Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16649

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 juni 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
NL24.35938 V en NL25.36011 V
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 42 Vreemdelingenwet 2000Art. 43 Vreemdelingenwet 2000Art. 31 lid 3 ProcedurerichtlijnArt. 8:54 Algemene wet bestuursrechtArt. 8:55 lid 10 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet gegrond tegen niet-ontvankelijkheid beroep asielaanvraag wegens verkeerde aanvang beslistermijn

De zaak betreft het verzet van een opposant tegen de uitspraak van 18 september 2025, waarin de rechtbank de beroepen niet-ontvankelijk had verklaard wegens prematuur ingediende ingebrekestellingen. De rechtbank had de beslistermijn voor de minister vastgesteld op 6 maart 2024, uitgaande van toepassing van artikel 42, zesde lid, van de Vreemdelingenwet 2000, gebaseerd op een Eurodac-onderzoek.

De opposant betoogde dat de beslistermijn op de datum van de asielaanvraag, 6 december 2023, had moeten aanvangen, omdat er geen daadwerkelijk Dublinonderzoek had plaatsgevonden, slechts een standaard Eurodac-controle. De rechtbank volgt dit standpunt en oordeelt dat de beslistermijn daarom op 6 december 2023 is begonnen en op 7 juni 2024 is verstreken.

De rechtbank verklaart het verzet gegrond, vernietigt de eerdere uitspraak en bepaalt dat de minister binnen zestien weken (of acht weken indien de opposant is gehoord) een besluit moet nemen. Tevens legt zij een dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €15.000 bij overschrijding. De proceskosten van €700,50 worden aan de opposant toegekend. Het latere beroep NL25.36011 wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang.

Uitkomst: Het verzet wordt gegrond verklaard, het beroep gegrond, en de minister krijgt een nieuwe beslistermijn met dwangsom opgelegd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.35938 V en NL25.36011 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van

[naam 1], opposant [1] , tevens eiser,
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: [naam 2] ),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 18 september 2025 in het geding tussen
opposant
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van opposant gaat over de uitspraak van de rechtbank van 18 september 2025 waarin de rechtbank de beroepen van opposant niet-ontvankelijk heeft verklaard.
2. Opposant heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 18 september 2025 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel [2] is dat de beroepen niet-ontvankelijk is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
4. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De uitspraak van 18 september 2025
5. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat.
NL24.35938
6. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk geacht, omdat de door opposant verstuurde ingebrekestelling van 25 juli 2024 prematuur is ingediend. Aan dit oordeel heeft de rechtbank ten grondslag gelegd dat de beslistermijn voor verweerder op 6 maart 2024 is aangevangen. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat op grond van artikel 42, zesde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw) de beslistermijn begint te lopen nadat is vastgesteld dat de termijn voor het indienen van een claimverzoek in het kader van de Dublinverordening [3] is verstreken. Ten tijde van de ingebrekestelling van 25 juli 2024 waren sinds de aanvang van de beslistermijn op 6 maart 2024 nog geen zes maanden verstreken.
NL25.36011
7. De rechtbank heeft in deze beroepszaak de door opposant verzonden ingebrekestelling van 17 juli 2025 ook prematuur geacht. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat de ingebrekestelling voor het verstrijken van de beslistermijn is ingediend, omdat de beslistermijn in de zaak van opposant door de toepassing van het besluit- en vertrekmoratorium voor vreemdelingen uit Syrië [4] op grond van artikel 43 van Pro de Vw is verlengd tot 6 september 2025.
Het verzet van opposant
8. Opposant stelt zich op het standpunt dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak ten onrechte heeft geoordeeld dat de ingebrekestellingen van 25 juli 2024 en 17 juli 2025 prematuur zijn geweest en dat de daarbij horende beroepen kennelijk niet-ontvankelijk waren. Opposant betoogt daartoe dat hij zijn asielaanvraag op 6 december 2023 heeft ingediend en de beslistermijn van zes maanden op dat tijdstip in zou moeten gaan. Verweerder heeft naar de mening van opposant ten onrechte toepassing gegeven aan artikel 42, zesde lid, van de Vw, nu dat er geen sprake is geweest van daadwerkelijk onderzoek in het kader van de Dublinverordening en verweerder slechts is uitgegaan van de zogeheten Eurodac-controle dat bij elke asielaanvraag wordt uitgevoerd. Opposant verwijst in dit verband naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 15 april 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:6860. De beslistermijn van de asielaanvraag in de beroepszaak NL24.35938 verstreek volgens opposant daarom op 7 juni 2024. Ten aanzien van de beroepszaak NL25.36011 betoogt opposant dat eveneens moet worden uitgegaan van de datum van de asielaanvraag op 6 december 2023, en dat een verlenging van de beslistermijn met achttien maanden als gevolg van het besluit- en vertrekmoratorium voor vreemdelingen uit Syrië slechts met zich meebrengt dat de beslistermijn van verweerder in dat geval op 6 juni 2025 is verstreken. Gelet op het voorgaande is opposant van mening dat de ingebrekestellingen van 25 juli 2024 en 17 juli 2025 niet prematuur zijn geweest en dat de rechtbank in haar uitspraak van 18 september 2025 ten onrechte is uitgegaan van 6 maart 2024 als startdatum van de beslistermijn.
Het oordeel van de rechtbank
9. De rechtbank overweegt als volgt. In de door opposant aangehaalde uitspraak van 15 april 2025 heeft de zittingsplaats Arnhem overwogen dat geen toepassing kan worden gegeven aan artikel 42, zesde lid, van de Vw indien slechts sprake is geweest van een standaardmatige Eurodac-controle. Deze rechtbank sluit zich hierbij aan en volgt opposant dan ook in zijn standpunt. Een Eurodac-controle is een standaardonderzoek dat wordt uitgevoerd bij elke asielaanvraag en kan niet worden aangemerkt als een daadwerkelijk nader onderzoek naar de toepasselijkheid van artikel 30 van Pro de Vw. Een uitleg waarbij het enkele uitvoeren van een Eurodac-onderzoek, zonder nader onderzoek, voldoende zou zijn voor toepassing van artikel 42, zesde lid, van de Vw, zou ertoe leiden dat de beslistermijn van elke asielaanvraag pas na minimaal twee maanden en maximaal drie maanden zou aanvangen. [5] Daardoor zou de hoofdregel van artikel 31, derde lid, eerste volzin, van de Procedurerichtlijn [6] , dat met de indiening van de asielaanvraag de beslistermijn start, zinledig worden. Uit het dossier blijkt dat op 6 december 2023, op de datum van de asielaanvraag, een Eurodac-onderzoek heeft plaatsgevonden. Op 19 april 2024 heeft verweerder besloten geen claim in te dienen bij Italië en eiser op te nemen in de nationale procedure, omdat de termijn voor een dergelijke claim op 7 februari 2024 zou zijn verlopen. De rechtbank heeft geen andere stukken in het dossier aangetroffen die wijzen op een onderzoek in het kader van de Dublinverordening. De minister heeft dus, buiten een onderzoek in het Eurodac-systeem, geen onderzoek in het kader van de Dublinverordening verricht. Dit betekent dat de minister in dit geval geen toepassing kon geven aan artikel 42, zesde lid, van de Vw. De beslistermijn is daarom, gelet op artikel 42, eerste lid, van de Vw, vanaf 6 december 2023 gaan lopen.
10. Gelet op hetgeen in 8. is overwogen, heeft opposant zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat de beslistermijn van zijn asielaanvraag op 6 december 2023 is aangevangen, en op 7 juni 2024 is verstreken. De ingebrekestelling op 25 juli 2024 was dan ook niet prematuur zoals de rechtbank in haar uitspraak van 18 september 2025 heeft overwogen. Gelet op voorgaande overwegingen was de uitkomst van het beroep niet boven iedere twijfel verheven. De rechtbank heeft het beroep van opposant in haar uitspraak van 18 september 2025 dan ook ten onrechte zonder zitting afgedaan.
11. Het voorgaande betekent dat het verzet gegrond zal worden verklaard. Dat betekent dat de uitspraak van 18 september 2025 vervalt en dat de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin zich dat bevond voordat die uitspraak werd gedaan. Omdat het verzet reeds gegrond is, laat de rechtbank hetgeen opposant heeft aangevoerd over de beroepszaak NL25.36011 onbesproken.

