ECLI:NL:RBDHA:2026:1682

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 januari 2026
Publicatiedatum
2 februari 2026
Zaaknummer
23/5735
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen hoogte tegemoetkoming planschade en nadeelcompensatie

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag inzake de hoogte van de toegekende tegemoetkoming voor planschade en deskundigenkosten, alsmede tegen de afwijzing van hun verzoek om nadeelcompensatie.

De rechtbank oordeelt dat het college het verzoek om nadeelcompensatie terecht heeft afgewezen omdat eisers hun verloren gegane bouwmogelijkheden hebben teruggekregen via een nieuw bestemmingsplan. De toegewezen tegemoetkoming voor directe planschade en deskundigenkosten is gebaseerd op een taxatie en advies van de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (SAOZ).

De rechtbank behandelt de zaak samen met vergelijkbare zaken en verwijst voor een uitgebreide motivering naar een andere uitspraak. Daarnaast is vastgesteld dat de redelijke termijn voor de behandeling van bezwaar en beroep met 24 maanden is overschreden, waarvoor eisers gezamenlijk een schadevergoeding van € 2.000,- toekomt, waarvan € 1.000,- door het college en € 1.000,- door de Staat wordt vergoed.

Het beroep wordt ongegrond verklaard, het bestreden besluit blijft in stand, en eisers krijgen een vergoeding voor de overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank wijst het griffierecht af en behandelt de proceskostenvergoeding in samenhang met andere zaken.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand; eisers ontvangen een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/5735

uitspraak van de meervoudige kamer van 5 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser 1] en [eiser 2] , uit [woonplaats] , eisers

(gemachtigden: mr. E.G.J.M. Meijer en E.H. Elmendorp),
en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,

(gemachtigde: mr. M.C. Remeijer-Schmitz).
en

de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid).

Samenvatting

1. Deze zaak gaat over de aanvraag voor tegemoetkoming in planschade en toekenning van nadeelcompensatie. Eisers zijn het niet eens met de hoogte van de hen toegekende tegemoetkoming voor planschade en deskundigenkosten. Zij zijn het ook niet eens met de afwijzing van hun verzoek om nadeelcompensatie. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college het verzoek om nadeelcompensatie terecht heeft afgewezen en dat eisers geen directe of indirecte planschade meer hebben omdat zij hun verloren gegane bouwmogelijkheden hebben teruggekregen. Het beroep is dus ongegrond.

Procesverloop

2. Eisers hebben het college verzocht om een tegemoetkoming in planschade en toekenning van nadeelcompensatie. Het college heeft met het besluit van 29 november 2021 een tegemoetkoming in natura toegekend voor directe planschade en een vergoeding voor deskundigenkosten. Voor het overige heeft het college de aanvraag afgewezen. Met het bestreden besluit van 7 juli 2023 op het bezwaar van eisers is het college bij dit besluit gebleven.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 14 oktober 2025 op zitting behandeld tegelijk met zaken 23/5716, 23/5719, 23/5721, 23/5724, 23/5726, 23/5727, 23/5728, 23/5731, 23/5732, 23/5734, 23/5736, 23/5737, 23/5738 en 23/5739. Hieraan hebben deelgenomen: gemachtigden van eisers, de gemachtigde van het college, [naam] namens het college en mr. C.M.L. van der Lee als deskundige van het college.
2.4.
Naar aanleiding van het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft de rechtbank de Staat als partij aangemerkt.

