ECLI:NL:RBDHA:2026:1674

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 januari 2026
Publicatiedatum
2 februari 2026
Zaaknummer
NL25.12325 NL25.12326
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 lid 5 KriArt. 31 lid 6 VwArt. 4 EU HandvestArt. 18 EU HandvestVreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvragen Colombiaanse familie wegens ongeloofwaardigheid bedreigingen en onvolledig bewijs

Eisers, een Colombiaanse familie, vroegen asiel aan in Nederland vanwege bedreigingen door een oom en vrees voor vervolging door guerrilla's. De minister wees de aanvragen af wegens onvoldoende bewijs en ongeloofwaardigheid van de bedreigingen.

De rechtbank behandelde het beroep na meerdere zittingen en een schorsing in afwachting van een uitspraak over geloofwaardigheidsbeoordeling. Eisers stelden dat het nieuwe voornemen van de minister onduidelijk was en dat de geloofwaardigheidsbeoordeling te beperkt was, maar de rechtbank verwierp deze bezwaren.

De rechtbank oordeelde dat de minister terecht de bedreigingen ongeloofwaardig achtte, mede vanwege het ontbreken van bewijs van aangifte en tegenstrijdigheden in verklaringen over verblijf van familieleden. Ook werd het ontlopen van de Dublinprocedure en het verzwijgen van illegaal verblijf van ouders meegewogen.

De rechtbank concludeerde dat de minister de aanvragen terecht als ongegrond heeft afgewezen en verklaarde de beroepen ongegrond. Eisers krijgen geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter S.G.M. van Veen op 9 januari 2026.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond en bevestigt de afwijzing van de asielaanvragen.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.12325 en NL25.12326

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser, en
[eiseres], V-nummer: [V-nummer] , eiseres, mede namens hun minderjarige kind
[minderjarige], V-nummer: [V-nummer] , samen te noemen: eisers (gemachtigde: mr. F.W. Verweij),
en

de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. B.E.N. Goossens).

Inleiding

1. Eisers hebben op 18 april 2023 aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met de bestreden besluiten van 14 maart 2025 deze aanvragen in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.
1.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.
1.2.
De rechtbank heeft partijen uitgenodigd voor de zitting van 15 mei 2025. Omdat er op 15 mei 2025 geen tolk beschikbaar was, heeft de rechtbank de behandeling van de beroepen aangehouden.
1.3.
De rechtbank heeft de beroepen behandeld op de zitting van 19 mei 2025. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers en mr. M.H.S. Volker namens de minister. De rechtbank heeft - na inhoudelijke behandeling van de beroepen - het onderzoek ter zitting geschorst, in afwachting van een uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank over de geloofwaardigheidsbeoordeling in asielzaken.
1.4.
De meervoudige kamer van de rechtbank heeft op 10 juni 2025 uitspraak gedaan (ECLI:NL:RBDHA:2025:10057). Partijen hebben hierop schriftelijke reacties ingediend. Eisers hebben medegedeeld dat zij een nadere zitting wensen.
1.5.
De rechtbank heeft het onderzoek voortgezet op de zitting van 7 november 2025. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, A.M. van Berg-Barrio als tolk en de gemachtigde van de minister.
1.6.
Bij sluiting van het onderzoek op de zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht vier weken later uitspraak te doen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de asielaanvragen van eisers. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
3. De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het asielrelaas
4. Eisers hebben de Colombiaanse nationaliteit en zijn geboren op [geboortedatum 1] 1997 respectievelijk [geboortedatum 2] 2000 en [geboortedatum 3] 2016. Eisers leggen aan hun asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiseres is in haar jeugd misbruikt door haar oom [A] . Toen zij met haar familie naar een andere stad verhuisde hield het op. Haar oma woonde in het huis met haar oom en tante en zorgde voor een aantal jonge meisjes. Eiseres kwam erachter dat haar oom deze meisjes ook misbruikte. Eiseres heeft daarvan aangifte gedaan op 3 november 2022. Op 2 januari 2023 is eiseres gebeld door [B] , de dochter van haar oom. [B] heeft gezegd dat het doen van aangifte consequenties zou hebben. Op 5 januari 2023 kwam een man naar het huis van eisers en die heeft een pistool tegen het hoofd van eiseres gezet. Daarbij is een doodsbedreiging uitgesproken die tegen eiseres en haar familie is gericht. Eiser heeft gelijk hierna de politie gebeld. Toen de politie na enige tijd niet kwam, heeft eiser nogmaals de politie gebeld. Toen de politie toen nog steeds niet kwam, is eiser met zijn gezin naar zijn moeder vertrokken. Op 6 januari 2023 is eiser naar de politie gegaan om aangifte te doen van de bedreiging. Aangifte van de bedreiging is uiteindelijk niet opgenomen. Eisers verbleven vanaf 5 januari 2023 tot en met 17 april 2023 bij de moeder van eiser. In de tussentijd zijn eisers naar een stichting gegaan die vrouwen bescherming biedt. De stichting heeft een afspraak bij een psycholoog geregeld, maar kon hen verder geen hulp bieden. Eisers konden pas op 17 april 2023 het land verlaten, omdat zij geen paspoorten hadden en geld moesten regelen om tickets te kopen. Ook wilden zij niet via Mexico of Spanje reizen. Bij terugkeer vrezen eisers voor de personen die hen bedreigd hebben en dat de autoriteiten (weer) hun mensenrechten zullen schenden. Eiser vreest ook dat hij vermoord of gerekruteerd zal worden door de guerrilla.

Het bestreden besluit

5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
identiteit, nationaliteit en herkomst;
de bedreigingen van [A] en [B] jegens eisers.
6. De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eisers geloofwaardig. Dat eisers uit Colombia komen, is volgens de minister echter onvoldoende om aan te nemen dat zij een gegronde vrees hebben voor vervolging of een reëel risico lopen op ernstige schade. De (willekeurige gewelds-)situatie in Colombia is niet van dien aard is dat reeds op voorhand een risico op ernstige schade moet worden aangenomen. Uit de verklaringen van eisers blijkt ook niet dat zij persoonlijk meer risico lopen om slachtoffer te worden van geweld. Uit de verklaringen van eiser blijkt dat hij na de moord op zijn vader door de guerrilla tussen 2003 en 2006 geen problemen meer heeft ondervonden (nader gehoor, p. 14). De minister vindt het daarom niet aannemelijk dat eisers bij terugkeer plotseling wel problemen zullen krijgen.
7. De bedreigingen van [A] en [B] jegens eisers acht de minister ook niet geloofwaardig. De minister merkt in dit verband op dat niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder b, c en e van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). De minister werpt tegen dat eisers geen bewijs van de aangifte van de bedreiging op 5 januari 2023 hebben overgelegd. Verder onderbouwen de documenten die eisers hebben overgelegd het asielmotief niet. Ook kunnen eisers volgens de minister niet in grote lijnen als geloofwaardig worden beschouwd, omdat zij bewust de Dublinprocedure hebben ontlopen en het illegale verblijf van de ouders van eiseres hebben verzwegen. De minister concludeert dat de asielaanvragen van eisers worden afgewezen als ongegrond.

Uitbrengen van een nieuw voornemen

8. Eisers voeren aan dat het onduidelijk is of het eerste voornemen van 4 maart 2025 is komen te vervallen. Volgens de minister heeft de beslisser bepaalde elementen over het hoofd heeft gezien, maar het blijft onduidelijk welke elementen dat zijn, en of de tegenstrijdigheden uit het eerste voornemen nog steeds worden tegengeworpen en welke gevolgen dit heeft voor de geloofwaardigheidsbeoordeling. Volgens eisers was in het eerste voornemen tegengeworpen dat niet is voldaan aan de voorwaarden in artikel 31, zesde lid, aanhef en onder b, c en e, van de Vw. Daar zijn eisers uitgebreid op ingegaan in de zienswijze van 5 maart 2025. De minister had in het tweede voornemen van 6 maart 2025 dus ook op deze zienswijze moeten reageren.
9. De rechtbank overweegt als volgt. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) staat het de minister steeds vrij om terug te komen van een eerder ingenomen geloofwaardigheidsstandpunt.1 De minister mocht dus op 6 maart 2025 een nieuw voornemen uitbrengen. In het bestreden besluit staat: “waarbij het voornemen van 4 maart 2025 is komen te vervallen”. In het bestreden besluit is ook toegelicht dat er telefonisch contact met de gemachtigde is opgenomen met de mededeling dat het voornemen van 6 maart 2025 het voornemen van 4 maart 2025 vervangt. Daarbij is een uiterlijke datum afgesproken binnen welke de nieuwe zienswijze moest worden ingediend. De gemachtigde van eisers heeft dit niet betwist. Op 13 maart 2025 heeft hij een zienswijze ingediend, waarin wordt gereageerd op het tweede voornemen. Deze zienswijze is ook betrokken in het bestreden besluit. De rechtbank volgt gezien het voorgaande niet dat het onduidelijk was of het eerste voornemen van 4 maart 2025 is komen te vervallen. Verder is – anders dan eisers stellen – in het eerste voornemen van 4 maart 2025 alleen tegengeworpen dat niet is voldaan aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c van de Vw. In de zienswijze van 5 maart 2025 hebben eisers gereageerd op de tegenwerpingen die de minister in dit kader naar voren heeft gebracht, namelijk dat de verklaringen van eisers tegenstrijdig zijn en dat de overgelegde documenten het asielrelaas onvoldoende (kunnen) onderbouwen. De rechtbank volgt niet dat deze zienswijze relevante argumenten bevat, die de minister had moeten betrekken in het tweede voornemen. Ook blijkt uit het tweede voornemen en het bestreden besluit afdoende waarom de minister (ook zonder de tegenwerpingen in de eerste zienswijze) de problemen van eisers ongeloofwaardig acht. Er is geen sprake van een motiveringsgebrek. De beroepsgrond slaagt niet.
1. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 7 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3360.
Toepassing van artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn en WI 2024/6
10. Eisers stellen zich op het standpunt dat artikel 4 van Pro de Kwalificatierichtlijn ongeldig is, omdat dit artikel in strijd is met artikelen 4 en 18 van het EU Handvest. In het bestreden besluit is niet ingegaan op wat hierover in de zienswijze is aangevoerd. In de zienswijze hebben eisers toegelicht dat de stringente invulling van artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn (waarbij aan cumulatieve voorwaarden moet worden voldaan) in strijd is met de positief ingestelde toepassing van artikel 4 en Pro 18 van het EU Handvest. Eisers voeren ook aan dat Werkinstructie (WI) 2024/6 in strijd is met artikel 4 van Pro de Kwalificatierichtlijn althans met het Unierecht. De door de minister uitgevoerde geloofwaardigheidsbeoordeling is te beperkt geweest. In reactie op de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 10 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:10057, stellen eisers dat zij persisteren en dat er hoger beroep is ingesteld. Verder heeft er in hun geval een negatieve beoordeling plaatsgevonden (waarbij niet is gebleken op welke manier de vervallen tegenstrijdigheden zijn meegenomen), wat illustreert dat de nieuwe werkwijze in strijd is met het Unierecht.
11. De rechtbank volgt eisers niet in hun betoog dat artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn ongeldig is, en dat de WI 2024/6 in strijd is met het Unierecht.
De meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats heeft in de uitspraak van 10 juni 2025 geoordeeld dat zij geen grond ziet voor het oordeel dat de toepassing van de WI 2024/6 in iedere zaak zonder meer leidt tot een met het Unierecht strijdige geloofwaardigheidsbeoordeling (r.o. 7.1). De rechtbank heeft daarbij overwogen dat er wat betreft stap 2b (de toets aan vijf voorwaarden als de vreemdeling het asielmotief niet voldoende heeft onderbouwd met objectieve bewijsstukken) wel situaties denkbaar zijn waarin de toepassing van de WI 2024/6 tot een beoordeling kan leiden die in strijd is met artikel 4 van Pro de Kwalificatierichtlijn. De rechtbank heeft in dat verband onder meer gewezen op de situatie dat de minister een asielmotief ongeloofwaardig acht enkel en alleen omdat de vreemdeling zijn aanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft gedaan en daarvoor geen goede reden heeft gegeven, en een situatie waarin de minister niet-objectief bewijsmateriaal onvoldoende betrekt bij de geloofwaardigheidsbeoordeling (r.o. 7.2). In het geval van eisers doen deze situaties zich niet voor, zoals hierna verder zal blijken. De beroepsgrond slaagt niet.
Geloofwaardigheid van de gestelde problemen
12. De rechtbank oordeelt dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij de bedreigingen van [A] en [B] ongeloofwaardig acht. De rechtbank zal dat hieronder toelichten, en zal daarbij ingaan op de beroepsgronden van eisers.
Geen bewijs van aangifte bedreiging
13. Eisers voeren aan dat niet mag worden tegengeworpen dat eiser er niet in is geslaagd aangifte te doen van bedreiging en hiervan geen schriftelijk bewijs kan overleggen. Eiser heeft tijdens het nader gehoor namelijk uitgelegd dat hij van het kastje naar de muur werd gestuurd. De politie wilde de aangifte niet aannemen en er werd gezegd dat eiser naar het openbaar ministerie moest gaan om daar aangifte te doen. Bij het openbaar ministerie kon geen aangifte worden gedaan omdat eiser onvoldoende bewijs had, maar dit was slechts een excuus om zijn aangifte niet op te nemen. Dat uit landeninformatie niet blijkt dat het een vereiste is om overtuigend bewijs te hebben, staat er niet aan in de weg dat de autoriteiten dit als excuus kunnen opgeven. De minister stelt dus ten onrechte dat eisers onvoldoende documenten hebben gegeven en daar geen goede verklaring voor hebben.
14. De rechtbank volgt eisers hierin niet. De minister heeft gewezen op de landeninformatie waaruit volgt dat bij een aangifte sprake moet zijn van een gedetailleerde beschrijving van de feiten zoals bekend bij de persoon die de aangifte doet en dat daar niet uit blijkt dat het een vereiste is om meteen overtuigend bewijs aan te leveren om aangifte te kunnen doen. Ook heeft de minister in dit verband er op gewezen dat eiseres wel aangifte kunnen doen wegens seksueel misbruik en heeft dat zij daarvan wel bewijs heeft gekregen (voornemen, p. 3). De minister hoefde de toelichting van eiser daarom niet te volgen. Eiser heeft ook anderszins niet aannemelijk gemaakt dat hij van het kastje naar de muur werd gestuurd en dat hij stappen heeft ondernomen. De rechtbank oordeelt dat de minister eisers kon tegenwerpen dat eisers onvoldoende documenten hebben verstrekt ter onderbouwing van de gestelde bedreiging en daar geen goede verklaring voor hebben gegeven. De beroepsgrond slaagt niet.

Beoordeling van de documenten

15. Eisers voeren aan dat er wel degelijk verband bestaat tussen document 2 en de huidige problemen. De vader van eiser had problemen met de milities en dat speelt hier ook een rol. De minister had dit document in onderlinge samenhang moeten beoordelen. Verder wil eiser met document 4 onderbouwen dat slachtoffers van seksueel geweld geen bescherming kunnen verwachten in Colombia. Ook heeft de minister de door eisers overgelegde algemene informatie ten onrechte afgedaan als ‘ter kennisgeving’.
16. De rechtbank is van oordeel dat de minister de documenten, in samenhang met de verklaringen van eisers, correct heeft beoordeeld. Document 2 betreft een afschrift Registro Único de Victimas, afgegeven door het Colombiaanse consulaat in [plaats 1] op 23 januari 2025. Daarin is opgenomen dat op 29 oktober 2003 een moord heeft plaatsgevonden. De minister heeft terecht opgemerkt dat het document niet inzichtelijk maakt hoe eiser precies slachtoffer is geworden van een gewapend conflict, en dat eiser heeft verklaard dat de problemen met de guerrilla speelden tussen 2003 en 2006. Het document levert dus geen bewijs dat eiser daadwerkelijk door de guerrilla (bij terugkeer) vermoord of gerekruteerd zal worden. Het document heeft geen betrekking op de problemen met de oom van eiseres, die eisers naar voren hebben gebracht als de reden voor hun vertrek. Over document 3 (aangifte van seksueel misbruik op 3 november 2022) heeft de minister terecht opgemerkt dat dit aantoont dat eiseres aangifte heeft gedaan van seksueel misbruik, maar dat het document niet ingaat op de bedreigingen van de oom van eiseres. Over document 4 (een brief van een persoon die asiel zou hebben gekregen in Canada) heeft de minister terecht opgemerkt dat hieruit niet blijkt dat de persoon slachtoffer is van de oom van eiseres, en dat sprake was van seksueel misbruik. De brief kan dus niet dienen ter onderbouwing van de door eisers gestelde problemen. De minister mocht daarbij ook van belang vinden dat de brief niet is ondertekend en dat er geen kopie van de identiteitskaart is bijgevoegd. Verder hoefde de minister niet nader in te gaan op de overgelegde algemene informatie. Eisers hebben immers verklaard dat persoonlijke problemen met de oom van eiseres de aanleiding waren voor hun vertrek. De algemene informatie is niet toegespitst op hun situatie, en kan deze problemen daarom ook niet onderbouwen. De beroepsgrond slaagt niet.

