Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16865

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
NL26.7479-V
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen uitspraak over hoogte en motivering dwangsom bij aanvraag machtiging voorlopig verblijf

Deze zaak betreft het verzet van opposant tegen een eerdere uitspraak van 29 april 2026, waarin het beroep van geopposeerde werd gegrond verklaard wegens het niet tijdig beslissen op een aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf voor gezinshereniging nareis asiel.

De rechtbank had toen een beslistermijn van twee weken gesteld en een dwangsom opgelegd zonder een zitting te houden, omdat zij geen twijfel had over de uitkomst. Opposant betoogde dat de rechtbank ten onrechte geen zitting had gehouden en dat de hoogte van de dwangsom niet was gemotiveerd.

De rechtbank oordeelt dat het opleggen van een verhoogde dwangsom zonder motivering niet is toegestaan, conform recente jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het enkele feit dat een eerdere beslistermijn niet werd nageleefd, rechtvaardigt geen sterke prikkel zonder nadere motivering.

Daarom verklaart de rechtbank het verzet gegrond en vervalt de uitspraak van 29 april 2026. De zaak wordt opnieuw behandeld, waarbij nog niet is beslist over de inhoudelijke vraag of geopposeerde gelijk heeft. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: Het verzet wordt gegrond verklaard en de uitspraak van 29 april 2026 vervalt wegens onvoldoende motivering van de dwangsom.

Uitspraak

uitspraak verzet
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.7479-V
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen de minister van Asiel en Migratie, opposant,
en
[opposant], geopposeerde,
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. S. Cetinkaya-Ahmad).
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep dat geopposeerde heeft ingediend, omdat opposant volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf voor gezinshereniging nareis asiel (hierna: de aanvraag).
Bij uitspraak van 29 april 2026 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep van geopposeerde gegrond verklaard.1 Opposant is tegen deze uitspraak in verzet gegaan.
Opposant heeft niet gevraagd om op een zitting te worden gehoord.
Overwegingen
De rechtbank heeft in de uitspraak van 29 april 2026 het beroep gegrond verklaard en daarbij een nadere beslistermijn van twee weken gesteld, onder oplegging van een dwangsom.
Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij op 29 april 2026 uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank op 29 april 2026 terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was. De rechtbank kijkt (nog) niet of geopposeerde gelijk heeft met zijn beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank van oordeel is dat de uitspraak van de rechtbank van 29 april 2026 niet juist was.
Volgens opposant is de uitspraak van de rechtbank van 29 april 2026 onjuist, omdat

1.ECLI:NL:RBDHA:2026:14009.

de rechtbank bij het opleggen van de dwangsom niet heeft toegelicht waarom zij heeft gekozen voor een verhoogde dwangsom. Opposant stelt dat de rechtbank had moeten motiveren waarom een verhoogde dwangsom noodzakelijk was.
5. De rechtbank is het eens met opposant dat de rechtbank de zaak niet zonder zitting had kunnen afdoen omdat bij het bepalen van de hoogte van de opgelegde dwangsom geen motivering is gegeven waarom een sterke prikkel noodzakelijk was. Uit recente jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State2 blijkt dat het enkele feit dat een eerder door de rechtbank opgelegde beslistermijn niet is nageleefd, geen rechtvaardiging vormt om dit gelijk te stellen aan een noodzaak voor een sterke prikkel zonder nadere motivering. De rechtbank moet de noodzaak van een verhoogde dwangsom motiveren. In dit specifieke geval heeft de rechtbank dat niet gedaan, terwijl zij dat wel had moeten doen. Dit betekent dat opposant hierover gelijk heeft. Het verzet is dus gegrond en de uitspraak van 29 april 2026 vervalt (artikel 8:55, lid 9, Awb).
6. De zaak wordt nu verder behandeld door de rechtbank. Opposant krijgt hierover nog bericht. Voor de duidelijkheid merkt de rechtbank op dat dit nog niet direct betekent dat de rechtbank geopposeerde gelijk zal geven met zijn beroep. Dat moet nog beoordeeld worden.
Beslissing
De rechtbank verklaart het verzet gegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van
M.H.G.P. Tober, griffier.

2.ECLI:NL:RVS:2026:1792.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
12 juni 2026
Documentcode: [Documentcode]
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kunt u niet in hoger beroep.