Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16904

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
NL25.36971
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.71 VbArt. 8 EVRMArtikel 3 lid 1 IVRKRichtlijn 2003/86/EGparagraaf B1/4.1.4 Vc
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wegens niet voldoen aan mvv-vereiste

Eiseres, geboren in 2007 en van Dominicaanse nationaliteit, vroeg om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd om bij haar vader in Nederland te verblijven. Haar eerdere verblijfsrecht werd ingetrokken nadat zij terugkeerde naar de Dominicaanse Republiek. De minister wees haar aanvraag af omdat zij niet beschikte over een geldige mvv en niet in aanmerking kwam voor vrijstelling hiervan.

De rechtbank oordeelde dat de minister terecht geen toepassing gaf aan de hardheidsclausule, omdat eiseres niet voldoende aannemelijk had gemaakt dat zij feitelijk tot het gezin van haar vader in de Dominicaanse Republiek behoorde en er geen bijzondere persoonlijke omstandigheden waren. Ook de belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro en de Gezinsherenigingsrichtlijn leidde niet tot een ander oordeel.

Verder werd vastgesteld dat eiseres het intrekkingsbesluit van haar eerdere verblijfsvergunning niet had ontvangen door eigen nalatigheid. Haar beroep op gerechtvaardigd vertrouwen faalde. Ten slotte was het belang van het kind volgens de rechtbank voldoende meegewogen. Het beroep werd ongegrond verklaard en eiseres kreeg geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag verblijfsvergunning regulier wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.36971

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres

(gemachtigde: mr. Y. Mateo Diaz),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. W. van Hoof).