Beoordeling door de rechtbank van het beroep

12. Het verzet is gegrond, en eiser heeft in het verzetschrift aangegeven geen behoefte te hebben aan een behandeling op zitting. De rechtbank doet daarom niet alleen uitspraak op het verzet, maar ook op de aangevallen beroepen. Artikel 8:55, tiende lid, van de Awb maakt dat mogelijk.
NL24.35938
13. De rechtbank verwijst naar haar overwegingen in 8. en 9. en neemt deze ook mee in haar beoordeling van het beroep. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn voor de asielaanvraag van eiser op 6 december 2023 is gaan lopen en dat verweerder vervolgens na zes maanden, op 7 juni 2024, op de asielaanvraag van eiser had moeten beslissen. Op 25 juli 2024 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld. Eiser heeft vervolgens ten minste twee weken gewacht voordat hij op 15 september 2024 afzonderlijk beroep heeft ingesteld. Niet is gebleken dat verweerder inmiddels een besluit heeft genomen op de asielaanvraag van eiser. Het beroep is derhalve gegrond.
14. Omdat niet is gebleken dat eiser inmiddels is gehoord over zijn asielmotieven, zal de rechtbank bepalen dat verweerder binnen zestien weken op de asielaanvraag van eiser dient te beslissen. Indien eiser inmiddels wel is gehoord over zijn asielmotieven, dient verweerder binnen acht weken op zijn asielaanvraag te beslissen.
15. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-
16. Eiser krijgt een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5. Het indienen van een verzetschrift levert 0,5 punt op met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor van 0,5. Toegekend wordt € 700,50.
NL25.36011
17. Eiser heeft op 4 augustus 2025 nogmaals beroep ingesteld. Nu de zaken NL24.35938 en NL25.36011 op dezelfde asielaanvraag zien en de rechtbank het eerste beroep gegrond verklaart en aan verweerder een nadere beslistermijn oplegt, heeft eiser geen belang meer bij het beroep met kenmerk NL25.36011. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.

Beslissing

De rechtbank:
NL24.35938
  • verklaart het verzet gegrond;
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt verweerder op binnen zestien weken dan wel, indien eiser inmiddels is gehoord over zijn asielmotieven, binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
  • bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 700,50.
NL25.36011
  • verklaart het verzet gegrond;
  • verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, rechter, in aanwezigheid van F.S. Ulrich, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat voor zover deze ziet op het verzet geen hoger beroep of verzet open.
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op een beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Voetnoten

1.Met opposant wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.
2.Dit volgt uit artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.Verordening (EU) Nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 201, L 180/31 (de ‘Dublinverordening’)
4.Staatscourant van 13 december 2024, nr. 41538.
5.Zie artikel 23, tweede lid, van de Dublinverordening.
6.Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad