ECLI:NL:RBDHA:2026:16745

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 mei 2026
Publicatiedatum
21 juni 2026
Zaaknummer
C/09/686578 / HA RK 25-294
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet vaststellingsprocedure staatloosheid
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot vaststelling van staatloosheid wegens Servisch staatsburgerschap

Verzoekster diende een verzoek in tot vaststelling van haar staatloosheid bij de rechtbank Den Haag. Zij stelde dat zij geen nationaliteit bezit, met name dat zij niet als Servisch staatsburger wordt beschouwd, ondanks een naturalisatiebesluit uit 1999. De rechtbank onderzocht de feiten, waaronder geboorteakte, naturalisatiedocumenten, en correspondentie met de Servische ambassade.

De rechtbank concludeerde dat verzoekster wel degelijk de Servische nationaliteit bezit. Dit werd onderbouwd met een uittreksel uit het register van Joegoslavische staatsburgers waarin haar naam, geboortedatum en oudergegevens overeenkomen met verzoekster. De vermeende persoonsverwisseling werd niet aannemelijk geacht, mede omdat verzoekster verschillende geboortedata hanteerde die allen in de buurt van haar werkelijke geboortedatum liggen.

De rechtbank oordeelde dat verzoekster niet staatloos is en daarom het verzoek tot vaststelling van staatloosheid niet kan worden toegewezen. Ook het verzoek tot veroordeling van de Staat in proceskosten werd afgewezen. De beslissing werd genomen door een meervoudige kamer van drie rechters en uitgesproken op 21 mei 2026.

Uitkomst: Het verzoek tot vaststelling van staatloosheid wordt afgewezen omdat verzoekster als Servisch staatsburger wordt beschouwd.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Meervoudige Kamer
Rekestnummer: HA RK 25-294
Zaaknummer: C/09/686578
Datum beschikking: 21 mei 2026

Vaststelling van staatloosheid

Beschikking op het op 11 juni 2025 ingekomen verzoekschrift van:

[verzoekster] ,

verzoekster,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A.M.J.M. Louwerse in Purmerend.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst, hierna: de Staat,
zetelende in ’s-Gravenhage,
vertegenwoordigd door: mr. A. Houben.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder van:
  • het verzoekschrift, met bijlagen;
  • het bericht van 22 juli 2025 van de Staat, met bijlagen;
  • het bericht van 3 september 2025 van verzoekster;
  • het bericht van 22 september 2025 van de Staat;
  • het bericht van 18 oktober 2025 van verzoekster, met bijlage;
  • het bericht van 31 oktober 2025 van verzoekster, met bijlage;
  • het bericht van 1 december 2025 van de Staat;
  • het bericht van 19 maart 2026 van verzoekster, met bijlagen;
  • het bericht van 2 april 2026 van de Staat, met bijlagen.
Op 9 april 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Op de zitting zijn verschenen:
  • verzoekster bijgestaan door haar advocaat;
  • mr. A. Houben namens de Staat.

Feiten

De volgende feiten blijken uit het dossier:
  • Verzoekster is volgens de geboorteakte geboren op [geboortedatum 1] 1973 in [geboorteplaats] . Op deze geboorteakte staat [naam 1] als de vader en [naam 2] als de moeder geregistreerd.
  • Van de geboorte van verzoekster is aangifte gedaan door de verpleegkundige. Bij de aangifte is de voornaam “ [voornaam 1] ” opgegeven. Volgens verzoekster is dit niet de naam die haar ouders haar hadden willen geven. Verzoekster wordt [voornaam 2] genoemd en gebruikt deze naam.
  • De ouders van verzoeksters zijn Roma en geboren in [plaats 1] , wat in het huidige Servië ligt.
  • Verzoekster is in 1974 met haar ouders naar de Verenigde Staten van Amerika vertrokken. Zij hebben daar tot 1998 verbleven, waarna zij zijn teruggekeerd naar Nederland.

