AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Verzet tegen uitspraak over niet-tijdig beslissen op asielaanvragen gegrond verklaard
Deze zaak betreft het verzet van de minister tegen een eerdere uitspraak van 27 januari 2026, waarin de rechtbank de beroepen van geopposeerden gegrond verklaarde wegens niet-tijdig beslissen op hun aanvragen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
De rechtbank oordeelde dat de eerdere uitspraak niet juist was omdat niet was betrokken dat een van de geopposeerden het land vrijwillig had verlaten en zijn asielaanvraag had ingetrokken, en dat een andere geopposeerde was overleden. Deze nieuwe feiten werden in het verzet ingebracht en leidden tot het oordeel dat de eerdere uitspraak vervalt.
De rechtbank verklaart het verzet gegrond en stelt vast dat het beroep van de vertrokken eiser niet-ontvankelijk is omdat er geen lopende aanvraag meer was. Het beroep van de overleden eiseres is eveneens niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang.
De uitspraak van 27 januari 2026 vervalt en het onderzoek wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond, maar nader onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. De beroepen worden niet-ontvankelijk verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzet is gegrond verklaard en de beroepen zijn niet-ontvankelijk wegens vrijwillig vertrek en overlijden.
Uitspraak
Uitspraak verzet en beroep
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.58059-V, NL25.58063-V, NL25.58059 en NL25.58063
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
de minister van Asiel en Migratie, opposant/de minister, (gemachtigde: F.P. Dalhuizen),
en
[opposant/eiser1], met V-nummer: [V-nummer] , [opposant/eiser2] ,met V-nummer: [V-nummer] , geopposeerden/eisers, (gemachtigde: mr. M.O. Wattilete).
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over de beroepen die geopposeerden hebben ingediend, omdat opposant volgens hem niet op tijd heeft beslist op hun aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (de aanvragen).
Bij uitspraak van 27 januari 2026 heeft deze rechtbank en zittingsplaats de beroepen van geopposeerden gegrond verklaard en aan opposant een nadere beslistermijn van acht weken opgelegd.1 Opposant is tegen deze uitspraak in verzet gegaan.
Opposant heeft niet gevraagd om op een zitting te worden gehoord.
Overwegingen
Ten aanzien van het verzet
1. Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij op
27 januari 2026 uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 vanPro de Awb.
2. In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank op 27 januari 2026 terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was. De rechtbank kijkt daarbij (nog) niet of geopposeerden gelijk hebben met hun beroepen. Dat gebeurt pas als de rechtbank tot het oordeel komt dat de uitspraak van de rechtbank van
3. De rechtbank vindt een zitting niet nodig en heeft partijen gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.2
Het verzet geregistreerd onder nummer NL25.58059-V
4. Volgens opposant is de uitspraak van de rechtbank van 27 januari 2026 niet juist, omdat in de beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep niet is betrokken dat meneer op 5 augustus 2025 vrijwillig is vertrokken en daarbij zijn asielaanvraag heeft ingetrokken.
5. De rechtbank volgt opposant in dit standpunt en is, aan de hand van wat opposant in het verzetschrift heeft aangevoerd, van oordeel dat niet valt uit te sluiten dat er een andere uitkomst zou zijn geweest als het vrijwillige vertrek van meneer wel was betrokken in de beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep.
Het verzet geregistreerd onder nummer NL25.58063-V
6. Volgens opposant is de uitspraak van de rechtbank van 27 januari 2026 niet juist, omdat in de beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep niet is betrokken dat mevrouw op 1 februari 2025 is overleden. Deze informatie was bij de rechtbank niet bekend ten tijde van het behandelen van het beroep.
7. De rechtbank overweegt dat de toetsing in verzet van een uitspraak die is gedaan met toepassing van artikel 8:54 vanPro de Awb dient te geschieden op basis van de in verzet beschikbare informatie, waartoe ook behoort informatie die eerst in die fase in het geding naar voren is gebracht. Dit betekent dat de rechtbank ook acht moet slaan op de eerst in verzet ingebrachte bewijsmiddelen.
8. In verzet heeft opposant aangevoerd dat mevrouw op 1 februari 2025 is overleden. Opposant heeft een kopie gestuurd uit het systeem waaruit blijkt dat zij is overleden.
9. De rechtbank is, gelet op de in verzet ingebrachte informatie, van oordeel dat ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep gegrond is. Het verzet wordt daarom gegrond verklaard, zodat de uitspraak waartegen verzet was gedaan vervalt en het onderzoek wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond.
10. Het verzet van opposant is daarom gegrond.
Ten aanzien van de beroepen
11. Op grond van artikel 8:55, negende lid, van de Awb vervalt de uitspraak waartegen verzet is gedaan en wordt het onderzoek voortgezet in de stand waarin het zich bevond. De rechtbank is van oordeel dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de beroepszaak. De rechtbank doet daarom, op grond van artikel 8:55, tiende lid, van de Awb, niet alleen uitspraak op het verzet, maar ook op het beroep. Hierna wordt opposant als ‘de minister’ aangeduid.
2 Artikel 8:55, tiende lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
12. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.3
Het beroep geregistreerd onder nummer NL25.58059
13. Uit dossierinformatie blijkt dat eiser Nederland op 5 augustus 2025 vrijwillig heeft verlaten. Hierbij is aangegeven dat eiser zijn lopende asiel procedure intrekt. Aangezien er in dit geval voordat het beroep werd ingesteld geen lopende aanvraag meer was waarop niet tijdig kon worden beslist, is er geen sprake van een aanvraag waarop te laat is beslist. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.
Het beroep geregistreerd onder nummer NL25.58063
14. De rechtbank stelt vast dat eiseres op 1 februari 2025 is overleden. Gemachtigde van eiseres heeft na het overlijden op 26 november 2025 beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen. Niet kan worden vastgesteld dat de overledene nog enig belang heeft bij de voortzetting van het beroep. Dit brengt mee dat het procesbelang aan de beoordeling van het beroep is komen te ontvallen, zodat het ingestelde beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Conclusie en gevolgen
15. Het verzet is gegrond en de beroepen zijn niet-ontvankelijk.
16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3 Artikel 6:2, onder b, en 6:12, tweede lid, van de Awb.
Beslissing
De rechtbank:
In verzet:
verklaart het verzet gegrond;
verklaart de uitspraak van de rechtbank van 27 januari 2026 vervallen;
In beroep:
- verklaart de beroepen niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van
M.H.G.P. Tober, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
05 juni 2026
Documentcode: [Documentcode]
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kan geen rechtsmiddel worden aangewend, voor zover daarbij is beslist op het verzet. Als u het niet eens bent met deze uitspraak, voor zover daarbij is beslist op het beroep, dan kunt u hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. U moet dit doen binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.