ECLI:NL:RBDHA:2026:16867

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
NL26.12315
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • K.C.L.J. Verhoeven
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:1 AwbArt. 3:2 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken procesbelang na vertrek asielzoeker

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Duitsland verantwoordelijk zou zijn voor de aanvraag. De rechtbank behandelde het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 29 april 2026, waarbij eiser en zijn gemachtigde afwezig waren.

Na sluiting van het onderzoek ontving de rechtbank op 6 mei 2026 een bericht van de minister dat eiser op 24 april 2026 met onbekende bestemming was vertrokken. De rechtbank heropende daarop het onderzoek en verzocht de gemachtigde van eiser om aan te geven of er nog contact was en of procesbelang bestond. Geen van de partijen wenste een nadere zitting.

De rechtbank concludeert dat eiser geen procesbelang meer heeft omdat hij niet langer prijs stelt op asiel in Nederland, gelet op het vertrek met onbekende bestemming en het ontbreken van recent contact met zijn gemachtigde. Daarom verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en wijst zij het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang na vertrek met onbekende bestemming.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.12315

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. A. Kurt-Geçoğlu),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. A. Sloots).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 3 maart 2026 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening [1] , op 29 april 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Na afloop van de behandeling op de zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
1.3.
Na sluiting van het onderzoek heeft de rechtbank op 6 mei 2026 een brief ontvangen van de minister, met de melding dat eiser op 24 april 2026 met onbekende bestemming is vertrokken. Gelet hierop heeft de minister de rechtbank verzocht om te beoordelen of er momenteel nog sprake is van procesbelang in de procedure van eiser. Naar aanleiding van dit bericht van de minister heeft de rechtbank het onderzoek op 22 mei 2026 heropend. De rechtbank heeft de gemachtigde van eiser in de gelegenheid gesteld om uiterlijk op 27 mei 2026 schriftelijk aan te geven of zij nog contact onderhoudt met eiser en om aan te geven of er nog procesbelang bestaat. Daarnaast heeft de rechtbank partijen verzocht om aan te geven of zij de rechtbank toestemming verlenen om zonder nadere zitting het onderzoek te sluiten.
1.4.
Nadat geen van de partijen heeft aangegeven op een zitting te willen worden gehoord, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en bepaald dat een nader onderzoek op zitting achterwege blijft.

Beoordeling door de rechtbank

Heeft eiser nog procesbelang bij de beoordeling van zijn beroep?
2. Het beroep is niet-ontvankelijk, omdat eiser geen procesbelang meer heeft bij zijn beroep. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
2.1.
De omstandigheid dat een vreemdeling die in Nederland bescherming heeft
gevraagd, met onbekende bestemming (mob) vertrekt zonder aan de minister te laten weten
waar hij verblijft, kan betekenen dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem
aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. In dat geval kan een beroep niet-
ontvankelijk worden verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. De Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in de uitspraak van 1 juli 2024 echter
overwogen dat de bestuursrechter voorzichtig moet omgaan met het niet-ontvankelijk
verklaren van een beroep op basis van een mob-melding. [2] Er mag van uitgegaan worden dat
een vreemdeling belang heeft bij zijn beroep als uit recente informatie van zijn gemachtigde
van na de mob-melding blijkt dat deze nog contact onderhoudt met de vreemdeling over de
procedure.
2.2.
De minister heeft in zijn bericht van 6 mei 2026 aan de rechtbank laten weten
dat eiser met onbekende bestemming vertrokken is gemeld. De minister heeft zich daarbij
gebaseerd op informatie van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers.
2.3.
Gelet op het bericht van de minister en het uitblijven van een reactie van de gemachtigde van eiser daarop, neemt de rechtbank aan dat gemachtigde geen recent contact meer heeft gehad met eiser. De rechtbank neemt dan ook aan dat eiser niet langer prijs meer stelt op asiel in Nederland, zodat hij geen belang meer heeft bij de inhoudelijke beoordeling van zijn beroep.

Conclusie en gevolgen

3. Het beroep is niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten van eiser te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.C.L.J. Verhoeven, in aanwezigheid van mr. S.J.B. ter Beke, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Met zaaknummer NL26.12316.
2.ABRvS 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662, rechtsoverweging 2.7.