Deze uitspraak betreft beroepen van eisers tegen het niet tijdig beslissen van de minister op hun aanvragen om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De rechtbank verwijst naar een eerdere uitspraak van 30 april 2025 waarin een beslistermijn van zestien weken was gesteld. De minister heeft binnen deze termijn geen beslissing genomen.
De rechtbank oordeelt dat de beroepen ontvankelijk zijn, ook zonder ingebrekestelling, vanwege de uitdrukkelijke en verstreken termijn uit de eerdere uitspraak. De minister wordt een nadere beslistermijn van acht weken opgelegd, rekening houdend met de noodzaak van nader gehoor en het geven van een voornemen aan eisers.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van €250,- per dag met een maximum van €37.500,- voor elke dag dat de minister de beslistermijn overschrijdt. De minister wordt tevens veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eisers van €467,-, vanwege de inschakeling van professionele rechtsbijstand en de aard van de procedure.
De rechtbank beschouwt de zaken als samenhangend omdat eisers gehuwd zijn en dezelfde rechtsbijstandverlener hebben, waardoor de dwangsom en proceskostenvergoeding worden beperkt tot het bedrag dat in één zaak zou worden toegekend. De uitspraak is gedaan door rechter G.P. Loman en griffier J.M. Pattynama en is uitgesproken op 27 januari 2026.