Verzoek en het advies van de Staat

Verzoekster verzoekt vast te stellen dat zij staatloos is, met veroordeling van de Staat in de proceskosten.
De Staat adviseert het verzoek af te wijzen. Als de rechtbank eerst wil uitsluiten dat verzoekster ook door de Verenigde Staten van Amerika als onderdaan wordt beschouwd, adviseert de Staat om de zaak pro forma aan te houden om verzoekster de gelegenheid te geven informatie aan te leveren waaruit volgt dat zij nimmer door naturalisatie de Amerikaanse nationaliteit heeft verkregen.

Beoordeling

Vaststelling staatloosheid
Wettelijk kader
Het verzoek is gebaseerd op artikel 2 van Pro de Wet vaststellingsprocedure staatloosheid (hierna: Wvs).
Op grond van lid 1 van dit artikel kan een ieder die, buiten een bij enige rechterlijke instantie aanhangige zaak, daarbij onmiddellijk belang heeft en in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft, bij deze rechtbank een verzoek indienen tot vaststelling van zijn staatloosheid. Het verzoek kan ook strekken tot de vaststelling dat de betrokkene op een bepaald tijdstip staatloos was. De rechtbank stelt op grond van lid 2 van dit artikel de staatloosheid vast, indien haar niet is gebleken dat de betrokkene door enige staat, krachtens diens wetgeving, als onderdaan wordt beschouwd.
Ontvankelijkheid
De rechtbank stelt vast dat verzoekster in Nederland woont. Verder is niet in geschil dat verzoekster onmiddellijk belang heeft bij het verzoek tot vaststelling van staatloosheid, zodat zij ontvankelijk is in haar verzoek. De rechtbank heeft geen aanwijzingen dat verzoekster een andere nationaliteit kan hebben verkregen. [1]
Relevante landen
Omdat verzoekster is geboren in Nederland, zij van 1974 tot 1998 in de Verenigde Staten van Amerika heeft gewoond en haar ouders zijn geboren in [plaats 1] , wat in het huidige Servië ligt, ziet de rechtbank voorshands aanleiding om deze landen te betrekken bij haar beoordeling over de staatloosheid van verzoekster.
Wordt verzoekster als onderdaan van Servië beschouwd?
De rechtbank zal eerst beoordelen of verzoekster als onderdaan van Servië wordt beschouwd. Verzoekster en de Staat verschillen daarover van mening.
Verzoekster stelt zich op het standpunt dat zij niet als onderdaan van Servië wordt beschouwd. Haar ouders zijn Roma uit het voormalig Joegoslavië en zijn geboren in [plaats 1] , wat in het huidige Servië ligt. Een vaststaand gegeven is dat Roma veelal niet zijn geregistreerd in enig (personen)register. Voor zover verzoekster weet hebben haar ouders nooit de Joegoslavische of Servische nationaliteit gehad. Verzoekster betwist voorts dat zij door naturalisatie de Servische nationaliteit heeft verkregen. De naturalisatie op 2 juni 1999 betreft niet haar, maar ene [naam 3] , geboren op [geboortedatum 2] 1973. Volgens verzoekster is sprake van een persoonsverwisseling en is zij deze persoon niet. Deze persoon is immers genaturaliseerd met een andere voornaam en een andere geboortedatum dan verzoekster heeft. Ook hebben verzoekster en haar ouders destijds geen verzoek tot naturalisatie gedaan. De Servische autoriteiten beschikken niet meer over de documenten van de naturalisatie van deze [naam 3] en van een deugdelijk identificatieproces en onderzoek waaruit onomstreden blijkt dat deze genaturaliseerde persoon verzoekster is, is geen sprake geweest. Dat verzoekster niet de Servische nationaliteit heeft is ook bevestigd door de ambassade bij brief van 22 september 2016. Daarnaast is aan haar geen laissez-passez verstrekt toen haar ouders in 2015 naar Servië werden uitgezet. Ook de andere wettelijke gronden waarop de Servische nationaliteit verkregen kan worden zijn niet van toepassing op verzoekster.
