ECLI:NL:RBDHA:2026:16892
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen overdracht op grond van Dublin-verordening
Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd om te voorkomen dat hij op 3 juni 2026 wordt overgedragen aan Zwitserland, zodat hij in Nederland kan blijven tot op het beroep tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag is beslist.
De voorzieningenrechter overweegt dat partijen reeds zijn uitgenodigd voor de behandeling van het beroep op 3 juni 2026 en dat verweerder heeft aangekondigd de overdracht op die datum te willen uitvoeren. Er is echter geen sprake van een gedwongen overdracht, aangezien verzoeker ervoor kan kiezen niet te vertrekken.
Daarom is er geen spoedeisend belang dat een voorlopige voorziening rechtvaardigt. Het verzoek wordt afgewezen. De uitspraak bindt niet in het bodemgeding en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de geplande overdracht naar Zwitserland wordt afgewezen wegens ontbreken van een spoedeisend belang.