ECLI:NL:RBDHA:2026:16865
Rechtbank Den Haag
- Verzet
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen uitspraak over hoogte en motivering dwangsom bij aanvraag machtiging voorlopig verblijf
Deze zaak betreft het verzet van opposant tegen een eerdere uitspraak van 29 april 2026, waarin het beroep van geopposeerde werd gegrond verklaard wegens het niet tijdig beslissen op een aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf voor gezinshereniging nareis asiel.
De rechtbank had toen een beslistermijn van twee weken gesteld en een dwangsom opgelegd zonder een zitting te houden, omdat zij geen twijfel had over de uitkomst. Opposant betoogde dat de rechtbank ten onrechte geen zitting had gehouden en dat de hoogte van de dwangsom niet was gemotiveerd.
De rechtbank oordeelt dat het opleggen van een verhoogde dwangsom zonder motivering niet is toegestaan, conform recente jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het enkele feit dat een eerdere beslistermijn niet werd nageleefd, rechtvaardigt geen sterke prikkel zonder nadere motivering.
Daarom verklaart de rechtbank het verzet gegrond en vervalt de uitspraak van 29 april 2026. De zaak wordt opnieuw behandeld, waarbij nog niet is beslist over de inhoudelijke vraag of geopposeerde gelijk heeft. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het verzet wordt gegrond verklaard en de uitspraak van 29 april 2026 vervalt wegens onvoldoende motivering van de dwangsom.