Inleiding en procesverloop

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd.
1.1.
De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 17 oktober 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 7 augustus 2025 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 24 maart 2026 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep, [1] op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiseres en haar gemachtigde hebben voorafgaand aan de zitting gemeld niet aanwezig te zullen zijn.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de minister de aanvraag van eiseres kon afwijzen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres. De rechtbank geeft eiseres geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank dat uit.
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 2007 en heeft de Dominicaanse nationaliteit. Op 28 juni 2024 heeft zij een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning met het verblijfsdoel ‘verblijf als familie of gezinslid’ om bij haar vader (referent) in Nederland te verblijven. Referent heeft de Dominicaanse nationaliteit, maar heeft een verblijfsvergunning in Nederland. Eiseres heeft eerder rechtmatig verblijf bij referent in Nederland van
6 september 2019 tot en met 6 september 2024 gehad. Dit verblijfsrecht is echter per
16 september 2021 ingetrokken, omdat eiseres terug is gegaan naar de Dominicaanse Republiek om bij haar oma te verblijven. In 2024 is eiseres opnieuw naar Nederland gekomen, waar zij momenteel bij referent woont.
4. De minister heeft de aanvraag van eiseres afgewezen, omdat eiseres niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en zij niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste. [2] De minister overweegt dat eiseres familieleven heeft met referent en haar stiefmoeder. De belangenafweging die de minister in het kader van artikel 17 van Pro de Gezinsherenigingsrichtlijn [3] heeft gemaakt, valt echter in het nadeel van eiseres uit. De minister overweegt ook dat eiseres familieleven heeft met haar stiefzussen, maar de belangenafweging die de minister in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM [4] heeft gemaakt, valt ook in het nadeel van eiseres uit. Met haar stiefbroer heeft eiseres volgens de minister geen familieleven. Ten slotte wordt ook privéleven ook aangenomen, maar ook hierin valt de belangenafweging in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM in het nadeel van eiseres uit. De minister heeft geen aanleiding gezien om toepassing te gegeven aan de hardheidsclausule.
Vrijstelling griffierecht
5. Eiseres heeft verzocht om vrijstelling van de verplichting tot het betalen van griffierecht vanwege betalingsonmacht. De rechtbank heeft het verzoek om vrijstelling voorlopig toegewezen. Met het overgelegde formulier is voldoende aannemelijk gemaakt dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor vrijstelling. Het verzoek om vrijstelling van het griffierecht wordt definitief toegewezen.
Had de minister eiseres moeten vrijstellen van het mvv-vereiste?
6. Uit artikel 3.71, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) volgt dat de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt afgewezen indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopige verblijf. De vreemdeling kan hier onder andere van worden vrijgesteld als de uitzetting van de vreemdeling in strijd zou zijn met artikel 8 van Pro het EVRM of wanneer het vasthouden aan het mvv-vereiste leidt tot onbillijkheid van overwegende aard. Dat laatste wordt ook wel de hardheidsclausule genoemd. De rechtbank overweegt dat de minister kon afzien van het toepassen van deze vrijstellingsgronden. Voordat de rechtbank ingaat op de motivering daarvan, overweegt zij eerst het volgende.
7. De rechtbank begrijpt dat er tijdens het beroep discussie is ontstaan over het besluit tot intrekking van de eerdere verblijfsvergunning van eiseres per 16 september 2021 en over de vraag of eiseres dat besluit heeft ontvangen. Tijdens de zitting heeft de minister toegelicht dat het bezwaar dat eiseres heeft ingesteld tegen het intrekkingsbesluit inmiddels niet-ontvankelijk is verklaard, omdat zij dit bezwaar te laat heeft ingediend. De rechtbank overweegt dat de discussie rondom de termijnoverschrijding voor het indienen van bezwaar en de verschoonbaarheid daarvan een rol speelt binnen die bezwaarprocedure en niet in deze procedure. Voor zover het discussiepunt wel van belang is in deze zaak, zal de rechtbank dit bespreken in de belangenafweging van artikel 8 van Pro het EVRM.
Hardheidsclausule
8. Eiseres stelt dat zij voldoet aan de voorwaarden van de hardheidsclausule zoals bedoeld in paragraaf B1/4.1.4 van de Vc, waardoor de minister verplicht is om het mvv-vereiste buiten toepassing te laten. Zo wijst eiseres erop dat ze het biologische kind is van referent, dat ze minderjarig was ten tijde van haar aanvraag, dat ze feitelijk behoort en al in de Dominicaanse Republiek behoorde tot het gezin van referent en dat ze onder zijn rechtmatig gezag staat. Verder voert eiseres aan dat sprake is bijzondere omstandigheden. Ze verwijst daarvoor naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 maart 2019 [5] en stelt dat zij geen familie en opvang heeft in de Dominicaanse Republiek. Ook stelt ze dat ze afhankelijk is van haar vader in Nederland en dat ze hier al veel sociale contacten heeft opgebouwd. Het is volgens haar disproportioneel om haar terug te sturen naar de Dominicaanse Republiek omdat ze pas net achttien jaar is geworden; uitzetting zou nadelige gevolgen hebben voor haar ontwikkeling en welzijn.
8.1.
De rechtbank overweegt dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden voor toepassing van de hardheidclausule zoals bedoeld in paragraaf B1/4.1.4 van de Vc. De minister heeft zich daarbij op het standpunt kunnen stellen dat eiseres feitelijk niet tot het gezin van referent behoorde in de Dominicaanse Republiek. Daarbij heeft de minister van belang kunnen achten dat referent tijdens de hoorzitting van 8 mei 2025 heeft verklaard dat hij reeds veertien jaar in Nederland verblijft. [6] Gelet hierop heeft de minister de conclusie kunnen trekken dat slechts gedurende een beperkte periode (hoogstens vier jaar) sprake is geweest van feitelijk samenwonen tussen referent en eiseres in de Dominicaanse Republiek. Eiseres heeft op geen enkele andere wijze onderbouwd dat zij vóór het vertrek van referent feitelijk tot diens gezin behoorde.
8.2.
De rechtbank overweegt verder dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat niet is gebleken van bijzondere, persoonlijke feiten en/of omstandigheden die leiden tot vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van de hardheidsclausule. De minister heeft daarbij van belang kunnen achten dat eiseres nog familie in de Dominicaanse Republiek heeft waar zij op terug zou kunnen vallen. Eiseres heeft tijdens de hoorzitting namelijk verklaard dat haar oma, opa, tante, neefjes en nichtjes nog in de Dominicaanse Republiek verblijven. Niet is gebleken dat eiseres niet door hen zou kunnen worden opgevangen. Bovendien heeft eiseres tot 2019 en daarna van 2021 tot en met 2024 met haar oma in de Dominicaanse Republiek gewoond. Niet is aangetoond dan wel aannemelijk gemaakt waarom dit nu niet weer mogelijk zal zijn. Verder heeft de minister van belang kunnen achten dat, indien eiseres zou moeten terugkeren naar de Dominicaanse Republiek voor het aanvragen van een mvv, sprake zou zijn van een tijdelijke situatie. Tegen die achtergrond heeft de minister niet ten onrechte gesteld dat de omstandigheid dat eiseres afhankelijk is van referent en inmiddels sociale contacten heeft opgebouwd in Nederland, niet kan worden aangemerkt als bijzondere, persoonlijke feiten en/of omstandigheden dat toepassing van de hardheidsclausule is aangewezen. Daarbij heeft de minister ook mogen betrekken dat deze omstandigheden onvoldoende onderscheidend zijn ten aanzien van landgenoten van eiseres. Voorts is door eiseres niet onderbouwd welke nadelige gevolgen met betrekking tot haar ontwikkeling en welzijn zouden optreden als zij terug zou moeten naar de Dominicaanse Republiek. De beroepsgrond slaagt niet.
Gezinsherenigingsrichtlijn en artikel 8 van Pro het EVRM
9. Eiseres voert verder aan dat het vasthouden aan het mvv-vereiste een inmenging oplevert met haar familie- en privéleven dat ze in Nederland heeft opgebouwd. Ze stelt dat de minister ten onrechte heeft gesteld dat zij onvoldoende banden heeft met Nederland. Ze is een jongvolwassene en bevindt zich in een kwetsbare levensfase. Sinds haar terugkeer in Nederland woont ze bij referent en bouwt ze actief een toekomst op in Nederland. Ze is bezig met haar studie en integratie, spreekt de Nederlandse taal en heeft geen sociaal vangnet in de Dominicaanse Republiek.
9.1.
De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiseres familieleven heeft met haar vader, stiefmoeder en stiefzussen. Ook is niet in geschil dat eiseres geen familieleven heeft met haar stiefbroer.
9.2.
De rechtbank overweegt dat eiseres in beroep niet heeft aangegeven en/of onderbouwd waarom het bestreden besluit in strijd zou zijn met de Gezinsherenigingsrichtlijn en/of artikel 8 van Pro het EVRM. De minister heeft in het bestreden besluit veel belangen tegen elkaar afgezet in het kader van het familieleven dat eiseres met haar vader, stiefmoeder en stiefzussen heeft, en het privéleven dat zij heeft opgebouwd in Nederland. De minister heeft daarbij onder meer meegewogen dat eiseres eerder een verblijfsvergunning in Nederland heeft gehad, hier familie en vrienden heeft, eerder naar school is gegaan en nu opnieuw onderwijs in Nederland volgt. Eiseres heeft in beroep niet onderbouwd waarom haar belang zwaarder dient te wegen dan het belang van de Nederlandse staat. De enkele stelling dat de minister ten onrechte heeft gesteld dat zij onvoldoende banden met Nederland heeft, is daarvoor onvoldoende. Evenmin is de stelling dat eiseres zich in een kwetsbare levensfase bevindt voldoende om tot een ander oordeel te leiden. De minister heeft meegewogen dat eiseres minderjarig was ten tijde van de aanvraag en dat ze hier als minderjarige een tijd heeft gewoond, dus in die zin is er wel rekening gehouden met de levensfase waar zij zich in bevindt. Tegen die achtergrond heeft eiseres niet onderbouwd waarom de belangenafweging van de minister gebrekkig is. Gelet hierop ziet de rechtbank in de beroepsgronden van eiseres geen aanleiding te overwegen dat het vasthouden aan het mvv-vereiste een strijd zou opleveren met de Gezinsherenigingsrichtlijn dan wel artikel 8 van Pro het EVRM. De minister mocht dus afzien van het toepassen van deze vrijstellingsgrond.
9.3.
Ten aanzien van het intrekkingsbesluit van de eerdere verblijfsvergunning van eiseres overweegt de rechtbank dat uit het verweerschrift volgt dat het intrekkingsbesluit eiseres niet heeft bereikt vanwege een onjuist adres. Dit neemt echter niet weg dat de minister in het verweerschrift terecht heeft overwogen dat het op de weg van eiseres lag om aan de minister te melden dat zij zou vertrekken naar de Dominicaanse Republiek en dat haar adresgegevens zouden wijzingen. Het komt daarom voor haar eigen rekening en risico dat zij het intrekkingsbesluit niet heeft ontvangen. De minister heeft eiseres dan ook mogen verwijten dat ze naar Nederland is gekomen zonder dat ze wist dat haar verblijfsvergunning was ingetrokken. Voor zover eiseres een beroep doet op het gerechtvaardigd vertrouwen overweegt de rechtbank dat geen sprake is van toezeggingen en/of gedragingen die zijn gedaan of verricht waaruit eiseres heeft mogen afleiden dat haar verblijfstitel geldig zou blijven als zij Nederland zou verlaten en na drie jaar weer zou terugkeren. Het enkele feit dat eiseres Nederland heeft kunnen inreizen, maakt niet dat sprake is van gerechtvaardigd vertrouwen. De beroepsgrond slaagt niet.
Belangen van het kind
10. Eiseres voert tenslotte aan dat de belangen van eiseres, destijds nog minderjarig, niet als ‘eerste overweging’ zijn betrokken in de besluitvorming van vwr, wat in strijd is met artikel 3 lid 1 IVKR Pro. De enkele vermelding van het belang van het kind als een van meerdere factoren volstaat niet.
10.1.
De rechtbank overweegt dat de minister in de belangenafweging in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM in het voordeel heeft meegewogen dat eiseres hier als minderjarig kind is gekomen en dat ze gedurende die periode rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad. Dit is vervolgens afgezet tegen het belang van de Nederlandse staat. Dat eiseres dus stelt dat haar belangen als destijds nog minderjarig kind, niet zijn meegewogen als ‘eerste overweging’, kan de rechtbank dan ook niet volgen. Verder overweegt de rechtbank dat eiseres zelf niet heeft onderbouwd waarom haar belang op dit punt zwaarder weegt dan de Nederlandse staat. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.A. Braeken, rechter, in aanwezigheid van
mr.M.M. Tank, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
28 mei 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zaak NL25.36972
2.Zoals bedoeld in paragraaf B1/4.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).
3.Richtlijn 2003/86/EG.
4.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
6.Zie pagina 4 van het gehoor van 8 mei 2025.