Ontlopen Dublinprocedure en verzwijgen illegaal verblijf van (schoon)ouders

17. Eisers voeren aan dat zij hebben uitgelegd waarom zij niet in Spanje asiel hebben aangevraagd. Hierop mag niet worden gebaseerd dat hun asielrelaas ongeloofwaardig is. Wat betreft het verblijf van de ouders van eiseres komt de minister pas in het bestreden besluit met passages uit de gehoren die kennelijk met de (schoon)ouders van eisers zijn gevoerd. Eisers herhalen dat zij slechts hebben weergegeven wat hun (schoon)ouders hen verteld hebben, en de minister niet doelbewust hebben misleid.
18. De rechtbank overweegt als volgt. Uit de verklaringen van eisers blijkt dat zij bekend zijn met de Dublinprocedure. Zij hebben bewust langer gewacht om uit Colombia te vluchten omdat zij niet via Spanje maar rechtstreeks naar Nederland wilden reizen om in Nederland asiel aan te vragen waardoor het langer heeft geduurd voordat zij Colombia hebben verlaten. Eisers hebben in het aanmeldgehoor verklaard dat de (schoon)ouders en twee broers in Spanje verbleven. In het nader gehoor hebben zij verklaard dat de (schoon)ouders eerst in Spanje waren en op het moment dat eisers in Nederland asiel hebben aangevraagd, naar Nederland zijn gereisd voor een asielprocedure. De rechtbank kan het standpunt van de minister volgen inhoudende dat dit afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van de gestelde problemen en de daaraan gekoppelde vrees. Verder is in het voornemen opgemerkt dat eisers in het nader gehoor (bedoeld is het aanmeldgehoor p. 10 en 11) hebben verklaard dat de vader en moeder van eiseres in [plaats 2] verbleven. Uit het aanmeldgehoor van de ouders van eiseres blijkt echter dat zij niet in Spanje, maar in Nederland verbleven. In het bestreden besluit is aangevuld dat eiseres in het nader gehoor (p. 17) heeft verklaard dat haar ouders eerst in Spanje waren en toen zij asiel had aangevraagd in Nederland ook hiernaartoe zijn gekomen. Uit de verklaringen van de ouders van eiseres blijkt echter dat haar moeder al op 19 maart 2022 Nederland is ingereisd en haar vader op 29 augustus 2022. De ouders hebben zich pas op 3 april 2024 gemeld voor asiel. De rechtbank volgt de minister dat niet valt in te zien dat eisers hiervan niet op de hoogte waren. Eisers hebben ook geen concrete aanknopingspunten aangedragen waaruit dat blijkt. De minister mocht zich daarom op het standpunt stellen dat eisers doelbewust foutieve informatie aan de IND hebben verstrekt en informatie hebben achtergehouden terzake het verblijf van hun (schoon)ouders en dat dit hen kan worden aangerekend met als gevolg dat dit afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van hun verklaringen. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

19. De minister heeft de aanvragen terecht afgewezen als ongegrond. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de asielaanvragen in stand blijft. Eisers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Valk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
09 januari 2026

Documentcode: [Documentcode]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.