De zaak betreft het verzet van een opposant tegen de uitspraak van 18 september 2025, waarin de rechtbank de beroepen niet-ontvankelijk had verklaard wegens prematuur ingediende ingebrekestellingen. De rechtbank had de beslistermijn voor de minister vastgesteld op 6 maart 2024, uitgaande van toepassing van artikel 42, zesde lid, van de Vreemdelingenwet 2000, gebaseerd op een Eurodac-onderzoek.
De opposant betoogde dat de beslistermijn op de datum van de asielaanvraag, 6 december 2023, had moeten aanvangen, omdat er geen daadwerkelijk Dublinonderzoek had plaatsgevonden, slechts een standaard Eurodac-controle. De rechtbank volgt dit standpunt en oordeelt dat de beslistermijn daarom op 6 december 2023 is begonnen en op 7 juni 2024 is verstreken.
De rechtbank verklaart het verzet gegrond, vernietigt de eerdere uitspraak en bepaalt dat de minister binnen zestien weken (of acht weken indien de opposant is gehoord) een besluit moet nemen. Tevens legt zij een dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €15.000 bij overschrijding. De proceskosten van €700,50 worden aan de opposant toegekend. Het latere beroep NL25.36011 wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang.