ECLI:NL:RBDHA:2026:16635

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
NL26.19915
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 4 HandvestArt. 17 DublinverordeningArt. 30 Vreemdelingenwet 2000Verordening (EU) nr. 604/2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening en interstatelijk vertrouwensbeginsel

Eiser, een Nigeriaanse asielzoeker, diende op 30 januari 2026 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Kroatië op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is, waar eiser eerder een verzoek om internationale bescherming had ingediend. Eiser betoogde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet zonder meer op Kroatië van toepassing is vanwege zijn persoonlijke ervaringen en de situatie in Kroatië.

De rechtbank overwoog dat het uitgangspunt is dat lidstaten hun verdragsverplichtingen nakomen, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat er een reëel risico is op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 Handvest Pro. Eiser slaagde hier niet in, mede gelet op eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak en het AIDA-rapport 2023 en 2024, die geen structurele tekortkomingen in Kroatië aantonen.

Ook de medische situatie van eiser en zijn persoonlijke ervaringen, waaronder detentie en seksuele uitbuiting, rechtvaardigen volgens de rechtbank geen uitzondering op het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De rechtbank concludeerde dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat overdracht aan Kroatië tot onevenredige hardheid leidt en verklaarde het beroep ongegrond.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard omdat Kroatië verantwoordelijk is en het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.19915

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. A.M.V. Bandhoe),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. D.A.H. de Laat).

Inleiding

Bij besluit van 9 april 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 10 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1994 en de Nigeriaanse nationaliteit te hebben. Eiser heeft op 30 januari 2026 asiel aangevraagd in Nederland.
2. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw. [1] In dit artikel is bepaald dat een asielaanvraag niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Dublinverordening [2] is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 2 november 2025 in Kroatië een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Verweerder heeft 9 februari 2026 een overnameverzoek gestuurd aan de Kroatische autoriteiten. Deze hebben op 19 maart 2026 bericht dat zij akkoord zijn met overname van eiser.
3. Eiser voert daartegen aan in het geval van eiser ten aanzien van Kroatië niet zondermeer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Dit volgt uit landeninformatie [3] en de concrete ervaringen van eiser in Kroatië. De uitspraak [4] van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna de Afdeling) waaruit volgt dat ten aanzien van Kroatië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan is in belangrijke mate gebaseerd op de antwoorden van de Kroatische autoriteiten zelf en die informatie kan niet zondemeer worden aangemerkt als objectief. Eiser acht verder relevant dat hij geen asiel heeft aangevraagd in Kroatië. Eiser is in detentie gedwongen om zijn vingerafdrukken af te staan. Het enkele feit dat eiser voorkomt in Eurodac betekent niet dat hij daadwerkelijk toegang heeft tot de asielprocedure in Kroatië. Eiser is na de schrijnende situatie in detentie op straat gezet, terwijl hij medische hulp nodig had. Eiser heeft ook nu behoefte aan specialistische medische zorg, die hij in Nederland ontvangt. In Kroatië zal hij daar geen toegang tot hebben. Eiser stelt in de aanvullende gronden van beroep dat hij in Kroatië door een mensenhandelaar is geholpen om te vertrekken uit Griekenland. Eiser is door onder andere deze mensenhandelaar seksueel uitgebuit. Uiteindelijk heeft hij kunnen ontsnappen, waarna hij is gearresteerd door de Kroatische politie. Eiser voert tot slot aan dat voormelde omstandigheden maken dat verweerder de asielaanvraag van eiser op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening aan zich moet trekken.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt is dat verweerder er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van mag uitgaan dat lidstaten van de Europese Unie hun verdragsverplichtingen tegenover asielzoekers zullen nakomen. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken indien eiser aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont dat hij bij overdracht aan een van deze lidstaten, in dit geval Kroatië, een reëel risico loopt op een behandeling strijdig met artikel 3 van Pro het EVRM [5] of artikel 4 van Pro het Handvest. [6]
5. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser er niet in geslaagd om het voorgaande aannemelijk te maken. De Afdeling heeft bevestigd dat ten aanzien van Kroatië mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. [7] In haar uitspraak van 9 oktober 2024 is onder meer het AIDA-rapport over Kroatië, update 2023 betrokken. De Afdeling heeft overwogen dat er op een aantal momenten sprake was van overbezetting in de opvang, maar dat de Kroatische autoriteiten zich vervolgens actief hebben ingezet om te voorzien in de essentiële levensbehoeften en binnen enkele dagen alsnog in slaapplekken hebben voorzien. Hieruit blijkt niet dat Kroatië onverschillig staat tegenover incidentele tekorten in de opvang. Het door eiser aangehaalde AIDA-rapport, update 2024 geeft geen wezenlijk ander beeld dan het AIDA-rapport, update 2023, waarover de Afdeling al heeft geoordeeld. Eiser is er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat de situatie nadien in relevante mate is gewijzigd en dat sprake is van structurele tekortkomingen in de asielprocedure en opvangvoorzieningen. Ook heeft verweerder kunnen overwegen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn detentie in strijd was met internationaal recht. Op de pagina's 142 en 143 van het AIDA-rapport waar eiser naar verwijst, leest de rechtbank dat advocaten die op de lijst van aanbieders van gratis rechtsbijstand staan melden dat zij geen problemen ervaarden bij toegang tot de detentiecentra. Degene die niet op deze lijst staan, kunnen in het begin wel moeilijkheden ervaren in het contact. Echter deze informatie volgt thans ook uit de update over 2023 [8] en is derhalve beoordeeld door de Afdeling. Verder volgt uit de update over 2024 dat het Rode Kruis en UNHCR toegang hadden dat voormelde centra. Wat eiser heeft aangevoerd over zijn eigen ervaringen, biedt geen aanleiding om in deze zaak tot een ander oordeel te komen. Ook eisers ervaringen met betrekking tot de seksuele uitbuiting door de mensenhandelaar leidt niet tot een ander oordeel. Hoewel de rechtbank begrijpt dat eiser als gevolg van deze gestelde slechte ervaringen niet wenst overgedragen te worden aan Kroatië, maken deze ervaringen niet dat ten aanzien van Kroatië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.
Tot slot is van belang dat de Kroatische overheid met het claimakkoord garandeert dat eiser als Dublinterugkeerder zal worden behandeld overeenkomstig de Europese richtlijnen. In het geval de Kroatische autoriteiten zich niet aan de Europese richtlijnen houden, is het aan eiser om hierover daar te klagen. Niet is gebleken dat deze mogelijkheid voor eiser niet bestaat.
6. Ten aanzien van artikel 17 van Pro de Dublinverordening stelt de rechtbank vast dat het aan eiser is om aannemelijk te maken dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat overdracht aan Kroatië zou leiden tot onevenredige hardheid. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser daarin niet geslaagd. Hoewel uit het medisch dossier van eiser blijkt dat hij medische klachten heeft, is hiermee niet onderbouwd dat hij specialistische zorg (nodig) heeft die uitsluitend in Nederland beschikbaar is. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag er bovendien van worden uitgegaan dat de medische voorzieningen in Kroatië vergelijkbaar zijn met die in Nederland. Dit wordt door eiser ook niet betwist. Het enkele feit dat hij medische klachten heeft, is onvoldoende om te spreken van bijzondere individuele omstandigheden.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 18 juni 2026 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Verordening (EU) nr. 604/2013.
3.AIDA rapport update 2024 (van augustus 2025).
5.Verdrag tot bescherming van de mens en fundamentele vrijheden.
6.Handvest van de grondenrechten van de Europese Unie.
7.Zie de uitspraken van de Afdeling van 10 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5076 en 20 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3901.
8.pagina 122 en 123.