De Staat stelt zich op grond van de nationaliteitsbevestiging van 10 juli 2025, het uittreksel uit het register van Joegoslavische staatsburgers van 31 juli 2017 en de conclusie van 28 juli 2017 op het standpunt dat voldoende aannemelijk is dat verzoekster Servisch staatsburger is. Verzoekster heeft verklaard dat niet zij, maar iemand anders met dezelfde geslachtsnaam, op 2 juni 1999 door naturalisatie de Servische nationaliteit heeft verkregen en dat sprake is van een persoonsverwisseling. De Staat wijst erop dat in de beslissing van 28 juli 2017 en de brief van 10 augustus 2017 enkel de geboortedatum van de naturalisant is gecorrigeerd van [geboortedatum 2] 1973 naar [geboortedatum 1] 1973 en niet de voornaam. De voornaam van de naturalisant is niet [naam 3] , maar altijd [voornaam 2] geweest. Ook bevat de beslissing een rechtsmiddelenclausule, maar is niet gebleken dat verzoekster een administratieve procedure aanhangig heeft gemaakt. Dat verzoekster destijds is genaturaliseerd met een andere geboortedatum kan komen doordat verzoekster in die periode vaker [geboortedatum 2] 1973 als geboortedatum gebruikte. Tot slot heeft verzoekster in januari 2017 erkend dat haar ouders de Servische nationaliteit hebben. Haar ouders zijn in maart 2015 uitgezet naar Servië en de Servische ambassade heeft hiervoor aan beide ouders een laissez-passer afgegeven, wat een tijdelijk reisdocument is waarmee de autoriteiten van een land een onderdaan in staat stellen terug te reizen.
De rechtbank overweegt en beslist als volgt.
De vraag die voorligt is of verzoekster de Servische nationaliteit bezit. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en legt dit als volgt uit.
Het uittreksel uit het register van Joegoslavische Staatsburgers van 31 juli 2017 vermeldt dat op 6 september 1999 op grond van de beslissing van 2 juni 1999 van het Federale Ministerie van Binnenlandse zaken, met nummer 600-45703/98, het staatburgerschap van de Republiek Servië is ingeschreven van: [voornaam 2] [geslachtsnaam] , geboren op [geboortedatum 1] 1973 in [geboorteplaats] , Nederland, met als voornaam van de vader ‘ [naam 1] ’ en voornaam van de moeder ‘ [naam 2] ’. Verder bevindt zich onder de overgelegde stukken een conclusie van 28 juli 2017, met nummer 600-45703/98-1, waarin de fout in het dictum van voornoemde beslissing van het Federale Ministerie van Binnenlandse Zaken wordt gecorrigeerd in het deel dat betrekking heeft op de geboortedatum van de persoon [geslachtsnaam] [voornaam 2] ( [voornaam 1] ), in die zin dat de vermelde datum [geboortedatum 2] 1973 wordt gecorrigeerd in [geboortedatum 1] 1973.
Daarmee staat vast dat op 2 juni 1999 een [voornaam 2] [geslachtsnaam] , geboren op [geboortedatum 1] 1973 te [geboorteplaats] , met als voornaam van de vader ‘ [naam 1] ’ en voornaam van de moeder ‘ [naam 2] ’ is genaturaliseerd. Anders dan verzoekster betoogt, is de rechtbank van oordeel dat het hier de naturalisatie van verzoekster betreft.
Verzoekster heeft naar voren gebracht dat de voornaam en de geboortedatum van de op
2 juni 1999 genaturaliseerde persoon niet haar voornaam en geboortedatum zijn. Uit voornoemd uittreksel uit het register van Joegoslavische Staatsburgers blijkt dat de voornaam van de op 2 juni 1999 genaturaliseerde persoon [voornaam 2] is. Dat de voornaam van de op 2 juni 1999 genaturaliseerde persoon ooit [naam 3] zou zijn geweest en zou zijn gecorrigeerd naar [voornaam 2] , is de rechtbank niet gebleken. De voornaam [naam 3] wordt eenmaal genoemd in een e-mail van 3 mei 2017 van de eerste consul van de ambassade, maar daarin wordt ook de voornaam [voornaam 2] genoemd, de voornamen van haar ouders, en de geboorteplaats [geboorteplaats] . De rechtbank acht het ook niet aannemelijk dat de voornaam van de genaturaliseerde persoon anders dan [voornaam 2] was. Uit voornoemde conclusie van 28 juli 2017 blijkt immers dat alleen de geboortedatum is gecorrigeerd en niet de voornaam. In de naturalisatie was aanvankelijk [geboortedatum 2] 1973 als geboortedatum opgenomen, terwijl verzoekster op
