Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder (hierna: de minister).
Procesverloop
Overwegingen
[geboortedag] 1988.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Den Haag
Eiser, van Somalische nationaliteit, werd op 15 maart 2026 een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding. De minister heeft de maatregel op 2 juni 2026 opgeheven.
De rechtbank toetste de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel vanaf het moment van het sluiten van het eerdere onderzoek, waarbij de maatregel tot dat moment rechtmatig was bevonden. Eiser stelde dat de minister onvoldoende voortvarend had gehandeld, met name door het niet tijdig indienen van een verzoek tot vervroeging van de voorlopige voorziening, wat volgens hem leidde tot onrechtmatigheid vanaf 28 mei 2026.
De rechtbank oordeelde dat de minister op 13 mei 2026 conform de Vreemdelingencirculaire had gehandeld door een verzoek tot vervroeging in te dienen. Verder werd een termijn van twee werkdagen als redelijk beschouwd voor de minister om na te gaan welke gevolgen de geplande zittingsdatum had en om een verzoek tot vervroeging in te dienen. Omdat de minister dit verzoek niet binnen die termijn indiende, was de voortzetting van de maatregel vanaf de derde dag onrechtmatig, maar de minister heeft de maatregel op 2 juni 2026 opgeheven, wat als voldoende voortvarend werd beoordeeld.
De rechtbank zag geen verdere grond voor onrechtmatigheid en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende voortvarend heeft gehandeld en wijst het beroep en het verzoek om schadevergoeding af.