ECLI:NL:RBDHA:2026:16874
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening Frankrijk
Eiser, van Iraanse nationaliteit, diende op 4 augustus 2025 een opvolgende asielaanvraag in Nederland in. Nederland stelde vast dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de asielaanvraag op grond van de Dublinverordening, omdat eiser daar eerder asiel had aangevraagd. Nederland verzocht Frankrijk om terugname, waarop geen tijdige reactie volgde, waardoor een fictief claimakkoord ontstond.
Verweerder nam de aanvraag van eiser niet in behandeling op grond van artikel 30 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, omdat Frankrijk verantwoordelijk is. Eiser voerde aan dat overdracht aan Frankrijk onevenredige hardheid oplevert vanwege zijn slechte ervaringen met het Franse asiel- en opvangsysteem, zijn medische situatie en afhankelijkheid van familie in Nederland. Hij stelde dat verweerder had moeten onderzoeken of overdracht een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 Handvest Pro inhoudt.
De rechtbank oordeelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt en verweerder mocht uitgaan van de naleving van internationale verplichtingen door Frankrijk. Eiser had onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij een reëel risico loopt op een met artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 Handvest Pro strijdige behandeling. Ook de medische situatie en familiebanden rechtvaardigen geen uitzondering. Het beroep is daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag is ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.