[geboortedatum 1] 1973 is geboren. Evenwel geeft dit de rechtbank geen aanleiding om aan te nemen dat de genaturaliseerde persoon iemand anders is dan verzoekster. Daarbij betrekt de rechtbank ten slotte dat niet in geschil is dat verzoekster altijd [voornaam 2] is genoemd in plaats van [voornaam 1] en dat de naam [voornaam 1] bovendien tussen haakjes is vermeld bij de correctie van de geboortedatum op 28 juli 2017. Uit het supplementary report van The [plaats 2] Police van 15 februari 1998 blijkt verder dat verzoekster kort voor indiening van het naturalisatieverzoek de geboortedatum [geboortedatum 2] 1973 gebruikte. Verzoekster betwist weliswaar dat dit rapport van de politie van [plaats 2] op haar betrekking heeft, maar ook dat acht de rechtbank niet aannemelijk. Het rapport bevat een adres waar verzoekster woonde, welk adres ook is vermeld op een Travelers Identification kaart op de naam [voornaam 2] [geslachtsnaam] . Op deze kaart is een foto zichtbaar waarvan verzoekster op de zitting heeft bevestigd dat zij dat is, wederom met een andere geboortedatum, te weten 11 december 1973. De rechtbank leidt uit deze feiten en omstandigheden – in onderling verband en samenhang genomen – eerder af dat verzoekster verschillende geboortedata hanteerde – die allemaal liggen rondom haar werkelijke geboortedatum [geboortedatum 1] 1973.
De rechtbank acht verder relevant dat in het uittreksel uit het register van Joegoslavische Staatsburgers de voornaam van de vader ‘ [naam 1] ’ en de voornaam van de moeder ‘ [naam 2] ’ zijn opgenomen. Volgens de geboorteakte van verzoekster zijn dit de voornamen van de ouders van verzoekster.
De rechtbank stelt tot slot vast dat bij brief van 10 juli 2025 van de Servische ambassade is bevestigd dat [voornaam 2] [geslachtsnaam] , geboren op [geboortedatum 1] 1973 in [geboorteplaats] , Nederland, vaders naam [naam 1] , Servisch staatsburger is.
Gelet op de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden en is naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk dat verzoekster die persoon is die door de Servische overheid als onderdaan van Servië wordt beschouwd. Dit betekent dat verzoekster niet staatloos is en dat het verzoek om de staatloosheid van verzoekster vast te stellen niet kan worden toegewezen, omdat niet is voldaan aan artikel 2 Wvs Pro.
Gelet hierop hoeft de rechtbank niet te bespreken of verzoekster (ook) als onderdaan van Nederland en de Verenigde Staten van Amerika wordt beschouwd.
De rechtbank zal het verzoek van verzoekster om vast te stellen dat zij staatloos is gelet op al het voorgaande afwijzen.
Proceskostenveroordeling
Gelet op deze beslissing, ziet de rechtbank geen aanleiding om de Staat te veroordelen in de proceskosten, zoals door verzoekster is verzocht, en zal het verzoek daartoe ook afwijzen.

Beslissing

De rechtbank:
wijst de verzoeken af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. H.M. Boone, A.M. Brakel en A.P. de Klerk, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Sluijmer als griffier en uitgesproken op de openbare zitting van
21 mei 2026.

Voetnoten

1.Tweede Kamer, vergaderjaar 2020-2021, 35 687, nr. 3, pagina 42.