklaarde wegens het niet tijdig beslissen op diens aanvraag. De rechtbank had een dwangsom van €200 per dag met een maximum van €15.000 opgelegd om naleving van de beslistermijn af te dwingen.
De minister betwistte alleen de hoogte van deze dwangsom en stelde dat onvoldoende was gemotiveerd waarom een verhoogde dwangsom noodzakelijk was. De rechtbank oordeelde dat hoewel de minister eerder een lagere dwangsom had gekregen, dit niet automatisch betekent dat een hogere dwangsom bij een opvolgend beroep vereist is. Ook werd meegewogen dat de minister zich inspant om de aanvraag sneller te behandelen.
De rechtbank verklaarde daarom het verzet gegrond en verviel de opgelegde dwangsom van €200 per dag. In plaats daarvan werd aangesloten bij de meest recente aanbeveling voor rechterlijke dwangsommen in vreemdelingenzaken, en werd de dwangsom vastgesteld op €50 per dag met een maximum van €15.000. De rest van de uitspraak bleef ongewijzigd. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.