ECLI:NL:RBDHA:2026:16892

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
NL26.17665
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen overdracht op grond van Dublin-verordening

Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd om te voorkomen dat hij op 3 juni 2026 wordt overgedragen aan Zwitserland, zodat hij in Nederland kan blijven tot op het beroep tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag is beslist.

De voorzieningenrechter overweegt dat partijen reeds zijn uitgenodigd voor de behandeling van het beroep op 3 juni 2026 en dat verweerder heeft aangekondigd de overdracht op die datum te willen uitvoeren. Er is echter geen sprake van een gedwongen overdracht, aangezien verzoeker ervoor kan kiezen niet te vertrekken.

Daarom is er geen spoedeisend belang dat een voorlopige voorziening rechtvaardigt. Het verzoek wordt afgewezen. De uitspraak bindt niet in het bodemgeding en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de geplande overdracht naar Zwitserland wordt afgewezen wegens ontbreken van een spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.17665

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker] , V-nummer: [nummer] , verzoeker

(gemachtigde: mr. R.E. Temmen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. R.E. Thijssen).

Procesverloop

Bij besluit van 30 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Zwitserland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De rechtbank heeft de behandeling van beide zaken op zitting gepland op 3 juni 2026.
Verweerder heeft verzoeker op 21 mei 2026 kenbaar gemaakt dat hij op 3 juni 2026 om 12:05 uur zal worden overgedragen aan Spanje.
Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om de voorlopige voorziening toe te wijzen, zodat eiser in ieder geval rechtmatig verblijf met recht op opvang en voorzieningen heeft tot definitief op het beroep is beslist.
Verweerder heeft op 27 mei 2026 een verweerschrift ingediend.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter kan op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om op een zitting te verschijnen als onverwijlde spoed dat vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad. De voorzieningenrechter stelt vast dat partijen reeds zijn uitgenodigd voor de behandeling van het beroep op 3 juni 2026. Zij ziet evenwel aanleiding om met toepassing van artikel 8:83, vierde lid, van de Awb uitspraak te doen omdat verweerder verzoeker op 3 juni 2026 om 12:05 uur wil overdragen. Partijen worden verder niet in hun belangen geschaad omdat verzoeker de gronden van het verzoek naar voren heeft gebracht en verweerder daarop heeft gereageerd. De voorzieningenrechter sluit daarom het onderzoek.
2. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een bodemgeding niet.
3. Verzoeker wil met dit verzoek bereiken dat de geplande overdracht naar Zwitserland achterwege blijft totdat op het beroepschrift is beslist, zodat verzoeker de behandeling van het beroepschrift in Nederland kan afwachten.
4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het beroep geen redelijke kans van slagen heeft. Daarom verzet verweerder zich tegen de toewijzing van het verzoek op een voorlopige voorziening. Dat eiser wenst om op zitting gehoord te worden maakt het voorgaande niet anders, nu eiser niet geconcretiseerd heeft wat hij mondeling ter zitting toe wil lichten.
5. De voorzieningenrechter stelt vast dat er op dit moment niet is gebleken dat er sprake is van een gedwongen overdracht. In soortgelijke zaken wordt door voorzieningenrechters overwogen dat een verzoeker er voor kan kiezen om niet te vertrekken. Om die reden is de voorzieningenrechter van oordeel dat op dit moment dan ook geen sprake is van een spoedeisend belang, zodat het verzoek om een voorlopige voorziening reeds hierom wordt afgewezen.
Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter dat verzoeker ook de mogelijkheid heeft om zijn gemachtigde te instrueren om namens hem zaken op zitting toe te lichten.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J. Dommerholt, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.