Beoordeling door de rechtbank

Verwijzing naar uitspraak in zaak SGR 23/5727
3. Deze zaak is tegelijk behandeld met onder meer de zaak SGR 23/5727. Die zaak gaat over een vergelijkbaar verzoek om tegemoetkoming in planschade en toekenning van nadeelcompensatie. Voor een uitgebreidere toelichting op de achtergrond en totstandkoming van het bestreden besluit verwijst de rechtbank naar de uitspraak van heden in die zaak.
Totstandkoming van het bestreden besluit
4. Eisers zijn eigenaar van een woning aan de [adres] . Eisers stellen dat zij schade ondervinden door het bestemmingsplan “ [bestemmingsplan] ” en latere herzieningen daarvan. Zij hebben daarom op 3 februari 2020 bij het college een verzoek om tegemoetkoming in de planschade en nadeelcompensatie ingediend.
4.1.
Het college heeft het verzoek van eisers voorgelegd aan de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (SAOZ). SAOZ heeft op 5 november 2021 advies uitgebracht. SAOZ concludeert dat geen van de door eisers genoemde schadefactoren heeft geleid tot indirecte planschade. SAOZ concludeert dat wel sprake is van directe planschade, omdat onder het nieuwe planologische regime een kleiner bruto vloeroppervlak gerealiseerd mag worden dan onder het oude planologische regime. Daardoor is in totaal 482 m² bruto woonoppervlak komen te vervallen.
4.2.
Een taxateur heeft het nadeel gewaardeerd. Volgens de taxatie leidt een vergroting van het hoofdgebouw met een bruto vloeroppervlak van 482 m² tot een vergroting met een netto vloeroppervlak van 434 m². Dat leidt tot een waardetoevoeging van € 1.164.000,-. Daar staat € 884.000,- aan stichtingskosten tegenover. De directe planschade bestaat voor eisers uit € 280.000,-. Er bestaat geen aanleiding om een aftrek vanwege normaal maatschappelijk risico toe te passen. SAOZ heeft daarom geadviseerd om een tegemoetkoming van € 280.000,- of in natura toe te kennen.
4.3.
Het college heeft het advies van SAOZ overgenomen en het planschadeverzoek wat betreft directe planschade toegewezen. Het college heeft besloten een nieuw bestemmingsplan vast te stellen of het geldende bestemmingsplan deels te herzien, zodat aan eisers dezelfde bebouwingsmogelijkheden worden toegekend als onder het oude planologische regime. Als het nieuwe bestemmingsplan niet onherroepelijk zou zijn op 1 juli 2024, dan zou het college alsnog overgaan tot betaling van een tegemoetkoming van € 280.000,- vermeerderd met de wettelijke rente gerekend van de dag van ontvangst van de aanvraag om planschade. Het college heeft verder besloten een bedrag van € 1.500,- aan deskundigenkosten toe te kennen. Het verzoek om nadeelcompensatie heeft het college afgewezen. Met het bestreden besluit is het college bij het primaire besluit gebleven. De datum waarop het college zou overgaan tot betaling van de tegemoetkoming als het nieuwe bestemmingsplan nog niet onherroepelijk zou zijn, is met het bestreden besluit verschoven naar 1 januari 2025.
4.4.
Het college heeft op 9 februari 2023 het bestemmingsplan “ [bestemmingsplan] 5e herziening” vastgesteld. Met dit bestemmingsplan zijn volgens het college voor negen kavels de bouwmogelijkheden teruggebracht. Sinds 24 december 2024 is het bestemmingsplan onherroepelijk.
Onafhankelijkheid van SAOZ, indirecte planschade, directe planschade en tegemoetkoming in natura, reformatio in peius, het verzoek om nadeelcompensatie en deskundigenkosten
5. In deze zaak zijn beroepsgronden aangevoerd die gelijk zijn aan de beroepsgronden die in zaak SGR 23/5727 zijn aangevoerd. Dit betreffen beroepsgronden over de onafhankelijkheid van SAOZ, indirecte planschade, directe planschade en tegemoetkoming in natura, reformatio in peius, het verzoek om nadeelcompensatie en deskundigenkosten. Voor het oordeel van de rechtbank met betrekking tot deze beroepsgronden verwijst de rechtbank naar de uitspraak in zaak SGR 23/5727, waarin is gemotiveerd waarom deze beroepsgronden niet slagen.
Overschrijding redelijke termijn
6. Eisers hebben verzocht om schadevergoeding omdat de redelijke termijn als bedoel in artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden.
6.1.
De behandeling van zaken als deze, waarin sprake is van een bezwaar- en beroepstermijn, mag maximaal twee jaar duren. Daarbij is een termijn van zes maanden voor de behandeling van het bezwaar en een termijn van anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep redelijk. De redelijke termijn vangt aan met de datum waarop het (pro forma) bezwaarschrift door het college is ontvangen en loopt door tot de datum waarop de rechtbank in eerste aanleg uitspraak heeft gedaan. Uitgangspunt is een schadebedrag van € 500,- per half jaar of deel daarvan dat de redelijke termijn is overschreden.
6.2.
Het bezwaarschrift is op 14 januari 2022 door het college ontvangen. De behandeling van de zaak heeft in totaal (afgerond) 48 maanden geduurd. De redelijke termijn is dus met 24 maanden overschreden. De rechtbank ziet noch in de zaak zelf noch in de opstelling van eisers aanleiding voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan twee jaar zou mogen bedragen. Eisers hebben gezamenlijk recht op een schadevergoeding van € 2.000,-.
6.3.
De beslissing op bezwaar is op 7 juli 2023 genomen. De duur van een half jaar die voor de behandeling van het bezwaar redelijk wordt geacht is daarmee met afgerond twaalf maanden overschreden. Van de overschrijding van de redelijke termijn moeten daarom twaalf maanden aan de bezwaarfase worden toegerekend en de overige twaalf maanden aan de beroepsfase. Het college moet daarom een bedrag van € 1.000,- (12/24 van € 2.000,-) vergoeden. De Staat moet een bedrag van € 1.000,- (12/24 van € 2.000,-) vergoeden.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Het bestreden besluit blijft dus in stand. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Eisers krijgen wel een vergoeding van hun proceskosten voor het indienen van een verzoek vanwege het overschrijden van de redelijke termijn. Vanwege de grote overlap in beroepsgronden met de veertien andere zaken en omdat deze zaken tijdens dezelfde zitting zijn behandeld, hoeft het college de proceskosten echter niet in alle zaken te vergoeden. De rechtbank heeft de vergoeding van de proceskosten al toegekend in zaak SGR 23/5716. Bij het berekenen van die proceskostenvergoeding is rekening gehouden met de samenhang met deze zaak.
8. De rechtbank zal het college veroordelen tot betaling van het bedrag van € 1.000,- vanwege overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank zal de Staat veroordelen tot betaling van het bedrag van € 1.000,- vanwege overschrijding van de redelijke termijn.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • veroordeelt het college tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.000,-;
  • veroordeelt de Staat tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.000,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Groes, voorzitter en mr. A.C. de Winter en mr. J. Schaaf, leden, in aanwezigheid van mr. H. Raben, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 5 januari 2026.
De griffier is buiten staat deze
uitspraak mede te ondertekenen
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.