Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16864

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
NL25.26836-V
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep wegens ontbreken ingebrekestelling bij overschrijding beslistermijn verblijfsvergunning

Deze uitspraak betreft het verzet van opposant tegen een eerdere uitspraak van 1 september 2025, waarin zijn beroep niet-ontvankelijk werd verklaard omdat hij geen ingebrekestelling had gestuurd voordat hij beroep instelde tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

Opposant betoogt dat hij redelijkerwijs niet kon worden verlangd een ingebrekestelling te sturen omdat de maximale beslistermijn van 21 maanden was verstreken, verwijzend naar de Procedurerichtlijn en Kamerstukken. De rechtbank oordeelt echter dat de enkele overschrijding van de beslistermijn onvoldoende is om de ingebrekestelling achterwege te laten. De ingebrekestelling biedt het bestuursorgaan immers de mogelijkheid om de besluitvorming te versnellen en onnodige rechterlijke procedures te voorkomen.

De rechtbank stelt vast dat opposant geen andere feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die het redelijkerwijs onmogelijk maken om een ingebrekestelling te sturen. Daarom blijft de eerdere niet-ontvankelijkverklaring van het beroep in stand en wordt het verzet ongegrond verklaard. De uitspraak is gedaan zonder zitting, conform artikel 8:54 Awb Pro, omdat geen twijfel bestond over de uitkomst.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard en de eerdere niet-ontvankelijkverklaring van het beroep blijft in stand.

Uitspraak

Uitspraak verzet

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.26836-V

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[opposant] , V-nummer: [V-nummer] , opposant (gemachtigde: mr. M.A. Krikke),

en

de minister van Asiel en Migratie, geopposeerde.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep dat opposant heeft ingediend, omdat geopposeerde volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna: aanvraag).
Bij uitspraak van 1 september 2025 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep van opposant niet-ontvankelijk verklaard.1 Opposant is tegen deze uitspraak in verzet gegaan
Opposant heeft niet gevraagd om op een zitting te worden gehoord.

Overwegingen

De rechtbank heeft in de uitspraak van 1 september 2025 het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat de ingebrekestelling prematuur was ingediend. Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij de uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank toen terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was. De rechtbank kijkt (nog) niet of opposant gelijk heeft met zijn beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank van oordeel is dat de uitspraak van de rechtbank van 1 september 2025 niet juist was.
Volgens opposant is de uitspraak van de rechtbank van 1 september 2025 niet juist omdat de rechtbank heeft miskent dat hij bij overschrijding van de beslistermijn van 21 maanden uit de Procedurerichtlijn verweerder niet eerst in gebreke hoeft te stellen. Opposant wijst hierbij naar Kamerstukken II 2005/06, 30 435, nr. 3, bladzijde 17. Hij betoogt dat het
1. Zaaknummer NL25.26836 (niet gepubliceerd).
doel van de ingebrekestelling is dat het bestuursorgaan door de ingebrekestelling bekend wordt met het feit dat de beslistermijn in de ogen van de aanvrager is overschreden. Voor het instellen van direct beroep kan een ingebrekestelling echter achterwege blijven als redelijkerwijs niet meer van belanghebbende kan worden gevergd dat hij het bestuursorgaan in gebreke stelt. Volgens opposant is dat het geval, aangezien de maximale beslistermijn was verstreken toen hij het beroep indiende.
4. De rechtbank is het niet eens met opposant. Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijk gesteld. Ingevolge artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, kan het beroepschrift gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit worden ingediend zodra: a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen en b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.
5. Ingevolge artikel 6:12, derde lid, van de Awb, kan, indien redelijkerwijs niet van belanghebbende kan worden gevergd dat hij het bestuursorgaan in gebreke stelt, het beroepschrift worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is, tijdig een besluit te nemen. Volgens vaste rechtspraak kan een ingebrekestelling redelijkerwijs niet worden gevergd als bijvoorbeeld de bestuursrechter in een eerdere uitspraak een uitdrukkelijke termijn heeft gesteld voor het nemen van een besluit en het bestuursorgaan zich daaraan niet houdt.2
6. De rechtbank volgt niet het betoog van opposant dat van hem redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat hij een ingebrekestelling stuurt. De enkele omstandigheid dat de wettelijke beslistermijn is overschreden, is daarvoor onvoldoende. Dat verhoudt zich niet tot het bepaalde in artikel 6:12, tweede lid, van de Awb. Daarnaast is van belang dat (zoals ook staat in de door opposant aangehaalde Kamerstukken II) een ingebrekestelling een bestuursorgaan de mogelijkheid biedt om de besluitvorming zoveel mogelijk te versnellen, waardoor mogelijk alsnog binnen twee weken een besluit kan worden genomen en het niet nodig is om beroep in te stellen. Dat is voor alle betrokkenen een goedkopere oplossing en voorkomt onnodige belasting van de rechter. Het betoog dat geen ingebrekestelling nodig is omdat de beslistermijn is verstreken, slaagt daarom niet. Opposant heeft geen andere feiten of omstandigheden naar voren gebracht die maken dat redelijkerwijs niet meer van hem kan worden gevergd dat hij het bestuursorgaan in gebreke stelt.
7. Dit leidt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank van 1 september 2025 in stand blijft.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van
M.H.G.P. Tober, griffier.
2 Zie bijvoorbeeld ABRvS 8 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:673.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
05 juni 2026

Documentcode: [Documentcode]

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunt u niet in hoger beroep.